Een winter van wachten.
Niemand heeft nog ooit begrepen, hoe de hond in de noordelijke streken
ingewijd wordt in de geheimenissen van de nabijheid des doods. Zij
schijnen tot hem te komen door den wind, meestal _moeten_ zij hem
door den wind worden meegedeeld en toch zouden zeker wel tienduizend
meesters willen zweren, dat hun honden voor de nabijheid van den dood
gewaarschuwd hebben, uren voor deze er in werkelijkheid was en menigeen
van deze duizenden weet bij ervaring, dat hun spannen stilstaan op
een kwart mijl afstands van een onbekende hut, waarin een doode nog
onbegraven ligt.
Gisteren had Baree den dood geroken en hij wist, zonder verder
ophelderend proces, dat die doode Pierrot was. Hoe hij dit wist en
waarom hij dit feit als onveranderlijk beschouwde, is weer een van die
raadselen, die soms een uitdaging schijnen voor hen, die aan het dier
geen verstand toeschrijven, buiten het instinkt. Maar van één ding was
hij overtuigd. Hij zou Pierrot nooit terugzien; hij zou diens stem nooit
meer hooren; hij zou nooit meer het _slip_, _slip_, _slip_ hooren van
zijn sneeuwschoenen op het pad, dat nu vóór hem lag, en daarom keek hij
op de vallenlijn in 't geheel niet uit naar Pierrot. Pierrot was weg,
voor altijd. Maar hij had nog niet Nepeese in verband gebracht met den
dood. Hij was vervuld met een groote onrust; daar, aan den rand van den
afgrond, had hij gesidderd van angst en onzekerheid, hij voelde toen
vaag iets vreemds, iets dat hem boven het hoofd hing en toch, toen hij
dat doodsgehuil had aangeheven, moest het voor Pierrot geweest zijn.
Want hij geloofde, dat Nepeese nog in leven was en hij was er nu even
vast van overtuigd, dat hij haar zou inhalen op de vallenlijn, als hij
er den vorigen dag op gerekend had, haar in het hutje van berkebast te
zullen aantreffen.
Sedert zijn ontbijt met de Wilg, den vorigen dag, was hij steeds
doorgeloopen zonder te eten; zijn honger te stillen, beteekende, dat hij
zou moeten jagen en hij was te veel met gedachten aan Nepeese vervuld om
dat te doen. Hij zou dien heelen dag zijn blijven hongerlijden, als hij
niet, drie mijlen van de hut verwijderd, een val ontdekt had, waarin een
groot sneeuwschoenkonijn gevangen zat. Het konijn leefde nog, hij maakte
het af en at zijn bekomst. Tot het donker werd, liep hij regelmatig alle
klemmen af. In een er van zat een lynx, in een andere een marter en in
een heuveltje van sneeuw, midden op het bevroren meer, besnuffelde hij
het lijk van een rooden vos, gedood door Pierrot's giftaas. De lynx en
de marter waren beiden nog springlevend en de stalen ketenen van hun
klemmen rinkelden, toen zij zich voorbereidden op een gevecht met Baree.
Maar Baree stelde geen belang in hen. Hij haastte zich voort, terwijl
zijn onrust begon aan te groeien naarmate de dag vorderde en hij geen
spoor van de Wilg kon ontdekken.
