De uitgestootene.
Het donkere bosch hield niet meer zooals vroeger verschrikkingen in voor
Baree. Dezen nacht was zijn Jachtkreet opgestegen naar de sterren en
de maan en met dien kreet had hij voor het eerst duisternis en ruimte
getart, het was zijn waarschuwing voor alle bewoners der wildernis, zijn
toetreden tot de Broederschap. In dien kreet, en in de antwoorden, die
hij er op ontving, voelde hij een nieuwe macht—de zekerheid, hem door
de natuur geschonken, dat de bosschen en de dieren, die er in huisden,
niet langer vreesaanjagend voor hem waren, maar dat _alles hem vreesde_.
Daarginds, ver buiten het gebied, dat bij de hut behoorde, en onder
Nepeese's invloed uit, was alles, wat zijn wolvenbloed op het oogenblik
het meest verlangde: gezelschap van leden van zijn eigen geslacht, de
opwinding van het avontuurlijke, het roode, zoete bloed van de jacht—en
de paring. Dit laatste was het sterkst in hem van al die onbekende
verlangens en toch begreep hij er het allerminste van.
Hij liep recht het donkere noordwesten in, laag onder de struiken
doorsluipend, met hangenden staart en gespitste ooren—geheel en al de
houding van den wolf, zooals hij er bij nacht op uittrekt. De troep was
het noorden ingetrokken en reisde sneller dan hij, zoodat hij na een
half uur hem niet meer kon hooren. Maar het gehuil van den eenzamen wolf
uit het westen was naderbij gekomen en drie maal gaf Baree er antwoord
op. Na verloop van een uur hoorde hij den troep opnieuw, die naar het
zuiden zwenkte. Pierrot zou gemakkelijk begrepen hebben, waarom. Hun
prooi had zich in veiligheid weten te brengen in een meer, of aan den
overkant er van en de _muhekuns_ waren achter een nieuw spoor aan. Nu
was Baree niet meer dan een kwart mijl van den eenzamen wolf verwijderd,
maar deze was een oud gediende, trok, door ondervinding geleid, in de
richting van den troep voort, zijn weg zóó uitkiezend, dat hij dien
steeds wat vóór bleef. Dit was een kunstje van de Broederschap, dat
Baree nog leeren moest, en de uitslag van zijn onwetendheid en gebrek
aan doorzicht was, dat hij binnen het volgende half uur vlak bij den
troep raakte, tot tweemaal toe, en hem toch niet wist te bereiken.
Eindelijk volgde een lange stilte, die bleef aanhouden. De troep had
zijn prooi gedood en gaf geen enkel geluid meer, nu hij aan zijn
feestmaal was.
De rest van den nacht zwierf Baree alleen rond, tenminste tot het
tijdstip, waarop de maan sterk begon te verbleeken. Hij was nu ver
weg van de hut en zijn weg was onregelmatig en met vele zwenkingen
gegaan, maar hij werd ditmaal niet gekweld door het troostelooze
gevoel, verdwaald te zijn. De laatste twee of drie maanden was zijn
oriënteeringsvermogen sterk ontwikkeld, dat „zesde zintuig”, dat de
duif onfeilbaar den weg doet vinden, dien zij nemen moet en een beer
regelrecht doet afgaan op de plek, waar hij het vorige jaar zijn
overwinteringshol gevonden heeft. Hij had Nepeese niet vergeten.
Meermalen had hij zijn kop omgedraaid en gejankt en altijd had hij het
gedaan in de richting, waar de hut lag. Maar hij keerde niet terug.
