XXII.

Een winter van wachten.

Niemand heeft nog ooit begrepen, hoe de hond in de noordelijke streken

ingewijd wordt in de geheimenissen van de nabijheid des doods. Zij

schijnen tot hem te komen door den wind, meestal _moeten_ zij hem

door den wind worden meegedeeld en toch zouden zeker wel tienduizend

meesters willen zweren, dat hun honden voor de nabijheid van den dood

gewaarschuwd hebben, uren voor deze er in werkelijkheid was en menigeen

van deze duizenden weet bij ervaring, dat hun spannen stilstaan op

een kwart mijl afstands van een onbekende hut, waarin een doode nog

onbegraven ligt.

Gisteren had Baree den dood geroken en hij wist, zonder verder

ophelderend proces, dat die doode Pierrot was. Hoe hij dit wist en

waarom hij dit feit als onveranderlijk beschouwde, is weer een van die

raadselen, die soms een uitdaging schijnen voor hen, die aan het dier

geen verstand toeschrijven, buiten het instinkt. Maar van één ding was

hij overtuigd. Hij zou Pierrot nooit terugzien; hij zou diens stem nooit

meer hooren; hij zou nooit meer het _slip_, _slip_, _slip_ hooren van

zijn sneeuwschoenen op het pad, dat nu vóór hem lag, en daarom keek hij

op de vallenlijn in 't geheel niet uit naar Pierrot. Pierrot was weg,

voor altijd. Maar hij had nog niet Nepeese in verband gebracht met den

dood. Hij was vervuld met een groote onrust; daar, aan den rand van den

afgrond, had hij gesidderd van angst en onzekerheid, hij voelde toen

vaag iets vreemds, iets dat hem boven het hoofd hing en toch, toen hij

dat doodsgehuil had aangeheven, moest het voor Pierrot geweest zijn.

Want hij geloofde, dat Nepeese nog in leven was en hij was er nu even

vast van overtuigd, dat hij haar zou inhalen op de vallenlijn, als hij

er den vorigen dag op gerekend had, haar in het hutje van berkebast te

zullen aantreffen.

Sedert zijn ontbijt met de Wilg, den vorigen dag, was hij steeds

doorgeloopen zonder te eten; zijn honger te stillen, beteekende, dat hij

zou moeten jagen en hij was te veel met gedachten aan Nepeese vervuld om

dat te doen. Hij zou dien heelen dag zijn blijven hongerlijden, als hij

niet, drie mijlen van de hut verwijderd, een val ontdekt had, waarin een

groot sneeuwschoenkonijn gevangen zat. Het konijn leefde nog, hij maakte

het af en at zijn bekomst. Tot het donker werd, liep hij regelmatig alle

klemmen af. In een er van zat een lynx, in een andere een marter en in

een heuveltje van sneeuw, midden op het bevroren meer, besnuffelde hij

het lijk van een rooden vos, gedood door Pierrot's giftaas. De lynx en

de marter waren beiden nog springlevend en de stalen ketenen van hun

klemmen rinkelden, toen zij zich voorbereidden op een gevecht met Baree.

Maar Baree stelde geen belang in hen. Hij haastte zich voort, terwijl

zijn onrust begon aan te groeien naarmate de dag vorderde en hij geen

spoor van de Wilg kon ontdekken.

Het was een buitengewoon heldere nacht, die volgde op dezen sneeuwstorm;