Het was een buitengewoon heldere nacht, die volgde op dezen sneeuwstorm;
koud en schitterend en de schaduwen teekenden zich zoo scherp af, dat
zij wel levende wezens geleken. Nu kreeg Baree zijn derden inval. Hij
had—zooals alle dieren—nooit meer dan één gedachte tegelijk, alles
werd bij hem overheerscht door één hoofdgedachte. En de inval, dien
hij kreeg onder den schitterenden sterrenhemel, was, zoo snel mogelijk
het eerste van de twee hutjes te bereiken, door Pierrot vervaardigd
op de vallenlijn. Dààr zou hij Nepeese vinden! Hij begon vallen over
te slaan, in zijn haast om dien afstand af te leggen—om de hut te
bereiken. Van Pierrot's afgebrand tehuis tot aan die eerste hut vergde
vijf en twintig mijlen en Baree had er, toen de nacht inviel, tien
afgelegd. De overgebleven vijftien waren het moeilijkst. Op de open
plekken zakte hij tot aan zijn buik in de zachte sneeuw; meermalen zonk
hij in een sneeuwhoop weg en werd er eenige oogenblikken geheel onder
begraven. In het begin van den nacht hoorde Baree driemaal den woesten
lijkzang der wolven. Eens was het een woest triomflied, toen de jagers
hun slachtoffer hadden neergeveld, een halve mijl dieper het bosch in.
Maar hun stem oefende geen aantrekkingskracht meer op hem uit. Zij was
zelfs terugstootend voor hem geworden. Een stem, waaruit verraad sprak.
Iederen keer, dat hij haar hoorde, bleef hij staan en gromde, zijn rug
krommend.
Het was middernacht toen hij het kleine heuvelachtige terrein bereikte,
waar Pierrot hout geveld had voor de eerste hut. Wel een minuut lang
bleef Baree aan den rand der open plek staan, zijn ooren gespitst, zijn
oogen schitterend van verwachting, terwijl hij de lucht opsnoof. Er was
geen rook, geen geluid, en geen lichtschijnsel te zien door het eenige
venster der houten hut. De teleurstelling daalde al op hem neer, terwijl
hij daar nog stond; opnieuw voelde hij sterk zijn eenzaamheid, het
twijfelachtige van den uitslag op zijn onderzoek. Hij baande zich een
weg door de sneeuw naar de deur, in ontmoedigde houding.
Baree had vijf en twintig mijlen aan een stuk doorgereisd en was
uitgeput, maar hij had zijn vermoeidheid niet gevoeld tot op dit
oogenblik. De sneeuw lag hoog opgehoopt tegen de deur en hier ging Baree
zitten en begon te janken. Het was nu niet langer het zenuwachtige,
vragende janken van eenige uren geleden. Er sprak hopeloosheid uit en
diepe wanhoop. Een half uur bleef hij zitten, tegen de deur gedrukt en
zijn kop in de richting van de door de sterren verlichte wildernis, en
toch bleef hem nog een flauwe hoop, dat Nepeese hem achterna zou reizen.
Toen groef hij zich een gat in de diepe sneeuw en bracht de rest van den
nacht door in een onrustigen slaap.
Bij het aanbreken van den dag zette hij zijn reis voort. Hij was
niet zoo opgewekt, dezen morgen. Hij liet zijn staart neerslachtig
hangen—dit teeken noemen de Indianen de _akoosewin_—, het bewijs
dat een hond ziek is. En Baree was ziek—niet naar lichaam, maar naar
geest. Zijn hoop was niet heel levendig meer en hij verwachtte niet
langer de Wilg te vinden. Toch werd zijn hart getrokken naar de tweede
hut, aan het einde der vallenlijn, maar hij ging er niet met zooveel
moed naar toe als bij de eerste. Hij legde zijn weg langzaam af en met
tusschenpoozen, de opwinding van zijn onderzoek had weer plaats gemaakt
voor achterdocht omtrent het donkere bosch. Hij naderde elke klem en
val van Pierrot omzichtig en twee keer toonde hij zijn slagtanden—eens
aan een marter, die een uitval naar hem deed van onder een boomwortel,
waarheen hij de klem, waarin hij gevangen zat, gesleept had en den
tweeden keer aan een vetten sneeuwuil, die aas had willen stelen en
nu gevangen was aan het eind van een stalen ketting. Misschien zag
Baree hem aan voor Oohoomisew en herinnerde hij zich nog levendig den
verraderlijken aanval en het hevige gevecht, dien nacht, toen hij nog
maar een heel jong hondje was en zich pijnlijk en vermoeid en angstig
had voortgesleept onder de hooge boomen. Want hij ging verder dan het
vertoonen van zijn tanden. Hij reet den sneeuwuil in stukken.