Naarmate de nacht voortduurde, bleef zijn zoeken naar dat geheimzinnige
iets, wat hij niet gevonden had, aanhouden. Zijn honger was, zelfs
toen de maan verbleekte en de grauwe dageraad aanbrak, niet hevig
genoeg om hem naar voedsel te doen zoeken. Het was koud en het leek nog
kouder toen de glans van de maan en de sterren wegstierf. Onder zijn
zachtgekussende pooten had zich, vooral op open plekken, een dik wit
tapijt gevormd, waarin zoo nu en dan duidelijk de sporen van zijn nagels
te zien waren. Hij had urenlang gestadig doorgereisd en hij was moe,
toen het begon te dagen. En toen kwam het oogenblik, dat Baree, met een
scherp toeklappen van zijn kaken, stokstijf staan bleef.
Eindelijk was zij dan toch gekomen—de ontmoeting met datgene waarnaar
hij gezocht had. Het gebeurde op een open plek, die verlicht werd door
het koude morgenlicht, op een kleinen heuvel, die op het Oosten uitzag.
Met haar kop naar hem toegewend en naar hem uitkijkend, toen hij van
uit de schaduw te voorschijn kwam, zijn reuk in haar neusgaten, stond
Maheegun, de jonge wolvin. Baree had haar niet geroken, maar hij zag
haar dadelijk, toen hij van uit de balsemstruiken op de vlakte trad.
Hij bleef stilstaan en een volle minuut lang bewoog geen van beiden een
spier of scheen ook maar te ademen. Zij scheelden geen paar weken in
leeftijd, maar toch was Maheegun verreweg de kleinste van de twee; haar
lijf was langer, maar ook slanker; zij stond op tengere pooten, die
wel vossepooten geleken en de welving van haar rug was als een licht
gekromde boog, wat aanduidde, dat zij zich zoo snel als de wind kon
voortbewegen. Zij stond gereed op de vlucht te slaan, zelfs toen Baree
zijn eerste passen in haar richting deed en toen ontspande zich haar
lijf heel langzaam en toen hij dichter naderde stonden haar ooren niet
meer zoo achterdochtig overeind en vielen eindelijk plat neer. Baree
jankte even. Zijn eigen ooren stonden recht overeind, zijn kop was vol
levendigheid, zijn staart was ruig en stond omhoog. Slimheid, zoo al
geen listigheid, maakte al deel uit van zijn mannelijk overwicht en hij
zette niet te veel haast achter de zaak, in het begin.
Hij was op vijf voet afstand van Maheegun gekomen toen hij, als bij
toeval, zich van haar afwendde en naar het oosten begon te turen, waar
fijne roode en gouden lijntjes de komst van den dag aankondigden.
Eenige oogenblikken bleef hij snuiven en rondkijken en stak zijn
neus in den wind met grooten ernst, alsof hij zijn nieuwe kennis
aan het verstand wilde brengen—zooals zoo menig tweebeenig dier
vóór hem gedaan heeft—dat hij toch eigenlijk een persoon van zoo
buitengewoon veel belang was in de wereld. En Maheegun geraakte er
naar behooren van onder den indruk. Baree's bluf werkte even doelmatig
als de bluf van tweebeenige dieren. Hij snoof met zulk een opgewonden
en achterdochtigen ijver de lucht op, dat Maheegun's ooren zich
opnieuw spitsten en zij mee begon te snuiven; hij keerde zijn kop zoo
nadrukkelijk van punt tot punt verder, dat vrouwelijke nieuwsgierigheid
haar er toe aandreef hetzelfde te doen en toen hij even jankte,
alsof hij iets geheimzinnigs in die lucht ontdekte, wat zij met geen
mogelijkheid begrijpen kon, klonk er een antwoordend geluidje in haar
strot, maar dit was gesmoord en zacht, zooals de uitroep van een vrouw,
die niet weet of zij haar heer en meester mag storen of niet. Toen
Baree's scherpe ooren dit geluid opvingen stevende hij op haar af,
met lichte, trippelende passen en het volgende oogenblik beroken zij
elkanders neus.
* * * * *
Toen de zon opging, een half uur later, bevonden zij zich nog steeds
op het heuvelachtige gedeelte in die open plek, met den zoom van het
bosch beneden hen en in de verte een vlakte, die er, in zijn mantel van
vorst, uitzag als een lijkwade. De eerste roode gloed van den dageraad
vertoonde zich en naarmate de zon hooger rees werd het uitzicht van de
vlakte minder doodsch.
