Nepeese doet haar keus.
Het korte tijdsverloop, dat nu volgde, kort, gemeten volgens den
harteklop van den mensch, scheen in de hut bij den Grijzen Fuut een
eeuwigheid te duren, een eeuwigheid, die soms tusschen leven en dood
schijnt te liggen.
Pierrot bewoog zich niet, in de deur staande. Mc Taggart, met
het volle gewicht van Nepeese in zijn armen, staarde Pierrot aan,
eveneens bewegingloos. Maar de oogen van de Wilg werden geopend. Een
stuiptrekking ging door Baree, die nog steeds tegen den muur lag. Men
hoorde geen enkele ademhaling. En toen klonk er door die stilte een
hijgende snik van Nepeese.
En dit scheen Pierrot tot het leven terug te doen keeren. Evenals Mc
Taggart had hij zijn jas en wanten buiten gelaten. Hij sprak en zijn
stem geleek niet op die van Pierrot. Het was een vreemd geluid, dat hij
voortbracht.
„De Groote God heeft me bijtijds terug doen keeren, m'sieu,” zeide hij.
„Ik ben ook in oostelijke richting gereisd en zag uw spoor hierheen
leiden.”
Neen, dit geleek niets op Pierrot's stem! Mc Taggart ontzette er van,
thans, en langzaam liet hij Nepeese los. Zij viel op den grond. Langzaam
nam hij een strakke houding aan.
„Is het niet waar, m'sieu?” vroeg Pierrot opnieuw. „Ik ben nog op tijd?”
Welke macht was het—welke groote vrees wellicht, dreef Mc Taggart er
toe, te knikken en met zijn dikke lippen heesch de woorden: „Ja, op
tijd,” te vormen?
En toch was het geen vrees. Het was iets grooters, iets almachtigers
dan dat. En Pierrot zeide, met dezelfde zonderlinge stem: „Ik dank den
Grooten God!”
De oogen van een razenden man ontmoetten die van een anderen razende.
De Dood was tusschen hen. Beiden zagen het. Beiden dachten, dat zij de
richting zagen, waarin zijn beenige vinger wees. Beiden waren er zeker
van. Mc Taggart's hand dwaalde niet naar het pistool in zijn holster
en Pierrot raakte niet aan het mes in zijn gordel. Toen zij aanvielen,
vlogen zij elkander naar de keel, er waren twee beesten, in plaats van
één, want Pierrot had nu de kracht en de woede in zich van den wolf, de
kat en den panter.
Mc Taggart was de grootste en zwaarste van de twee mannen, een reus van
kracht, maar toch werd hij bij Pierrot's eersten woesten uitval tegen
de tafel aangeworpen en kwam met een smak op den vloer terecht. Hij had
meermalen in zijn leven gevochten, maar hij had nooit een greep aan
zijn keel gevoeld als de greep van Pierrot's handen. Zij persten bijna
dadelijk alle leven uit hem. Zijn nek kraakte—als het nog wat langer
duurde zou hij breken. Hij sloeg in den wilde naar Pierrot en wrong
zich, om het gewicht van den halfbloed van zich af te krijgen. Maar
Pierrot had zich aan hem vastgeklemd, zooals Sekoosew, de hermelijn,
zich aan de keelader van den patrijs had vastgeklemd en Bush Mc
Taggart's mond werd langzaam geopend en zijn gelaatskleur ging van rood
in paars over.
Koude lucht, die door de open deur naar binnen stroomde, Pierrot's stem
en het lawaai van het gevecht hadden Nepeese tot haar bewustzijn terug
doen keeren en haar de macht gegeven, van den grond op te staan. Zij was
vlak bij Baree neergevallen en toen zij haar hoofd oprichtte, rustten
haar oogen een moment op den hond, voor zij zich naar de vechtende
mannen wendden. _Baree was nog levend!_ Er gingen stuiptrekkingen door
zijn lijf, zijn oogen waren geopend, hij deed een poging, zijn kop op te
heffen, terwijl zij naar hem keek.
Toen scharrelde zij overeind, op haar knieën en keek naar de mannen en
Pierrot moest zelfs, te midden van zijn bloedroode woede om te dooden,
den scherpen vreugdekreet gehoord hebben, dien zij uitte, toen zij
ontdekte, dat de agent van Lac Bain onder lag. Met geweldige inspanning
wist zij geheel op te staan en eenige oogenblikken stond zij zoo, in
wankelende houding, terwijl zij haar best deed, haar lichaam en geest
meester te worden. Juist terwijl zij keek naar het zwartblauwe gelaat,
waaruit Pierrot's vingers het leven knepen, tastte Mc Taggart's hand
in den blinde naar zijn pistool. En hij vond het. Zonder dat Pierrot
het zag, trok hij het uit zijn holster. Een der zwarte duivels van
het noodlot begunstigde hem weer, want in zijn opwinding had hij, na
het schot op Baree, den haan niet in de rust gezet. Hij had nog juist
kracht genoeg, den trekker over te halen. Twee keer trok hij. Twee keer
ontstond er een doodelijke ontploffing, vlak bij Pierrot's lichaam.
