XX.

Nepeese doet haar keus.

Het korte tijdsverloop, dat nu volgde, kort, gemeten volgens den

harteklop van den mensch, scheen in de hut bij den Grijzen Fuut een

eeuwigheid te duren, een eeuwigheid, die soms tusschen leven en dood

schijnt te liggen.

Pierrot bewoog zich niet, in de deur staande. Mc Taggart, met

het volle gewicht van Nepeese in zijn armen, staarde Pierrot aan,

eveneens bewegingloos. Maar de oogen van de Wilg werden geopend. Een

stuiptrekking ging door Baree, die nog steeds tegen den muur lag. Men

hoorde geen enkele ademhaling. En toen klonk er door die stilte een

hijgende snik van Nepeese.

En dit scheen Pierrot tot het leven terug te doen keeren. Evenals Mc

Taggart had hij zijn jas en wanten buiten gelaten. Hij sprak en zijn

stem geleek niet op die van Pierrot. Het was een vreemd geluid, dat hij

voortbracht.

„De Groote God heeft me bijtijds terug doen keeren, m'sieu,” zeide hij.

„Ik ben ook in oostelijke richting gereisd en zag uw spoor hierheen

leiden.”

Neen, dit geleek niets op Pierrot's stem! Mc Taggart ontzette er van,

thans, en langzaam liet hij Nepeese los. Zij viel op den grond. Langzaam

nam hij een strakke houding aan.

„Is het niet waar, m'sieu?” vroeg Pierrot opnieuw. „Ik ben nog op tijd?”

Welke macht was het—welke groote vrees wellicht, dreef Mc Taggart er

toe, te knikken en met zijn dikke lippen heesch de woorden: „Ja, op

tijd,” te vormen?

En toch was het geen vrees. Het was iets grooters, iets almachtigers

dan dat. En Pierrot zeide, met dezelfde zonderlinge stem: „Ik dank den

Grooten God!”

De oogen van een razenden man ontmoetten die van een anderen razende.

De Dood was tusschen hen. Beiden zagen het. Beiden dachten, dat zij de

richting zagen, waarin zijn beenige vinger wees. Beiden waren er zeker

van. Mc Taggart's hand dwaalde niet naar het pistool in zijn holster

en Pierrot raakte niet aan het mes in zijn gordel. Toen zij aanvielen,

vlogen zij elkander naar de keel, er waren twee beesten, in plaats van

één, want Pierrot had nu de kracht en de woede in zich van den wolf, de

kat en den panter.

Mc Taggart was de grootste en zwaarste van de twee mannen, een reus van

kracht, maar toch werd hij bij Pierrot's eersten woesten uitval tegen

de tafel aangeworpen en kwam met een smak op den vloer terecht. Hij had

meermalen in zijn leven gevochten, maar hij had nooit een greep aan

zijn keel gevoeld als de greep van Pierrot's handen. Zij persten bijna

dadelijk alle leven uit hem. Zijn nek kraakte—als het nog wat langer

duurde zou hij breken. Hij sloeg in den wilde naar Pierrot en wrong

zich, om het gewicht van den halfbloed van zich af te krijgen. Maar

Pierrot had zich aan hem vastgeklemd, zooals Sekoosew, de hermelijn,

zich aan de keelader van den patrijs had vastgeklemd en Bush Mc

Taggart's mond werd langzaam geopend en zijn gelaatskleur ging van rood

in paars over.

Koude lucht, die door de open deur naar binnen stroomde, Pierrot's stem

en het lawaai van het gevecht hadden Nepeese tot haar bewustzijn terug

doen keeren en haar de macht gegeven, van den grond op te staan. Zij was

vlak bij Baree neergevallen en toen zij haar hoofd oprichtte, rustten

haar oogen een moment op den hond, voor zij zich naar de vechtende

mannen wendden. _Baree was nog levend!_ Er gingen stuiptrekkingen door

zijn lijf, zijn oogen waren geopend, hij deed een poging, zijn kop op te

heffen, terwijl zij naar hem keek.

Toen scharrelde zij overeind, op haar knieën en keek naar de mannen en

Pierrot moest zelfs, te midden van zijn bloedroode woede om te dooden,

den scherpen vreugdekreet gehoord hebben, dien zij uitte, toen zij

ontdekte, dat de agent van Lac Bain onder lag. Met geweldige inspanning

wist zij geheel op te staan en eenige oogenblikken stond zij zoo, in

wankelende houding, terwijl zij haar best deed, haar lichaam en geest

meester te worden. Juist terwijl zij keek naar het zwartblauwe gelaat,

waaruit Pierrot's vingers het leven knepen, tastte Mc Taggart's hand

in den blinde naar zijn pistool. En hij vond het. Zonder dat Pierrot

het zag, trok hij het uit zijn holster. Een der zwarte duivels van

het noodlot begunstigde hem weer, want in zijn opwinding had hij, na

het schot op Baree, den haan niet in de rust gezet. Hij had nog juist

kracht genoeg, den trekker over te halen. Twee keer trok hij. Twee keer

ontstond er een doodelijke ontploffing, vlak bij Pierrot's lichaam.