koud en schitterend en de schaduwen teekenden zich zoo scherp af, dat

zij wel levende wezens geleken. Nu kreeg Baree zijn derden inval. Hij

had—zooals alle dieren—nooit meer dan één gedachte tegelijk, alles

werd bij hem overheerscht door één hoofdgedachte. En de inval, dien

hij kreeg onder den schitterenden sterrenhemel, was, zoo snel mogelijk

het eerste van de twee hutjes te bereiken, door Pierrot vervaardigd

op de vallenlijn. Dààr zou hij Nepeese vinden! Hij begon vallen over

te slaan, in zijn haast om dien afstand af te leggen—om de hut te

bereiken. Van Pierrot's afgebrand tehuis tot aan die eerste hut vergde

vijf en twintig mijlen en Baree had er, toen de nacht inviel, tien

afgelegd. De overgebleven vijftien waren het moeilijkst. Op de open

plekken zakte hij tot aan zijn buik in de zachte sneeuw; meermalen zonk

hij in een sneeuwhoop weg en werd er eenige oogenblikken geheel onder

begraven. In het begin van den nacht hoorde Baree driemaal den woesten

lijkzang der wolven. Eens was het een woest triomflied, toen de jagers

hun slachtoffer hadden neergeveld, een halve mijl dieper het bosch in.

Maar hun stem oefende geen aantrekkingskracht meer op hem uit. Zij was

zelfs terugstootend voor hem geworden. Een stem, waaruit verraad sprak.

Iederen keer, dat hij haar hoorde, bleef hij staan en gromde, zijn rug

krommend.

Het was middernacht toen hij het kleine heuvelachtige terrein bereikte,

waar Pierrot hout geveld had voor de eerste hut. Wel een minuut lang

bleef Baree aan den rand der open plek staan, zijn ooren gespitst, zijn

oogen schitterend van verwachting, terwijl hij de lucht opsnoof. Er was

geen rook, geen geluid, en geen lichtschijnsel te zien door het eenige

venster der houten hut. De teleurstelling daalde al op hem neer, terwijl

hij daar nog stond; opnieuw voelde hij sterk zijn eenzaamheid, het

twijfelachtige van den uitslag op zijn onderzoek. Hij baande zich een

weg door de sneeuw naar de deur, in ontmoedigde houding.

Baree had vijf en twintig mijlen aan een stuk doorgereisd en was

uitgeput, maar hij had zijn vermoeidheid niet gevoeld tot op dit

oogenblik. De sneeuw lag hoog opgehoopt tegen de deur en hier ging Baree

zitten en begon te janken. Het was nu niet langer het zenuwachtige,

vragende janken van eenige uren geleden. Er sprak hopeloosheid uit en

diepe wanhoop. Een half uur bleef hij zitten, tegen de deur gedrukt en

zijn kop in de richting van de door de sterren verlichte wildernis, en

toch bleef hem nog een flauwe hoop, dat Nepeese hem achterna zou reizen.

Toen groef hij zich een gat in de diepe sneeuw en bracht de rest van den

nacht door in een onrustigen slaap.

Bij het aanbreken van den dag zette hij zijn reis voort. Hij was

niet zoo opgewekt, dezen morgen. Hij liet zijn staart neerslachtig

hangen—dit teeken noemen de Indianen de _akoosewin_—, het bewijs

dat een hond ziek is. En Baree was ziek—niet naar lichaam, maar naar

geest. Zijn hoop was niet heel levendig meer en hij verwachtte niet

langer de Wilg te vinden. Toch werd zijn hart getrokken naar de tweede

hut, aan het einde der vallenlijn, maar hij ging er niet met zooveel

moed naar toe als bij de eerste. Hij legde zijn weg langzaam af en met

tusschenpoozen, de opwinding van zijn onderzoek had weer plaats gemaakt

voor achterdocht omtrent het donkere bosch. Hij naderde elke klem en

val van Pierrot omzichtig en twee keer toonde hij zijn slagtanden—eens

aan een marter, die een uitval naar hem deed van onder een boomwortel,

waarheen hij de klem, waarin hij gevangen zat, gesleept had en den

tweeden keer aan een vetten sneeuwuil, die aas had willen stelen en

nu gevangen was aan het eind van een stalen ketting. Misschien zag

Baree hem aan voor Oohoomisew en herinnerde hij zich nog levendig den

verraderlijken aanval en het hevige gevecht, dien nacht, toen hij nog

maar een heel jong hondje was en zich pijnlijk en vermoeid en angstig

had voortgesleept onder de hooge boomen. Want hij ging verder dan het

vertoonen van zijn tanden. Hij reet den sneeuwuil in stukken.