Baree noch Maheegun voelden neiging, zich te bewegen en een paar uren
lang bleven zij zich koesteren op de helling, met wijdgeopende oogen
rondkijkend in de hier en daar met bosch bedekte, uitgestrekte vlakte,
die het voorkomen had van een groote zee. Maheegun had ook getracht,
den jagenden troep te bereiken en, evenals Baree, was het haar mislukt.
Zij waren moe, een beetje ontmoedigd en hongerig—maar toch aan den
anderen kant opgewonden door verwachting en rusteloos door de nieuwe
en vreemde gewaarwording, een gezel gevonden te hebben. Wel zesmaal
stond Baree op en begon om Maheegun heen te snuffelen, terwijl deze in
de zon lag, zachtjes tegen haar jankend en haar zachte huid met zijn
snoet aanrakend, maar een tijdlang lette zij weinig op hem. Eindelijk
stond zij op en volgde hem. En dien geheelen dag zwierven en rustten zij
tezamen. Wederom viel de nacht in.
Deze was zonder maan en sterren. Grijze wolkenmassa's gleden langzaam
uit het noorden en westen langs en er was ternauwernood een zacht
gefluister van den wind in de boomtoppen. De sneeuw begon tegen de
schemering zwaar te vallen en vormde een dikke laag. Het was niet koud.
Maar het was windstil. Zoo stil was het rondom, dat Baree en Maheegun
na elke paar meters dat zij waren voortgeloopen stil bleven staan om
te luisteren. Op deze wijze trokken alle nachtelijke zwervers uit het
bosch, als zij van verblijfplaats veranderden. Het was het begin van de
Groote Sneeuw. Voor de vleeschetende dieren uit de bosschen, geklauwd
en gevleugeld, beteekende de Groote Sneeuw het begin van de winterpret,
bestaande uit slachting en vreetpartijen, uit woeste avonturen in de
lange nachten, uit onbarmhartige gevechten op de bevroren paden. De
dagen van het voortbrengen, van moederschap—de vrede van lente en
zomer—waren voorbij; uit de lucht kwam het ontwaken in het Noorden, de
roepstem van alle vleeschetende schepselen om zich klaar te maken voor
de Lange Jacht en in de eerste siddering er van bewogen de dieren zich
nog maar weinig, dien nacht, en dan nog achterdochtig en waakzaam.
Hun jeugd maakte dit alles nieuw voor Baree en Maheegun; hun bloed
stroomde snel, hun pooten vielen zacht op den grond neer, hun ooren
waren gestemd tot het opvangen van het geringste geluid. Bij het begin
van de Groote Sneeuw voelden zij den opwindenden harteklop van een nieuw
leven. Het verlokte hen, steeds verder te gaan. Het verleidde hen, op
avontuur uit te gaan in die witte, stille geheimzinnigheid en gedreven
door de onrust en verlangens der jeugd, trokken zij door. De sneeuw
werd dieper onder hun pooten. Op open plekken moesten zij er tot aan
de knieën doorwaden—en zij bleef doorvallen in een uitgestrekte witte
wolk, die gestadig uit den hemel viel. Het was bijna middernacht toen
zij ophield. De wolken dreven weg van de maan en de sterren en langen
tijd stonden Baree en Maheegun onbeweeglijk op een helling neer te
kijken op een verrukkelijk mooie wereld.
