Alleen!
Een oogenblik later stond de agent van Lac Bain aan den rand van de
kloof. Hij had een heesch gebrul voortgebracht—een woesten kreet
van ongeloovigheid en afgrijzen, die Nepeese's naam vormde, toen zij
verdween. Hij keek naar beneden, zijn groote roode handen in elkaar
klemmend en staarde, bleek van onzekerheid, naar het kokende water en de
zwarte rotsen in de diepte. Er was niets te zien, geen enkele aanduiding
waar zij verdwenen was in het witte schuim. En zij was _daartoe_
overgegaan—om zich voor hem te redden!
De ziel van den bruut werd er door geschokt, zoo zelfs, dat hij
achteruit deinsde, met beneveld oog en wankelend op zijn beenen.
Hij had Pierrot vermoord en dit was een triomf geweest; zijn heele
leven lang had hij de rol van wreedaard gespeeld, zonder eenige
gewetenswroeging—en nooit was hij zoo door zijn gevoel overweldigd; het
scheen hem op de plaats te verlammen. Hij zag Baree niet. Hij hoorde
niet het gejank van den hond aan den rand van den afgrond. Een paar
oogenblikken scheen de wereld voor hem in zwart gehuld en toen, zich
herstellend van zijn verbijstering, begon hij zenuwachtig langs den rand
van de kolk te loopen, overal rondkijkend of hij ook maar een glimp van
haar kon ontdekken. Eindelijk begon hij de hoop op te geven. Zij was
weg, voor goed,—en zij had dat gedaan om aan hem te ontsnappen!
Hij mompelde dit telkens weer in zichzelf, stom weg, met een dikke tong,
alsof zijn trage hersens buiten dit feit niets meer bevatten konden.
Zij was dood. En Pierrot was ook dood. En _hij_ had dit alles in eenige
minuten bewerkt.
Hij keerde terug naar de hut—niet het pad nemend, waarlangs hij
Nepeese vervolgd had, maar recht door het dichte struikgewas. Groote
sneeuwvlokken waren beginnen te vallen. Hij keek op naar de lucht;
uit het Zuidoosten kwamen donkere wolken aandrijven. De zon werd
onzichtbaar. Er was een storm op til—een zware sneeuwstorm. De groote
vlokken, neerdalend op zijn bloote handen en gezicht, brachten hem weer
aan het denken. Deze sneeuwstorm was een goed ding voor hem. Hij zou
alles bedekken, zelfs de versche voetsporen en het graf, dat hij voor
Pierrot zou delven. Een man van zijn karakter had niet veel tijd noodig
om zich te herstellen van een geestelijken schok. Toen hij de hut in
't gezicht kreeg, was zijn geest weer aan het werk—om uit te maken,
wat er in de tegenwoordige omstandigheden gedaan moest worden. Het
vreeselijkste van alles was niet, dat Pierrot en Nepeese beiden dood
waren, maar dat zijn droom, de verwachtingen, die hij gekoesterd had,
verstoord waren. Het deed hem geen verdriet, dat Nepeese dood was, maar
dat _hij_ haar verloren had. Dit was zijn bitterste teleurstelling. Over
de rest—zijn misdaad—zou hij wel gauw heen komen.
Het was geen weekhartigheid, die hem er toe bracht, Pierrot's graf vlak
naast dat van zijn vrouw te maken. Dàt hij een graf voor hem groef, was
louter uit voorzichtigheid, niet uit edeler gevoelens. Hij gaf Pierrot
een fatsoenlijke begrafenis, zooals de eene blanke man die een anderen
bereidt.
Daarna goot hij Pierrot's petroleumvoorraad uit op de plaatsen, waar
hij er het meeste nut van zou hebben en bracht er een lucifer bij. Hij
bleef aan den zoom van het bosch staan tot de hut niet meer was dan een
vlammenmassa. De sneeuw viel dicht. Het versch-gegraven graf vormde een
wit heuveltje en ook de paden zagen al wit. Voor zijn waarneembare daden
gevoelde Mc Taggart geen vrees, terwijl hij naar Lac Bain terugkeerde.
Niemand zou ooit het graf van Pierrot Du Quesne openen. En als zulk
een wonder al gebeurde, zou niemand hem kunnen verraden. Maar van één
herinnering zou zijn zwarte ziel zich nooit kunnen bevrijden. Altijd zou
hij het bleeke gelaat van de Wilg voor zich zien, zooals zij hem in haar
oogenblik van triomf had aangezien, den dood verkiezend boven hem, toen
hij had uitgeroepen: „God, is zij niet prachtig!”
Zooals Bush Mc Taggart Baree vergeten had, zoo had Baree ook hem
vergeten. Terwijl Mc Taggart langs den rand van den afgrond liep, was
Baree op de plek gebleven waar Nepeese het laatst gestaan had, zijn
voorpooten schrap zettend, terwijl hij in de diepte keek. Hij had haar
den sprong zien doen.
Dezen zomer had hij haar meermalen gevolgd op haar moedig duiken in het
diepe, kalme water van den poel. Maar dit was een ontzaglijke afstand.