Er waren volop konijnen in Pierrot's vallen en Baree behoefde dus niet

hongerig verder te gaan. Hij bereikte de tweede hut der vallenlijn in

den laten namiddag, nadat hij tien uur voortgetrokken was. Hem wedervoer

hier geen groote teleurstelling, want hij had niet veel verwacht. De

sneeuw lag tegen deze hut nog hooger dan bij de eerste, zij lag drie

voet hoog tegen de deur en het venster vertoonde een dikke vorstlaag.

Op deze plek, die dicht bij een woestenij was en zonder de beschutting

van de dichte bosschen, had Pierrot een opslagplaats voor zijn brandhout

gemaakt en hier koos Baree tijdelijk zijn verblijf. Den heelen volgenden

dag bleef hij in den omtrek van die opslagplaats, bleef aan den rand

van het onbeschutte gedeelte en stelde een onderzoek in langs de kleine

zijlijn, die een stuk of twaalf vallen bevatte, die Pierrot en Nepeese

hadden uitgezet in een moeras, waar vele sporen van een lynx te zien

waren. Pas den derden dag keerde hij terug naar den Grijzen Fuut.

Hij haastte zich niet, gebruikte twee dagen om den afstand van vijf en

twintig mijlen tusschen de beide hutten af te leggen. Bij de tweede hut

bleef hij drie dagen en pas op den negenden dag bereikte hij den Grijzen

Fuut. Hier was niets veranderd. Er waren geen sporen in de sneeuw te

zien, behalve zijn eigene, negen dagen geleden gemaakt. Zijn zoeken naar

Nepeese werd nu langzamerhand onwillekeurig, een soort van dagelijksche

sleur. Een week huisde hij in de verlaten hondenverblijfplaats en ten

minste tweemaal per dag ging hij een kijkje nemen in het berkebasthutje

en aan den rand van den afgrond. Zijn spoor, spoedig in de sneeuw

vastgevroren, was even regelmatig als Pierrot's vallenlijn. Het ging

recht door het bosch naar Nepeese's hutje, week daarna een weinig

oostelijk af, zoodat het de bevroren oppervlakte van den zwempoel van de

Wilg kruiste. Van het hutje beschreef het een cirkel door een gedeelte

van het bosch, waar Nepeese dikwijls armenvol vuurbloemen ingezameld had

en daarna weer naar den afgrond. Hier ging het de helling af en weer

op en dan weer recht door terug naar de hondenverblijfplaats. En toen

bracht Baree er plotseling een verandering in. Hij bracht een nacht

door in het hutje. Naderhand, telkens wanneer hij bij den Grijzen Fuut

was, ging hij in dat hutje slapen. De twee dekens vormden zijn bed—en

zij waren een deel van Nepeese. En daar, den heelen langen winter door,

bleef hij wachten.

Als Nepeese in Februari was teruggekeerd en Baree onverwachts had

overvallen, zou zij hem geheel veranderd gevonden hebben. Hij was steeds

meer op een wolf gaan lijken, toch huilde hij nooit meer op wolvenmanier

en altijd gromde hij, diep in zijn strot, wanneer hij den roep van den

troep hoorde. Wekenlang had de oude vallenlijn hem van voedsel voorzien,

maar nu ging hij weer jagen. Het hutje, van binnen en er buiten, was

bezaaid met konijnebont en beenderen. Eens—maar ook niet meer dan

eens—ving hij een ree, toen de sneeuw hoog lag, en doodde haar. En ook

achtervolgde hij bij noodweer in Februari een jongen kariboestier zoo

van dichtbij, dat deze over een rots naar beneden viel en den nek brak.

Hij leidde een goed leventje en in lichaamsgrootte en sterkte werd hij

snel een van de grootste van zijn geslacht. Binnen zes maanden zou hij

even groot zijn als Kazan en zijn kaken waren nu al bijna even geweldig.