Nooit hadden zij zoover kunnen zien, behalve bij daglicht. Onder hen
was de vlakte. Zij konden de bosschen zien, alleenstaande boomen,
die als schaduwen uit de sneeuw opstaken, een riviertje—nog niet
bevroren—schitterend als glas waarin vuur weerspiegeld wordt. Baree
ging op dit riviertje aan. Hij dacht niet meer aan Nepeese en hij jankte
van onderdrukte blijdschap toen hij halverwege staan bleef en zich
omkeerde om Maheegun te besnuiven. Hij verlangde in de sneeuw om-en-om
te rollen en met zijn gezellin te stoeien; hij verlangde te blaffen,
zijn kop op te gooien en te huilen, zooals hij tegen de Roode Maan
gehuild had, daarginds bij de hut. Maar er was iets, dat hem weerhield,
deze dingen te doen. Misschien was het Maheegun's gedrag. Zij nam zijn
vriendelijkheden stokstijf in ontvangst. Een paar keer leek zij wel bang
te worden; tweemaal had Baree haar tanden op elkaar hooren klikken,
sedert zij den heuvelrug beklommen waren.
Gedurende den vorigen avond en den nacht was hun vriendschap intiemer
geworden, maar nu begon Maheegun een merkwaardig koele houding aan te
nemen. Pierrot zou dit hebben kunnen verklaren. Met de witte sneeuw
onder en rondom zich, en de schitterende maan en sterren boven zich,
had Baree, evenals de nacht, een verandering ondergaan. Zijn vel zag
er uit als gepolijst git. Elk haar van zijn lijf glinsterde zwart.
_Zwart!_ Dat was het. En de natuur trachtte Maheegun te doen gevoelen,
dat van alle schepselen, die haar ras haatte, _zwarte_ dieren de meest
gehate en gevreesde waren. Zij wist dit niet door ondervinding, maar
door instinkt—dit sprak tot haar van de eeuwenoude veete tusschen den
grijzen wolf en den zwarten beer. En Baree's vel was in het maanlicht
en de sneeuw zwarter dan Wakayoo's vacht ooit geweest was, zelfs in de
goede vischdagen van Mei. Voordat zij de groote vlakte bereikt hadden,
was de jonge wijfjeswolf Baree zonder aarzelen gevolgd; nu was er een
groeiende onzekerheid en besluiteloosheid in haar manieren en tweemaal
stond zij stil en deed alsof zij Baree zonder zich wilde laten verder
gaan.
Een uur nadat zij de vlakte betreden hadden, kwamen plotseling uit het
westen de geluiden van den wolventroep tot hen. Zij waren niet ver af,
misschien een mijl, en het snelle, korte blaffen, dat na hun eerste
wilde uitbarsting volgde, gaf er blijk van, dat de langtandige jagers
plotseling een prooi gezien hadden—een kariboe of een jongen eland—en
dien nu dicht op de hielen zaten. Toen zij de stem van haar eigen stam
hoorde, legden Maheegun's ooren zich plat op haar kop en ging zij er
vandoor als een pijl uit den boog. De onverwachtheid van deze beweging
en de snelheid van haar vlucht gaven haar een grooten voorsprong op
Baree, toen zij over de vlakte stoven. Zij rende in den blinde voort,
begunstigd door het geluk. Voor een tusschenpoos van misschien vijf
minuten was de troep zoo dicht bij hun doel, dat zij geen geluid gaven
en de jacht nam een zwenking en kwam regelrecht op Baree en Maheegun af.
Baree was niet meer dan zes lichaamslengten achter de jonge wolvin, toen
een gekraak in het kreupelhout vlak naast hen, hen zóó plotseling stil
deed staan, dat zij de sneeuw openreten met hun schrapgezette pooten.
Tien sekonden later brak de jonge kariboe door het struikgewas heen
en schoot pijlsnel de vlakte over, op nog geen twintig meter afstands
van de plek, waar zij stonden. Zij konden hem hooren hijgen toen hij
verdween. En daarna volgde de troep.