Er waren volop konijnen in Pierrot's vallen en Baree behoefde dus niet
hongerig verder te gaan. Hij bereikte de tweede hut der vallenlijn in
den laten namiddag, nadat hij tien uur voortgetrokken was. Hem wedervoer
hier geen groote teleurstelling, want hij had niet veel verwacht. De
sneeuw lag tegen deze hut nog hooger dan bij de eerste, zij lag drie
voet hoog tegen de deur en het venster vertoonde een dikke vorstlaag.
Op deze plek, die dicht bij een woestenij was en zonder de beschutting
van de dichte bosschen, had Pierrot een opslagplaats voor zijn brandhout
gemaakt en hier koos Baree tijdelijk zijn verblijf. Den heelen volgenden
dag bleef hij in den omtrek van die opslagplaats, bleef aan den rand
van het onbeschutte gedeelte en stelde een onderzoek in langs de kleine
zijlijn, die een stuk of twaalf vallen bevatte, die Pierrot en Nepeese
hadden uitgezet in een moeras, waar vele sporen van een lynx te zien
waren. Pas den derden dag keerde hij terug naar den Grijzen Fuut.
Hij haastte zich niet, gebruikte twee dagen om den afstand van vijf en
twintig mijlen tusschen de beide hutten af te leggen. Bij de tweede hut
bleef hij drie dagen en pas op den negenden dag bereikte hij den Grijzen
Fuut. Hier was niets veranderd. Er waren geen sporen in de sneeuw te
zien, behalve zijn eigene, negen dagen geleden gemaakt. Zijn zoeken naar
Nepeese werd nu langzamerhand onwillekeurig, een soort van dagelijksche
sleur. Een week huisde hij in de verlaten hondenverblijfplaats en ten
minste tweemaal per dag ging hij een kijkje nemen in het berkebasthutje
en aan den rand van den afgrond. Zijn spoor, spoedig in de sneeuw
vastgevroren, was even regelmatig als Pierrot's vallenlijn. Het ging
recht door het bosch naar Nepeese's hutje, week daarna een weinig
oostelijk af, zoodat het de bevroren oppervlakte van den zwempoel van de
Wilg kruiste. Van het hutje beschreef het een cirkel door een gedeelte
van het bosch, waar Nepeese dikwijls armenvol vuurbloemen ingezameld had
en daarna weer naar den afgrond. Hier ging het de helling af en weer
op en dan weer recht door terug naar de hondenverblijfplaats. En toen
bracht Baree er plotseling een verandering in. Hij bracht een nacht
door in het hutje. Naderhand, telkens wanneer hij bij den Grijzen Fuut
was, ging hij in dat hutje slapen. De twee dekens vormden zijn bed—en
zij waren een deel van Nepeese. En daar, den heelen langen winter door,
bleef hij wachten.
Als Nepeese in Februari was teruggekeerd en Baree onverwachts had
overvallen, zou zij hem geheel veranderd gevonden hebben. Hij was steeds
meer op een wolf gaan lijken, toch huilde hij nooit meer op wolvenmanier
en altijd gromde hij, diep in zijn strot, wanneer hij den roep van den
troep hoorde. Wekenlang had de oude vallenlijn hem van voedsel voorzien,
maar nu ging hij weer jagen. Het hutje, van binnen en er buiten, was
bezaaid met konijnebont en beenderen. Eens—maar ook niet meer dan
eens—ving hij een ree, toen de sneeuw hoog lag, en doodde haar. En ook
achtervolgde hij bij noodweer in Februari een jongen kariboestier zoo
van dichtbij, dat deze over een rots naar beneden viel en den nek brak.
Hij leidde een goed leventje en in lichaamsgrootte en sterkte werd hij
snel een van de grootste van zijn geslacht. Binnen zes maanden zou hij
even groot zijn als Kazan en zijn kaken waren nu al bijna even geweldig.