Aan Pierrot's gelaat zag Nepeese wat er gebeurd was. Haar hart stond
stil van ontzetting, toen zij de snelle en vreeselijke verandering
gadesloeg, daar door plotselingen dood op teweeg gebracht. Langzaam
verstijfde Pierrot's houding. Zijn oogen stonden wijd geopend en strak.
Hij gaf geen geluid. Zij kon zijn lippen niet zien bewegen. En toen
viel hij naast haar neer, zoodat Mc Taggart's lichaam van hem bevrijd
werd. Blindelings en met een smart, die te hevig was voor woord of
kreet, wierp zij zich naast hem neer. Hij was dood. Hoe lang zij daar
lag, hoe lang zij wachtte tot hij zich weer zou bewegen, zijn oogen
openen, ademen, zou zij nooit weten. In dien tusschentijd was Mc
Taggart opgestaan en stond tegen den muur geleund, met het pistool in
zijn hand, zijn verdooving was aan het verdwijnen, zijn hartstochten
herleefden, toen hij zijn overwinning begreep. Wat hij gedaan had, deed
hem niet ontstellen. Zelfs in dit tragisch oogenblik, terwijl hij daar
tegen den muur leunde, maakte hij zijn verdediging—zoo hij er ooit
een noodig mocht hebben—al gereed. Pierrot, de halfbloed, had hem met
moordlustige plannen aangevallen—zonder reden. Uit zelfverdediging had
hij hem daarop gedood. Hij was immers handelsagent te Lac Bain? Zouden
de Compagnie en de Wet niet meer geloof slaan aan zijn woord dan aan
dat van het meisje? De oude opwinding maakte zich weer van hem meester.
Het zou nooit zoover komen—tot een verraden van de aanleiding tot de
worsteling en dood in deze hut—nadat hij met haar had afgerekend! Zij
zou niet voor altijd bekend willen zijn als _La Bête Noire_. Neen, zij
zouden Pierrot begraven en daarna zou zij met hem mee teruggaan naar
Lac Bain. Als zij tevoren al hulpeloos geweest was, nu was zij nog
tienmaal hulpeloozer. Zij zou nooit spreken over wat er in de hut was
voorgevallen, nadat hij met haar had afgerekend!
Hij vergat de aanwezigheid van den dood, toen hij naar haar keek, zooals
zij daar over haar vader heen gebogen lag, terwijl heur haar hem bedekte
als een zijden lijkwade. Hij stak het pistool weer in zijn holster
en haalde diep adem. Hij stond nog wat onvast op zijn beenen, maar op
zijn gelaat lag weer een duivelsche uitdrukking. Hij deed een stap naar
voren en toen hoorde het meisje een geluid, dat haar deed opschrikken.
In de schaduw van den muur was Baree overeind gekrabbeld, en nu gromde
hij. Langzaam lichtte Nepeese het hoofd op. Een macht, die zij niet
weerstreven kon, dreef haar er toe, de oogen op te slaan en Bush Mc
Taggart aan te zien. Zij had bijna het feit, dat hij tegenwoordig was,
vergeten, haar zintuigen waren verdoofd en het was alsof haar eigen
hart had opgehouden te kloppen, gelijktijdig met dat van Pierrot. Maar
wat zij las op het gelaat van den agent, deed haar ontwaken uit de
verdooving van haar verdriet en den omvang van het gevaar begrijpen,
dat zij zelf liep. Hij stond over haar heen gebogen. Op zijn gelaat
stond geen medelijden te lezen, geen grijntje afschuw over wat hij
gedaan had—alleen een krankzinnige opwinding bij het kijken, niet naar
Pierrot's lijk, maar naar _haar_. Hij strekte zijn hand uit en liet die
rusten op haar hoofd. Zij voelde zijn grove vingers woelen in heur haar
en zijn oogen gloeiden als vonken, onder een vochtig waas. Zijn vingers
openden en sloten zich, zij kon zijn adem hooren, toen hij zich dieper
naar haar overboog en zij worstelde om op te rijzen—maar hij hield haar
neergedrukt.
„Groote God!” hijgde zij.
Zij gaf geen ander geluid, uitte geen bede om genade, het was enkel
een droge, hopelooze snik. Op dit oogenblik zagen noch hoorden zij
Baree. Tweemaal, terwijl hij den vloer der hut overstak, hadden zijn
achterpooten hem begeven. Nu was hij dicht bij Mc Taggart. Hij verlangde
een enkelen sprong te nemen op den rug van den bruut en zijn dikke keel
kapot te knauwen, zooals hij een kariboe-been gekraakt zou hebben. Maar
hij had geen kracht daartoe. Hij was nog gedeeltelijk verlamd, zijn
achterlijf tenminste. Maar zijn kaken waren als van ijzer en zij sloten
zich woest om Mc Taggart's been. Met een gil van pijn liet de agent de
Wilg los en zij strompelde overeind. Een kostbare halve minuut lang was
zij van hem verlost en terwijl de agent schopte en stompte om zich van
Baree te bevrijden, rende zij de deur der hut uit en kwam in het volle
daglicht. De koude lucht sneed in haar gelaat en vulde haar longen met
nieuwe kracht en zonder nog recht te weten, waar zij redding zou vinden,
rende zij door de sneeuw het bosch in.