Bij het gezicht van deze snelbewegende grijze lijven, sprong Baree's
hart hem naar de keel. Hij vergat Maheegun en dat zij van hem was
weggeloopen. De maan en de sterren verdwenen uit zijn bestaan. Hij
voelde niet langer de koude van de sneeuw onder zijn pooten. Hij was
wolf—geheel en al wolf. Met den warmen reuk van den kariboe in zijn
neusgaten en den hartstocht om te dooden als vuur in zich brandend,
zette hij den troep achterna. Zelfs hierbij was Maheegun hem nog wat
vóór. Hij miste haar niet—in de opwinding van zijn eerste jacht
voelde hij niet langer de begeerte, haar aan zijn zijde te hebben.
Al heel spoedig kwam hij tot de ontdekking, dat hij zijde aan zijde
voortdraafde naast een van de grijze monsters van den troep; een halve
minuut later schoot een nieuwe mede-jager uit de struiken te voorschijn
en toen een tweede en daarna een derde. Nu en dan rende hij schouder
aan schouder met zijn nieuwe metgezellen; hij hoorde hun onderdrukt
gejank van opwinding; het dichtklappen van hun kaken—en in het gouden
maanlicht voor hem uit het zware neerploffen van den kariboe, als hij
over heesters en omgevallen boomstammen sprong, in dezen jacht op leven
en dood. Het was alsof hij altijd bij den troep had behoord. Hij had
er zich als vanzelf sprekend bijgevoegd, zooals andere losse wolven
dit gedaan hadden; zij hadden er geen drukte over gemaakt, zij hadden
hem niet, zooals Maheegun in de vlakte, welkom geheeten, maar hem ook
geen vijandigheid betoond. Hij behoorde bij deze schrale, snelvoetige
uitgestootenen der oude bosschen en zijn eigen kaken klapten ook op
elkander en zijn bloed golfde heet, toen de reuk van den kariboe sterker
werd en het geluid van zijn neerploffend lichaam duidelijker.
Het scheen den kariboe toe, dat zij hem vlak op de hielen zaten, toen
zij weer de vlakte inzwenkten, een dorre vlakte, zonder een boom of
struik, schitterend in het licht van maan en sterren. Over het nog
onbetreden sneeuwtapijt spoedde de kariboe zich voort, nauwelijks
honderd meter voor den troep uit.
Nu volgden de twee aanvoerders niet langer recht in het spoor, maar
maakten een hoek, naar rechts en links van den achtervolgde en als
goedgeoefende soldaten verdeelde de troep zich en spreidde zich
waaiersgewijs uit, voor den laatsten aanval. De twee uiteinden van den
waaier kromden zich en sloten den kariboe in, totdat de aanvoerders
op gelijke hoogte met hem meerenden, met vijftig of zestig voet
tusschenruimte. Op deze wijze vormde de troep, handig en snel en met
vreeselijke nauwkeurigheid, een hoefijzervormige linie van slagtanden,
waaraan maar op één manier te ontkomen was en wel door rechtuit te
blijven gaan. Het beteekende den dood voor den kariboe, als hij ook maar
een halven graad te veel naar rechts of links hield. Het was de plicht
van de aanvoerders, de uiteinden van het hoefijzer dichter naar elkaar
toe te leiden, zoo dicht tot zij beiden den noodlottigen uitval naar de
kniepeezen konden doen. Daarna was de zaak eenvoudig genoeg. De troep
zou den kariboe eenvoudig op het lijf vallen als een overstrooming.
Baree had een plaats gevonden aan het breedste gedeelte van de linie,
zoodat hij tamelijk wel in de achterhoede was, toen de climax kwam. De
vlakte ging plotseling schuin naar beneden. Recht vooruit zag de kariboe
water glinsteren—een zachte schittering onder den sterrenglans en bij
het gezicht daarvan spande hij zijn laatste, hem begevende krachten in.