Op een dergelijke plaats was zij nog nooit gedoken. Hij kon de zwarte
toppen van de rotsen zien, verschijnend en weer verdwijnend in het
klotsende schuim, als zeemonsters, die aan het spelen zijn; het geraas
van het water dreunde in zijn ooren; hij zag verbrokkeld ijs snel
voortglijden tusschen de rotswanden. En zij was daarin gesprongen.
Hij gevoelde een groot verlangen, haar te volgen, haar na te springen,
zooals hij haar altijd nagesprongen was. Zij was stellig daar beneden,
al kon hij haar niet zien. Misschien speelde zij wel tusschen de rotsen
en verstopte zich onder het witte schuim, zich afvragend waarom hij niet
kwam. Maar hij aarzelde—aarzelde, met kop en nek over den rand van den
afgrond, terwijl zijn voorpooten wat meegaven in de sneeuw. Krachtig
drong hij zich weer achteruit en jankte. Hij rook den verschen reuk van
Mc Taggart's mocassins in de sneeuw en het janken veranderde langzaam
in een langen, woedenden grauw. Hij keek weer over den rand. Nog steeds
kon hij haar niet zien. Hij blafte—het korte, scherpe signaal, waarmee
hij gewoon was haar te roepen. Geen antwoord. Hij blafte nog eens en nog
eens en altijd was het eenige geluid, dat hem antwoordde, het geraas van
het water. Daarna bleef hij eenige oogenblikken stilstaan en luisterde,
terwijl zijn lijf sidderde door den vreemden angst, die hem bekroop.
De sneeuw viel nog steeds en Mc Taggart was naar de hut teruggekeerd.
Na een poosje begon Baree het voetspoor van den man te volgen langs
den afgrond, en waar Mc Taggart stil was blijven staan, om over den
rand te kijken, hield Baree ook even op. Een tijdlang werd zijn haat
onderdrukt door het verlangen, de Wilg te vinden en hij bleef langs
het water voortgaan tot op een kwart mijl waar de agent het laatst was
blijven staan; toen kwam hij aan een nauw paadje, waar Nepeese en hij
dikwijls op zoek geweest waren naar boschviooltjes. Het kronkelende
paadje, dat naar de rots leidde, was geheel volgesneeuwd, maar Baree
baande er zich een weg door, tot hij ten laatste bij het nog onbevroren
stroompje stond. En Nepeese was hier evenmin. Hij jankte en blafte
opnieuw, maar ditmaal was er een ongeruste klank in zijn roep aan haar,
alsof hij wel verwachtte, geen antwoord te krijgen. Daarna bleef hij
wel vijf minuten lang in de sneeuw zitten, onbeweeglijk als een rots.
Wat er uit de sombere geheimzinnigheid van het water tot hem kwam,
welk geestgefluister der natuur hem de waarheid deed begrijpen, blijft
onverklaarbaar. Maar hij bleef luisteren en toekijken en zijn spieren
bewogen zich krampachtig, terwijl het begrip van de waarheid in hem
groeide; en ten laatste hief hij langzaam den kop op, totdat zijn zwarte
snoet naar den hemel wees, waaruit nog steeds een gordijn van sneeuw
zakte en uit zijn strot kwam het jammerende, langgerekte gehuil, dat de
hond in de wildernis aanheft, buiten de tent, waarin zijn pas gestorven
meester ligt.
Mc Taggart, juist op den terugweg naar Lac Bain, hoorde dit gehuil en
rilde.
De rooklucht, die steeds sterker werd, bereikte eindelijk ook Baree's
neusgaten en deed hem naar de hut terugkeeren. Er was niet veel meer van
overgebleven, toen hij de open plek bereikte. Waar eens de hut gestaan
had, lag nu een roodgloeiende, smeulende puinhoop. Lang bleef Baree er
naar kijken, nog steeds wachtend en luisterend. Hij voelde niet langer
de uitwerking van den kogel, die hem verdoofd had, maar zijn zinnen
ondergingen nu weer een verandering, even onwezenlijk als hun worsteling
tegen den dood, zooeven in de hut. In een kleine tijdsruimte, van niet
langer dan een uur, was de wereld voor Baree geheel veranderd. Toen
zat de Wilg nog voor haar spiegeltje in de hut, praatte tegen hem en
lachte vroolijk, al worstelend met haar nieuw kapsel, terwijl hij in
volmaakte tevredenheid op den vloer lag uitgestrekt. En nu bestond er
geen hut meer, geen Nepeese en geen Pierrot. Bedaard worstelde hij om
dit alles in zich op te nemen. Het duurde nog een poos voor hij onder
de dichte balsemstruiken uitkwam, want een groeiende achterdocht begon
zijn handelingen al te leiden. Hij naderde de smeulende overblijfselen
van de hut niet dichter, maar ging omzichtig langs de open plek, naar
de hondenverblijfplaats. Zoodoende kwam hij onder de hooge sparren.