Aan Pierrot's gelaat zag Nepeese wat er gebeurd was. Haar hart stond

stil van ontzetting, toen zij de snelle en vreeselijke verandering

gadesloeg, daar door plotselingen dood op teweeg gebracht. Langzaam

verstijfde Pierrot's houding. Zijn oogen stonden wijd geopend en strak.

Hij gaf geen geluid. Zij kon zijn lippen niet zien bewegen. En toen

viel hij naast haar neer, zoodat Mc Taggart's lichaam van hem bevrijd

werd. Blindelings en met een smart, die te hevig was voor woord of

kreet, wierp zij zich naast hem neer. Hij was dood. Hoe lang zij daar

lag, hoe lang zij wachtte tot hij zich weer zou bewegen, zijn oogen

openen, ademen, zou zij nooit weten. In dien tusschentijd was Mc

Taggart opgestaan en stond tegen den muur geleund, met het pistool in

zijn hand, zijn verdooving was aan het verdwijnen, zijn hartstochten

herleefden, toen hij zijn overwinning begreep. Wat hij gedaan had, deed

hem niet ontstellen. Zelfs in dit tragisch oogenblik, terwijl hij daar

tegen den muur leunde, maakte hij zijn verdediging—zoo hij er ooit

een noodig mocht hebben—al gereed. Pierrot, de halfbloed, had hem met

moordlustige plannen aangevallen—zonder reden. Uit zelfverdediging had

hij hem daarop gedood. Hij was immers handelsagent te Lac Bain? Zouden

de Compagnie en de Wet niet meer geloof slaan aan zijn woord dan aan

dat van het meisje? De oude opwinding maakte zich weer van hem meester.

Het zou nooit zoover komen—tot een verraden van de aanleiding tot de

worsteling en dood in deze hut—nadat hij met haar had afgerekend! Zij

zou niet voor altijd bekend willen zijn als _La Bête Noire_. Neen, zij

zouden Pierrot begraven en daarna zou zij met hem mee teruggaan naar

Lac Bain. Als zij tevoren al hulpeloos geweest was, nu was zij nog

tienmaal hulpeloozer. Zij zou nooit spreken over wat er in de hut was

voorgevallen, nadat hij met haar had afgerekend!

Hij vergat de aanwezigheid van den dood, toen hij naar haar keek, zooals

zij daar over haar vader heen gebogen lag, terwijl heur haar hem bedekte

als een zijden lijkwade. Hij stak het pistool weer in zijn holster

en haalde diep adem. Hij stond nog wat onvast op zijn beenen, maar op

zijn gelaat lag weer een duivelsche uitdrukking. Hij deed een stap naar

voren en toen hoorde het meisje een geluid, dat haar deed opschrikken.

In de schaduw van den muur was Baree overeind gekrabbeld, en nu gromde

hij. Langzaam lichtte Nepeese het hoofd op. Een macht, die zij niet

weerstreven kon, dreef haar er toe, de oogen op te slaan en Bush Mc

Taggart aan te zien. Zij had bijna het feit, dat hij tegenwoordig was,

vergeten, haar zintuigen waren verdoofd en het was alsof haar eigen

hart had opgehouden te kloppen, gelijktijdig met dat van Pierrot. Maar

wat zij las op het gelaat van den agent, deed haar ontwaken uit de

verdooving van haar verdriet en den omvang van het gevaar begrijpen,

dat zij zelf liep. Hij stond over haar heen gebogen. Op zijn gelaat

stond geen medelijden te lezen, geen grijntje afschuw over wat hij

gedaan had—alleen een krankzinnige opwinding bij het kijken, niet naar

Pierrot's lijk, maar naar _haar_. Hij strekte zijn hand uit en liet die

rusten op haar hoofd. Zij voelde zijn grove vingers woelen in heur haar

en zijn oogen gloeiden als vonken, onder een vochtig waas. Zijn vingers

openden en sloten zich, zij kon zijn adem hooren, toen hij zich dieper

naar haar overboog en zij worstelde om op te rijzen—maar hij hield haar

neergedrukt.

„Groote God!” hijgde zij.

Zij gaf geen ander geluid, uitte geen bede om genade, het was enkel

een droge, hopelooze snik. Op dit oogenblik zagen noch hoorden zij

Baree. Tweemaal, terwijl hij den vloer der hut overstak, hadden zijn

achterpooten hem begeven. Nu was hij dicht bij Mc Taggart. Hij verlangde

een enkelen sprong te nemen op den rug van den bruut en zijn dikke keel

kapot te knauwen, zooals hij een kariboe-been gekraakt zou hebben. Maar

hij had geen kracht daartoe. Hij was nog gedeeltelijk verlamd, zijn

achterlijf tenminste. Maar zijn kaken waren als van ijzer en zij sloten

zich woest om Mc Taggart's been. Met een gil van pijn liet de agent de

Wilg los en zij strompelde overeind. Een kostbare halve minuut lang was

zij van hem verlost en terwijl de agent schopte en stompte om zich van

Baree te bevrijden, rende zij de deur der hut uit en kwam in het volle

daglicht. De koude lucht sneed in haar gelaat en vulde haar longen met

nieuwe kracht en zonder nog recht te weten, waar zij redding zou vinden,

rende zij door de sneeuw het bosch in.