Veertig sekonden zouden beslissen over zijn leven of dood. Baree voelde
sterk de spanning van deze oogenblikken en spoedde zich naar voren,
terwijl een van de aanvoerders een sprong deed naar de kniepeezen van
den jongen stier. Hij miste. Een tweede wolf probeerde hetzelfde. Beiden
hadden hun sprong gemist. Er was geen tijd voor anderen, om hun plaatsen
in te nemen. Aan het verbrokkelende gedeelte van den hoef hoorde Baree
den zwaren plons, toen de kariboe in het water plofte. Terwijl hij
zich weer bij den troep voegde, een razende, schuimbekkende horde, was
Napamoos, de jonge kariboestier, middenin de rivier en zwom gelijkmatig
naar de overzijde.
Toen stond Baree plotseling weer naast Maheegun. Zij hijgde, haar
roode tong hing haar uit de open kaken, maar toen zij zijn nabijheid
bemerkte, bracht zij ze met een klap weer op elkander en sloop haastig
midden tusschen de teleurgestelde wolvenbende, die geheel buiten adem
was. De wolven waren in een kwaad humeur, maar Baree was hiervan niet
doordrongen. Nepeese had hem geleerd, als een otter in het water te
springen en hij begreep niet, waarom dit smalle riviertje hen tot
stilstand gebracht had. Hij liep langs den oever naar beneden en stond
tot aan zijn buik in het water, een oogenblik opkijkend naar de woeste
bende boven zich en zich er over verbazend, dat zij hem niet volgde. En
hij was zwart—_zwart_. Hij klom weer naar boven en voegde zich bij hen
en voor het eerst merkten zij hem op.
Hun onrustige bewegingen bedaarden. Zij bleven stokstijf staan van
verbazing en belangstelling. Hun tanden sloten zich knarsend op elkaar.
Een eindje verder zag Baree Maheegun staan, met een grooten grijzen wolf
naast zich. Hij ging weer naar haar toe en ditmaal bleef zij staan,
haar ooren plat op haar kop liggend, totdat hij haar nek besnuffelde.
En toen, met een vinnigen grauw, beet zij naar hem. Haar tanden zonken
diep in het zachte vleesch van zijn schouder en verschrikt door het
onverwachte van haar aanval, gaf hij een schreeuw. Het volgende
oogenblik wierp de groote grijze wolf zich op hem.
Opnieuw overvallen en onverwachts viel Baree op den grond, met den
wolf aan zijn keel. Maar hij had het bloed van Kazan in zich, den
lichaamsbouw en de spieren van Kazan en voor het eerst van zijn leven
vocht hij zooals Kazan gevochten had, dien verschrikkelijken dag op de
Zonnerots. Hij was jong; hij moest de sluwheid en de krijgslisten van
dezen veteraan nog leeren; maar zijn kaken waren als de ijzeren klampen,
die Pierrot gebruikte voor zijn berenvallen en er was een plotselinge
blinde woede in zijn hart, en begeerte om te dooden, die alle gevoelens
van pijn of vrees overheerschte. Dit gevecht zou, als alles eerlijk
toegegaan was, geëindigd zijn met de overwinning van Baree, ondanks
zijn jeugd en onervarenheid. De troep had behooren af te wachten; het
was de wet van den troep—totdat een van de twee het opgaf. Maar Baree
was _zwart_. Hij was een vreemdeling, een indringer, een schepsel, dat
zij ontdekt hadden op een tijdstip, dat hun bloed kookte van woede en
teleurstelling, omdat zij hun prooi gemist hadden.