Een volle minuut bleef hij hier staan en snuffelde aan het nieuwe
heuveltje onder zijn mantel van sneeuw. Toen hij verder ging, sloop hij
nog dichter langs den grond en lagen zijn ooren plat op zijn kop. De
hondenverblijfplaats stond open en was leeg. Daar had Mc Taggart voor
gezorgd. En opnieuw ging Baree zitten en joeg zijn doodsgehuil de lucht
in. Ditmaal was het voor Pierrot bestemd. De klank er van verschilde
met het gehuil aan den rand van den afgrond. Er klonk overtuiging in.
Zekerheid. Bij den afgrond was er nog eenige twijfel in geweest—een
vragende hoop—en in zijn smart had zoo iets bijna menschelijks
geklonken, dat Mc Taggart er een rilling van gekregen had. Baree _wist_
wat er in dat versche, door sneeuw bedekte graf lag. Een schamele drie
voet aarde kon dat geheim niet voor hem verbergen. Hier was de dood,
onherroepelijk. Maar wat Nepeese aangaat—hij hoopte en zocht nog steeds.
Tot den middag toe bleef hij in de buurt van de hut, maar niet meer dan
ééns naderde hij den zwarten hoop hout, waar de sneeuw nog op neerviel
en snuffelde er aan. Telkens en telkens weer liep hij de open plek rond,
steeds in de buurt van het struikgewas blijvend, snoof in de lucht en
luisterde. Tweemaal ging hij terug naar den afgrond. Laat in den middag
kreeg hij plotseling een inval, die hem snel door het bosch deed loopen.
Hij deed het nu niet openlijk; voorzichtigheid, achterdocht en vrees
hadden opnieuw de wolf-instinkten in hem gewekt. Met zijn ooren plat
op zijn kop liggend, zijn staart neerhangend, zoo laag, dat de punt er
van door de sneeuw sleepte en zijn rug doorbuigend op die eigenaardige
wolvenmanier, kwam hij ternauwernood uit de schaduw der balsemstruiken
en sparren. Hij aarzelde niet, welken weg hij nemen zou, hij ging
recht op zijn doel af, het bosch door en kwam tegen het invallen van
de schemering op de open plek, waarheen Nepeese met hem gevlucht was,
dien dag, toen zij Mc Taggart in het water had geduwd. Inplaats van het
hutje van balsemstruiken, stond er nu een van waterdichten berkebast,
dat Pierrot en de Wilg in den afgeloopen zomer gemaakt hadden. Baree
ging er recht op af en stak zijn kop naar binnen met een zacht gejank,
vol verwachting. Er volgde geen antwoord. Het was donker en koud in
het hutje. Hij kon duidelijk de twee dekens onderscheiden, die er
altijd lagen; de rij groote blikken doozen, waarin Nepeese hun provisie
bewaarde en de kachel, die Pierrot geimproviseerd had uit resten van
ijzer en blik. Maar Nepeese zag hij niet. En hij kon buiten evenmin
een spoor van haar ontdekken. De sneeuw was onbetreden, behalve door
hemzelf. Het was donker geworden toen hij naar de afgebrande hut
terugkeerde. Hij bleef den heelen nacht in den omtrek van de verlaten
hondenverblijfplaats en de sneeuw bleef nog aanhoudend vallen, zoodat
hij, toen hij bij het aanbreken van den morgen zich naar het open
gedeelte begaf, er tot aan zijn schouders inzonk.
Maar de hemel klaarde toch op. De zon kwam op en de wereld bood een
bijna te schitterenden aanblik voor de oogen. Zij verwarmde Baree's
bloed door nieuwe hoop en verwachtingen. Zijn brein worstelde nog
heviger dan den vorigen dag om te begrijpen. Vast en zeker zou de
Wilg nu spoedig terugkeeren! Hij zou haar stem weer hooren. Zij zou
plotseling uit het bosch te voorschijn komen. Hij zou een teeken van
haar krijgen. Eén van deze dingen, of alles tegelijk, _moest_ gebeuren.
Hij bleef oogenblikkelijk staan zoodra hij maar een geluid hoorde
en snoof den wind in, in alle richtingen. Hij trok onophoudelijk
voort. Hij liet diepe sporen achter in de sneeuw, rondom en over den
grooten witten heuvel, waar eens de hut gestaan had; zij liepen van de
hondenverblijfplaats naar de hooge sparren en zij waren zoo talrijk als
de sporen van een geheelen wolventroep, een halve mijl in den omtrek van
den afgrond.
Dien tweeden dag, 's middags, kreeg hij zijn tweeden grooten inval. Het
was geen zuiver instinkt en toch ook weer niet geheel beredeneerd. Het
was een worsteling er tusschenin, de primitieve geest, die zijn best
deed, iets abstracts te begrijpen—iets, dat niet door het oog gezien
kon worden of door het oor gehoord. Nepeese was niet in de hut, omdat er
geen hut meer was. Zij was ook niet in het kleine hutje. Hij kon geen
spoor van haar meer ontdekken bij den afgrond. Zij was ook niet bij
Pierrot in het graf onder de hooge sparren.
Daarom ging hij, zonder er redenen voor te kunnen opgeven, maar volkomen
zeker van zijn zaak, de oude vallenlijn volgen, het noordwesten in.