Mc Taggart verscheen aan de deur, nog juist intijds om haar te zien

verdwijnen. Zijn been was opengereten op de plaats waar Baree zijn

tanden gezet had, maar hij voelde geen pijn, toen hij het meisje

achterna zette. Zij kon niet ver meer gaan. Een opgewonden kreet,

onmenschelijk, kwam uit zijn naar adem snakkenden mond, toen hij zag,

dat zij van zwakte wankelde onder het loopen. Hij was halverwege den

zoom van het bosch toen Baree zich over den drempel sleepte. Zijn bek

bloedde, daar Mc Taggart hem verscheidene malen geschopt had, voor hij

zijn been had weten te bevrijden. Tusschen zijn ooren was een gezengde

plek, alsof er een roodgloeiende pook tegenaan was gehouden. Hier was

Mc Taggart's kogel langs gegaan. Een halven centimeter dieper en hij

zou dood geweest zijn. Maar nu had hij het gevoel gehad, alsof hij

een geweldigen slag met een knuppel gehad had, die hem verdoofd en

machteloos tegen den muur geworpen had. Hij kon nu weer loopen zonder te

vallen en langzaam volgde hij het voetspoor van den man en het meisje.

Terwijl zij vluchtte, wist Nepeese, dat zij geen genade te wachten had.

Er bleven haar nog slechts eenige minuten—sekonden wellicht—en haar

geest werd plotseling helder en zij kon weer overleg plegen. Zij sloeg

het nauwe pad in, waarlangs Mc Taggart haar al eens eerder gevolgd

had, maar vlak voordat zij de kloof bereikte, zwenkte zij scherp naar

rechts. Zij kon Mc Taggart zien. Hij liep niet hard, maar won toch

voortdurend op haar, alsof hij zich vermeide in het aanschouwen van

haar hulpeloosheid, zooals hij zich daar vroeger op een andere wijze

in verlustigd had. Tweehonderd meter verder dan de diepe poel, waarin

zij den agent indertijd geduwd had,—vlak achter de zandbank, waarop

hij zich toen in veiligheid had weten te brengen, was het begin van

de Blauwe Veer Kolk. Een verbijsterende gedachte vormde zich in haar

brein en werd met elke nieuwe hijgende ademhaling, die zij uitstiet, tot

een grootere en heerlijke hoop. Eindelijk bereikte zij de kolk en keek

naar beneden. En terwijl zij dit deed, welde er uit haar ziel naar haar

trillende lippen de Zwanenzang van haar moeder's stam:

_Onze vaders—komt!

Komt uit de vallei.

Geleidt ons, want heden sterven wij.

En de winden fluisteren van den dood._

Zij had de armen opgeheven. Tegen de witte verlatenheid achter zich stak

zij af, lang en tenger, heur haar reikend tot aan de knieën, glansde

in het zonlicht. Vijftig meter achter haar bleef de agent van Lac Bain

plotseling stilstaan. „God!” fluisterde hij. „Is zij niet prachtig?” En

achter hem aan, sneller en sneller loopend, kwam Baree.

Opnieuw keek de Wilg omlaag. Zij stond aan den rand van den afgrond,

want zij kende geen vrees in deze ure. Meermalen had zij haars vaders

hand vastgegrepen, als zij over den rand in de diepte keek, want wie

daarin viel, kon er onmogelijk het leven afbrengen. Vijftig voet beneden

haar klotste het water, dat nimmer bevroor, zich tot schuim tusschen de

rotsen. Het was diep en zwart en afschuwwekkend, want tusschen de nauwe

rotswanden kon geen enkele zonnestraal het bereiken. Het geraas er van

dreunde in de ooren van de Wilg.

Zij keerde zich om en wachtte Mc Taggart af.

Zelfs toen giste hij nog niet wat zij van plan was, maar kwam weer naar

haar toe, zijn armen uitstrekkend, alsof hij haar lichaam er al mee kon

omvatten. Vijftig meter! Dat was niet veel en de afstand minderde snel.

De lippen van de Wilg bewogen zich nog eens. Het is de ziel van onze

moeder, die ons vertrouwen schenkt, wanneer wij de eeuwigheid ingaan,

zelfs al is zij heidensch, en het was de geest van haar moeder, dien

Nepeese aanriep in dit uur des doods. Met dezen Roep op de lippen

stortte zij zich in den afgrond, terwijl haar fladderende haren een

glinsterende lijkwade vormden.

De zoon van Kazan · 第 24 / 34 题