XVI.

De stem van zijn ras.

Tegen het eind van September kwam Mac Donald, de kaartenmaker, in Lac

Bain. Tien dagen lang was Gregson, de controleur, Bush Mc Taggart's

gast geweest op den Post en in dien tijd was tweemaal het denkbeeld bij

Marie opgekomen hem in zijn slaap te overvallen en te vermoorden. De

agent zelf nam weinig notitie van haar, den laatsten tijd, een feit,

dat haar gelukkig gemaakt zou hebben als Gregson er niet geweest was.

Deze was bekoord door de schoonheid van het ranke Cree-meisje, en Mc

Taggart, zonder jaloersch te zijn, moedigde hem aan. Hij had genoeg van

Marie. Hij zeide dit aan Gregson. Hij zou graag van haar af willen en

als Gregson haar soms met zich mee kon nemen, zou hij hem daarmee een

grooten dienst bewijzen. Hij legde hem uit, waarom. Over een poosje, als

de zware sneeuw zou beginnen te vallen, zou hij de dochter van Pierrot

du Quesne gaan halen. In de vertrouwelijkheid van hun liederlijke

vriendschap vertelde hij hem van zijn bezoek, van de manier, waarop hij

ontvangen was, van het voorval bij de kloof. Maar ondanks dit alles,

verzekerde hij Gregson, zou Pierrot's meisje spoedig te Lac Bain haar

intrek nomen. Juist in dezen tijd kwam Mac Donald. Hij bleef maar één

nacht over en zonder te weten, dat hij voedsel gaf aan een vuur, dat al

gevaarlijk aan het gloeien was, liet hij het portretje achter, dat hij

van Nepeese gemaakt had. Het was een uitstekende gelijkenis.

„Als u het soms aan het meisje kunt laten bezorgen zult u mij een groot

plezier doen,” had hij tot Mc Taggart gezegd. „Ik heb er haar een afdruk

van beloofd. Haar vader heet Du Quesne—Pierrot Du Quesne. U kent hem

misschien wel. En het meisje—”

Mac Donald maakte zich warm bij de beschrijving hoe mooi zij er dien

dag had uitgezien in dat roode japonnetje, dat er op de fotografie

zwart uitzag. Hij vermoedde niet, hoe dicht bij het kookpunt Mc

Taggart's bloed was. Den volgenden dag vertrok Mac Donald naar Norway

House. Mc Taggart liet het portretje niet aan Gregson zien. Hij verborg

het en, dien nacht, bij het schijnsel der lamp, bekeek hij het met

gedachten, die hem met koortsachtige onrust vervulden en—een groeiende

vastberadenheid. Er was maar één manier. Hij had dit plan al weken met

zich omgedragen en dit portretje gaf den doorslag. Hij durfde zijn

geheim zelfs Gregson niet toefluisteren. Maar het was de eenige manier.

Zij zou hem Nepeese geven. Maar—hij zou moeten wachten op de zware

sneeuw, tot het midden in den winter was. Deze sneeuw begraaft tragediën

het diepst. Hij was blij, toen Gregson den kaartenmaker naar Norway

House volgde. Uit beleefdheid begeleidde hij hem een dagreis ver. Toen

hij terugkwam, kwam hij tot de ontdekking, dat Marie hem ontvlucht was.

Daar was hij ook blij om. Hij zond een renbode met een vracht presenten

naar haar familie en de boodschap: „Sla haar niet. Houd haar bij u. Zij

is vrij.”

Tegelijk met de drukte en de beweging, die de aanvang van het

vallen-seizoen meebracht, begon Mc Taggart zijn huis in orde te maken

voor Nepeese's komst. Hij kende haar smaak, waar het netheid en een paar

andere kleinigheden betrof. Hij liet de muren wit schilderen met de

verf, die voor zijn booten bestemd was geweest. Sommige gedeelten werden

afgebroken, andere nieuw opgetrokken; de Indiaansche vrouw van zijn

voornaamsten boodschapper maakte gordijnen voor de ramen en hij sleepte

een kleine gramofoon in de wacht, die doorgezonden had moeten worden

naar Lac la Biche. Hij koesterde geen twijfel en telde de dagen.