Dezen winter had hij driemaal een gevecht geleverd, eens met een lynx,

die hem besprongen had, terwijl hij bezig was een pas gedood konijn

op te eten, en tweemaal met losloopende wolven. De lynx havende hem

duchtig, vóór hij de vlucht nam. Den jongsten der beide wolven doodde

hij; het andere gevecht bracht hij er op het kantje af. Hij werd hoe

langer hoe meer een uitgestootene, eenzaam levend in zijn droomen en

smeulende verwachtingen. En hij droomde voortdurend. Meermalen hoorde

hij, terwijl hij in de hut lag, de stem van Nepeese in zijn verbeelding.

Hij hoorde haar zachte roepstem, haar lach, den klank van zijn naam

en dikwijls sprong hij overeind—een paar oogenblikken weer de oude

Baree—om weer neer te zinken op zijn leger, met een zacht, droevig

janken. En altijd wanneer hij een tak hoorde knappen, of een ander

geluid in het bosch, kwam de gedachte aan Nepeese het eerst bij hem op.

_Den een of anderen dag zou zij terugkeeren._ Dat geloof was een deel

van zijn bestaan, evengoed als de zon, de maan en de sterren.

De winter ging voorbij, de lente kwam en nog steeds ging Baree voort,

zijn oude tochten af te leggen, zelfs ging hij soms wel tot aan de

eerste hut op de vallenlijn. De klemmen waren verroest en kapot, de

dooiende sneeuw bracht beenderen en veeren aan den dag, die er in

overgebleven waren; in de valkuilen lagen stukken berenhuid en op het

ijs van de meren skeletten van vossen en wolven, die van het giftaas

hadden gegeten. De laatste sneeuw smolt. De gezwollen riviertjes zongen

in de bosschen en kloven. Het gras werd groen en de eerste bloemen

kwamen.

Stellig, nu was het tijd voor Nepeese om terug te komen! Hij keek vol

vertrouwen naar haar uit. Hij ging steeds vaker naar hun zwempoel

in het bosch en bleef dicht in de buurt van de afgebrande hut en de

hondenverblijfplaats. Tweemaal sprong hij in den poel en jankte terwijl

hij er in rondzwom, alsof hij verwachtte, dat zij spoedig mee zou

komen doen in hun waterspelletje. En nu, terwijl de lente verging en

de zomer kwam, zonk er langzaam de groote somberheid en ellende van

hopeloosheid op hem neer. De bloemen waren nu alle uitgekomen en zelfs

de bakneeshwingerd gloeide als rood vuur in de bosschen. Heele tapijten

van groen begonnen den verkoolden hoop hout te bedekken, waar eens de

hut had gestaan, en zelfs de blauwbloemige wingerd, die het pad van

Nepeese's moeder bedekte, reikte nu ook tot aan Pierrot's graf, alsof

de geest van zijn vrouw daarin voortleefde. Dit alles was gebeurd en de

vogels hadden gepaard en genesteld en nog steeds was Nepeese niet thuis

gekomen! En ten laatste brak er iets in Baree's binnenste, zijn laatste

hoop—misschien wel zijn laatste droom—was verstoord en op een goeden

dag zeide hij den Grijzen Fuut vaarwel.

Niemand kan zeggen wat het hem kostte, te vertrekken; niemand kan zeggen

hoe heftig hij streed om zich los te maken van alles wat hem aan het

hutje bond en den ouden zwempoel, de bekende boschpaden en de twee

graven, die nu zoo eenzaam waren onder de hooge sparren. Hij vertrok.

Hij had er geen reden voor, maar hij ging eenvoudig weg. Mogelijk is

er een Meesterhand, die het dier leidt, zoo goed als den mensch en wij

weten juist genoeg van deze leidende hand om haar instinkt te noemen.

Want door zich hier vandaan te sleepen, ging Baree het Groote Avontuur

tegemoet.

Het wachtte hem daarginds, in het Noorden—en hij trok het Noorden in.

De zoon van Kazan · 第 26 / 34 题