Een tweede wolf kwam er bij, Baree verraderlijk van opzij aanvallend
en terwijl hij daar in de sneeuw lag en den voorpoot van zijn eersten
vijand duchtig knauwde, wierp de heele bende zich tegelijk op hem. Zulk
een aanval zou den jongen kariboestier in minder dan een minuut het
leven gekost hebben. Elke tand zou raak gebeten hebben. Het werd Baree
door de omstandigheid, dat hij onder zijn eerste twee aanvallers lag,
bespaard, dadelijk in stukken gescheurd te worden. Hij wist, dat hij
voor zijn leven vocht. De wilde horde rolde grauwend over hem heen; hij
voelde de brandende pijn van tanden, die zich in zijn vleesch begroeven;
hij werd half gesmoord, honderd messen schenen in hem te steken en toch
gaf hij geen geluid, geen smartkreet ontsnapte hem in de ontzetting en
hopeloosheid van dit alles. Het zou spoedig afgeloopen geweest zijn,
als de worsteling niet vlak bij den oever geweest was. Een gedeelte van
den zanderigen grond bezweek en Baree rolde met den halven troep op zich
de helling af. Oogenblikkelijk flitste de gedachte aan den kariboe, die
zich door het water had weten te redden, door zijn brein. Voor een enkel
oogenblik had deze zandinstorting hem van de bende wolven bevrijd en in
die tusschenruimte nam hij een grooten sprong, over de grijze ruggen van
zijn vijanden heen en kwam in het diepe water van den stroom terecht.
Achter hem klapten een half dozijn kaken dicht—in de lucht. En zooals
het den kariboe gered had, redde dit water, glinsterende onder het licht
van maan en sterren, ook Baree het leven.
Het riviertje was niet meer dan honderd voet in oppervlakte, maar Baree
kon toch maar met de uiterste krachtsinspanning den overkant bereiken.
Vóór hij zich aan land sleepte, had hij den omvang van zijn wonden nog
niet gevoeld. Zijn eenen achterpoot kon hij niet gebruiken, zijn linker
schouder lag open tot op het been, zijn kop en lijf waren opengehaald en
terwijl hij langzaam wegkroop van den waterkant, vormde hij een spoor in
de sneeuw, dat rood zag van het bloed. Het druppelde van zijn hijgende
kaken, waartusschen ook zijn tong bloedde; liep langs zijn pooten en
flanken en buik en druppelde van zijn ooren, waarvan één zoo gehavend
was, alsof men er met een mes van afgesneden had. Zijn instinkten waren
verdoofd, zijn gezicht beneveld, alsof er een mist voor zijn oogen hing.
Hij hoorde niet het teleurgestelde huilen van den wolventroep aan den
anderen kant der rivier eenige minuten later en hij bemerkte niet langer
het bestaan van maan en sterren. Half dood sleepte hij zich verder, tot
hij bij toeval een groepje dwergsparren ontdekte. Hier sleepte hij zich
in en viel toen neer, volkomen uitgeput.
Verminkt, met litteekens die fel hem brandden, lag hij door de hevig
opvlammende koorts op het randje van den dood.
Toch overwon het leven; de koorts verminderde en tegen den middag stond
hij op. Hij was zwak en wankelde op zijn pooten. Zijn eene achterpoot
sleepte hem nog steeds na en hij werd door pijn gemarteld. Maar het was
een schitterende dag. De zon was warm. De sneeuw was aan het smelten.
De hemel geleek een groote blauwe zee en de levensvloed stroomde weer
warm door zijn aderen. Maar nu waren, voor altijd, zijn verlangens
veranderd en zijn voortdurend zoeken was geëindigd. Een roode woestheid
blonk in zijn oogen, terwijl hij gromde in de richting, waar zijn
gevecht met de wolven den vorigen nacht had plaats gehad. Zij waren niet
langer van hetzelfde ras als hij. Zij waren niet langer van hetzelfde
bloed. Nooit zou de jachtroep meer aantrekkingskracht op hem uitoefenen
of de stem van den troep dat oude verlangen bij hem opwekken. Er was
iets nieuws in hem geboren, een onvernietigbare haat tegen al wat wolf
was, een haat, die zou aangroeien tot bijna een organisch ongemak, iets
dat hij nooit heelemaal kwijt was en dat om weerwraak riep. Den vorigen
nacht was hij tot hen gekomen als een kameraad. Vandaag was hij een
uitgestootene. Gewond en verminkt, litteekens met zich meedragend, die
nooit meer zouden verdwijnen, had hij zijn les van de wildernis geleerd.
Morgen en overmorgen, en tallooze dagen daarna, zou deze les hem versch
in het geheugen blijven.