Daarginds bij den Grijzen Fuut hadden Pierrot en Nepeese het druk met

allerlei zaken tegelijk, zoo druk, dat Pierrot dikwijls zijn vrees voor

den agent van Lac Bain vergat en de Wilg er heelemaal niet meer aan

dacht. Het was Jachtmaand en het winterjachtseizoen naderde. Nepeese

drenkte zorgvuldig een honderdtal vallen in kokend kariboevet, met

bevervet vermengd, terwijl Pierrot nieuwe klemmen gereedmaakte en

uitzette. Als hij langer dan een dag uit de hut dacht weg te blijven

nam hij haar altijd met zich mee. Maar in de hut zelf viel ook heel wat

te doen, want Pierrot, zooals de gewoonte was bij al zijn broeders in

het noorden, begon niet aan zijn toebereidselen voor de herfst in de

lucht zat. De sneeuwschoenen moesten hersteld worden, hout gehakt, om

het bij de hand te hebben tegen het aanbreken van den winterstorm; de

hut goed nagezien worden en dichtgestopt, nieuw tuig gemaakt, de messen,

die bij het afstroopen van huiden gebruikt werden, opnieuw geslepen en

winter-mocassins vervaardigd—honderd-en-één zaken moesten geregeld

worden, zoo bijvoorbeeld ook het vleeschrooster in orde gemaakt, aan de

achterzijde der hut, waar, van het invallen der koude af tot aan het

einde toe, de bouten van het wildbraad, van den kariboe en den eland

zouden hangen, als winterprovisie voor hun gezinnetje en later, als de

visch schaarscher zou worden, ook het rantsoen voor de honden. In de

drukte van dit alles kon Nepeese onmogelijk zooveel aandacht aan Baree

schenken als in de voorafgegane weken. Zij speelden niet zoo veel, ook

zwommen zij niet meer samen, want elken morgen lag er ijzel op den grond

en ook het water werd ijskoud; zij dwaalden niet meer tot diep in de

bosschen, op zoek naar bloemen en bessen. Urenlang lag Baree nu aan de

voeten van de Wilg en keek hoe haar slanke vingers de sneeuwschoenen

verstelden en nu en dan hield Nepeese op en boog zich voorover om haar

hand op zijn kop te leggen en even tegen hem te praten—soms in haar

zoetvleiend Cree, soms in het Engelsch of in haar vader's Fransch. Het

was haar _stem_, die Baree had leeren begrijpen en de beweging van haar

lippen, haar gebaren, de houding van haar lichaam, haar veranderende

stemmingen, die schaduw of zonlicht op haar gelaat teweeg brachten. Hij

wist, wat het beteekende, wanneer zij glimlachte; hij schudde zich en

sprong soms vroolijk in het rond, wanneer zij lachte; haar geluk was

een deel van hem en een bestraffend woord van haar erger dan een slag.

Twee keer had Pierrot hem geslagen en beide malen was Baree achteruit

gesprongen en had hem met een woedenden grauw en ontbloote slagtanden

geantwoord, terwijl de haren op zijn rug als een borstel overeind

stonden. Als een van de andere honden hem dit geleverd had zou Pierrot

hem half vermoord hebben. Het zou opstand beteekend hebben en de man

moest het gezag in handen hebben. Maar Baree was altijd veilig voor hem.

Een lichte aanraking van Nepeese's hand, een enkel woord van haar en de

haren op zijn rug zegen weer neer en het grommen in zijn strot bedaarde.

Pierrot was er volstrekt niet boos om.

„_Dieu!_ ik zal nooit zoo ver gaan om te probeeren dàt uit hem te

ranselen,” mompelde hij. „Hij is en blijft een woesteling—een wild

dier—en toch haar slaaf. _Voor haar zou hij een moord begaan!_”

En zoo kwam het dus door Pierrot zelf—en zonder dat hij er de reden

voor opgaf—dat Baree niet tot een sledehond opgevoed werd. Hij mocht

zijn vrijheid behouden. Hij werd nooit vastgebonden zooals de anderen.

Nepeese was er blij om, maar zij giste haar vader's beweegreden niet.

Pierrot grinnikte in zichzelf. Zij zou nooit weten, waarom hij er voor

zorgde, dat Baree altijd achterdocht voor hem bleef koesteren, die

aan haat grensde. Het had veel overleg en slimheid van zijn zijde tot

grondslag. Hij redeneerde aldus:

„Als hij mij haat, zal hij alle andere _mannen_ haten. _Mey-oo!_ Dat is

best.”

Zoo keek hij in de toekomst—voor Nepeese.

En toen brachten de laatste herfstnachten en de eerste vriesnachten

van de Jachtmaand de groote verandering bij Baree teweeg. Het was

onvermijdelijk. Pierrot wist, dat het gebeuren zou en den eersten nacht

toen Baree zijn kop achterover wierp en omhoog huilde tegen de maan

bereidde hij er Nepeese op voor.

„Hij is een wilde hond, Nepeese,” zeide hij tot haar. „Hij is een halve

wolf en hij zal hun neigingen krijgen. Hij zal het bosch in willen en

nu en dan zal hij er van door gaan. Maar we moeten hem niet vastleggen.

Hij zal terugkomen. Ja,—hij zal terugkomen!” En hij wreef zich in het

maanlicht de handen tot zijn gewrichten kraakten.