Mc Taggart verscheen aan de deur, nog juist intijds om haar te zien
verdwijnen. Zijn been was opengereten op de plaats waar Baree zijn
tanden gezet had, maar hij voelde geen pijn, toen hij het meisje
achterna zette. Zij kon niet ver meer gaan. Een opgewonden kreet,
onmenschelijk, kwam uit zijn naar adem snakkenden mond, toen hij zag,
dat zij van zwakte wankelde onder het loopen. Hij was halverwege den
zoom van het bosch toen Baree zich over den drempel sleepte. Zijn bek
bloedde, daar Mc Taggart hem verscheidene malen geschopt had, voor hij
zijn been had weten te bevrijden. Tusschen zijn ooren was een gezengde
plek, alsof er een roodgloeiende pook tegenaan was gehouden. Hier was
Mc Taggart's kogel langs gegaan. Een halven centimeter dieper en hij
zou dood geweest zijn. Maar nu had hij het gevoel gehad, alsof hij
een geweldigen slag met een knuppel gehad had, die hem verdoofd en
machteloos tegen den muur geworpen had. Hij kon nu weer loopen zonder te
vallen en langzaam volgde hij het voetspoor van den man en het meisje.
Terwijl zij vluchtte, wist Nepeese, dat zij geen genade te wachten had.
Er bleven haar nog slechts eenige minuten—sekonden wellicht—en haar
geest werd plotseling helder en zij kon weer overleg plegen. Zij sloeg
het nauwe pad in, waarlangs Mc Taggart haar al eens eerder gevolgd
had, maar vlak voordat zij de kloof bereikte, zwenkte zij scherp naar
rechts. Zij kon Mc Taggart zien. Hij liep niet hard, maar won toch
voortdurend op haar, alsof hij zich vermeide in het aanschouwen van
haar hulpeloosheid, zooals hij zich daar vroeger op een andere wijze
in verlustigd had. Tweehonderd meter verder dan de diepe poel, waarin
zij den agent indertijd geduwd had,—vlak achter de zandbank, waarop
hij zich toen in veiligheid had weten te brengen, was het begin van
de Blauwe Veer Kolk. Een verbijsterende gedachte vormde zich in haar
brein en werd met elke nieuwe hijgende ademhaling, die zij uitstiet, tot
een grootere en heerlijke hoop. Eindelijk bereikte zij de kolk en keek
naar beneden. En terwijl zij dit deed, welde er uit haar ziel naar haar
trillende lippen de Zwanenzang van haar moeder's stam:
_Onze vaders—komt!
Komt uit de vallei.
Geleidt ons, want heden sterven wij.
En de winden fluisteren van den dood._
Zij had de armen opgeheven. Tegen de witte verlatenheid achter zich stak
zij af, lang en tenger, heur haar reikend tot aan de knieën, glansde
in het zonlicht. Vijftig meter achter haar bleef de agent van Lac Bain
plotseling stilstaan. „God!” fluisterde hij. „Is zij niet prachtig?” En
achter hem aan, sneller en sneller loopend, kwam Baree.
Opnieuw keek de Wilg omlaag. Zij stond aan den rand van den afgrond,
want zij kende geen vrees in deze ure. Meermalen had zij haars vaders
hand vastgegrepen, als zij over den rand in de diepte keek, want wie
daarin viel, kon er onmogelijk het leven afbrengen. Vijftig voet beneden
haar klotste het water, dat nimmer bevroor, zich tot schuim tusschen de
rotsen. Het was diep en zwart en afschuwwekkend, want tusschen de nauwe
rotswanden kon geen enkele zonnestraal het bereiken. Het geraas er van
dreunde in de ooren van de Wilg.
Zij keerde zich om en wachtte Mc Taggart af.
Zelfs toen giste hij nog niet wat zij van plan was, maar kwam weer naar
haar toe, zijn armen uitstrekkend, alsof hij haar lichaam er al mee kon
omvatten. Vijftig meter! Dat was niet veel en de afstand minderde snel.
De lippen van de Wilg bewogen zich nog eens. Het is de ziel van onze
moeder, die ons vertrouwen schenkt, wanneer wij de eeuwigheid ingaan,
zelfs al is zij heidensch, en het was de geest van haar moeder, dien
Nepeese aanriep in dit uur des doods. Met dezen Roep op de lippen
stortte zij zich in den afgrond, terwijl haar fladderende haren een
glinsterende lijkwade vormden.