Dezen winter had hij driemaal een gevecht geleverd, eens met een lynx,
die hem besprongen had, terwijl hij bezig was een pas gedood konijn
op te eten, en tweemaal met losloopende wolven. De lynx havende hem
duchtig, vóór hij de vlucht nam. Den jongsten der beide wolven doodde
hij; het andere gevecht bracht hij er op het kantje af. Hij werd hoe
langer hoe meer een uitgestootene, eenzaam levend in zijn droomen en
smeulende verwachtingen. En hij droomde voortdurend. Meermalen hoorde
hij, terwijl hij in de hut lag, de stem van Nepeese in zijn verbeelding.
Hij hoorde haar zachte roepstem, haar lach, den klank van zijn naam
en dikwijls sprong hij overeind—een paar oogenblikken weer de oude
Baree—om weer neer te zinken op zijn leger, met een zacht, droevig
janken. En altijd wanneer hij een tak hoorde knappen, of een ander
geluid in het bosch, kwam de gedachte aan Nepeese het eerst bij hem op.
_Den een of anderen dag zou zij terugkeeren._ Dat geloof was een deel
van zijn bestaan, evengoed als de zon, de maan en de sterren.
De winter ging voorbij, de lente kwam en nog steeds ging Baree voort,
zijn oude tochten af te leggen, zelfs ging hij soms wel tot aan de
eerste hut op de vallenlijn. De klemmen waren verroest en kapot, de
dooiende sneeuw bracht beenderen en veeren aan den dag, die er in
overgebleven waren; in de valkuilen lagen stukken berenhuid en op het
ijs van de meren skeletten van vossen en wolven, die van het giftaas
hadden gegeten. De laatste sneeuw smolt. De gezwollen riviertjes zongen
in de bosschen en kloven. Het gras werd groen en de eerste bloemen
kwamen.
Stellig, nu was het tijd voor Nepeese om terug te komen! Hij keek vol
vertrouwen naar haar uit. Hij ging steeds vaker naar hun zwempoel
in het bosch en bleef dicht in de buurt van de afgebrande hut en de
hondenverblijfplaats. Tweemaal sprong hij in den poel en jankte terwijl
hij er in rondzwom, alsof hij verwachtte, dat zij spoedig mee zou
komen doen in hun waterspelletje. En nu, terwijl de lente verging en
de zomer kwam, zonk er langzaam de groote somberheid en ellende van
hopeloosheid op hem neer. De bloemen waren nu alle uitgekomen en zelfs
de bakneeshwingerd gloeide als rood vuur in de bosschen. Heele tapijten
van groen begonnen den verkoolden hoop hout te bedekken, waar eens de
hut had gestaan, en zelfs de blauwbloemige wingerd, die het pad van
Nepeese's moeder bedekte, reikte nu ook tot aan Pierrot's graf, alsof
de geest van zijn vrouw daarin voortleefde. Dit alles was gebeurd en de
vogels hadden gepaard en genesteld en nog steeds was Nepeese niet thuis
gekomen! En ten laatste brak er iets in Baree's binnenste, zijn laatste
hoop—misschien wel zijn laatste droom—was verstoord en op een goeden
dag zeide hij den Grijzen Fuut vaarwel.
Niemand kan zeggen wat het hem kostte, te vertrekken; niemand kan zeggen
hoe heftig hij streed om zich los te maken van alles wat hem aan het
hutje bond en den ouden zwempoel, de bekende boschpaden en de twee
graven, die nu zoo eenzaam waren onder de hooge sparren. Hij vertrok.
Hij had er geen reden voor, maar hij ging eenvoudig weg. Mogelijk is
er een Meesterhand, die het dier leidt, zoo goed als den mensch en wij
weten juist genoeg van deze leidende hand om haar instinkt te noemen.
Want door zich hier vandaan te sleepen, ging Baree het Groote Avontuur
tegemoet.
Het wachtte hem daarginds, in het Noorden—en hij trok het Noorden in.