De roepstem kwam tot Baree, zooals een dief langzaam en voorzichtig

naar een verboden plaats toesluipt. Hij begreep haar eerst niet. Zij

maakte hem zenuwachtig en rusteloos, zoo zenuwachtig, dat Nepeese hem

meermalen in zijn slaap zachtjes hoorde huilen. Hij wachtte op _iets_.

Wat was het? Pierrot wist het en glimlachte op zijn ondoorgrondelijke

manier. En toen gebeurde het. Het was nacht—een prachtige nacht, vol

maan- en sterrenlicht en de aarde werd met een vlies van ijs overdekt.

En heel uit de verte drong zij tot hem door—_de roepstem van den

troep_! Nu en dan, gedurende den zomer had hij het gehuil gehoord van

een eenzamen wolf, maar dit was _de troep_—en toen dit gehuil op hem af

kwam golven, door de uitgestrekte stilte en de geheimzinnigheid van den

nacht als een woeste zang, die bij elke Jachtmaand gedurende ontelbare

eeuwen was teruggekomen, wist Pierrot, dat voor Baree eindelijk en ten

laatste datgene was gekomen, waarop hij gewacht had. In een oogwenk

besefte Baree het. Zijn spieren spanden zich strak als dikke koorden

toen hij zich oprichtte en in het maanlicht stond, kijkend in de

richting, vanwaar dit geheimzinnige en opwindende geluid gekomen was.

Zij konden hem zachtjes hooren janken en Pierrot, zich voorover buigend

om zooveel mogelijk van het licht van den nacht gebruik te kunnen maken,

kon hem zien rillen.

„Het is _mee—koo_!” sprak hij fluisterend tot Nepeese.

Dàt was het—de stem des bloeds, die tot Baree sprak; niet alleen de

stem van het tegenwoordige geslacht, maar die van Kazan, Wolvin en van

tallooze van hun voorzaten. Het was de stem van zijn _geslacht_. Dit

had Pierrot gefluisterd en hij had gelijk. In den gouden nacht wachtte

de Wilg, want zij had het hoogste ingezet en zij zou dus het meeste

winnen of verliezen. Zij gaf geen geluid, antwoordde niet op het gezegde

van haar vader, op zachten toon geuit, maar hield haar adem in en

sloeg Baree gade toen hij langzaam, voetje voor voetje, in de schaduw

weggleed. Een paar oogenblikken later was hij verdwenen. Toen wierp zij

het hoofd in den nek en, terwijl haar oogen met de sterren wedijverden

in glans, riep zij:

„Baree! Baree! Baree! Baree!”

Hij moest pas aan den zoom van het bosch geweest zijn, want binnen

eenige sekonden was hij terug aan haar zijde. Maar hij was regelrecht

op haar aan komen rennen, als een pijl uit den boog en hij jankte, naar

haar gelaat kijkend. Nepeese legde haar handen op zijn kop.

„U hebt gelijk, _mon père_,” zeide zij. „Hij zal nu met de wolven

meegaan, maar hij komt zeker terug. Hij zal nooit lang van me

wegblijven.” Met haar eene hand nog steeds op zijn kop, wees zij met de

andere naar de pikzwarte duisternis van het bosch. „Ga maar naar hen

toe, Baree!” fluisterde zij. „Maar je moet terugkomen. Je moet, hoor

_Cheamao_!”

* * * * *

Zij trad met Pierrot de hut weer binnen, zij sloten de deur achter zich

en Baree bleef alleen. Er heerschte een lange stilte. In deze stilte

kon hij de zachte geluiden van den nacht hooren, het rammelen van de

kettingen, waarmee de honden vastgeklonken waren, het onrustige woelen,

dat zij deden, het gesuis der vleugels van een voorbijvliegenden vogel,

den adem van den nacht zelf. Want deze nacht, zelfs in zijn groote rust,

scheen voor Baree te leven. Hij begaf er zich opnieuw in en dicht bij

het bosch bleef hij weer stilstaan om te luisteren. De wind was gedraaid

en de klagelijke, opwindende kreet van den troep werd er op voortgestuwd.

Ver in het westen wendde een eenzame wolf zijn snoet hemelwaarts en

antwoordde op den verzamelkreet van zijn stam en toen kwam uit het

oosten een dergelijk geluid, zoo ver van de hut verwijderd, dat het wel

een echo leek, die wegstierf in de uitgestrektheid van het duister. Er

smoorde een geluidje in Baree's strot. Hij wierp den kop omhoog. Recht

boven hem stond de Roode Maan, hem uitnoodigend de geheimzinnige wereld

te gaan bewandelen. Het geluid in zijn strot zwol aan en langzaam nam

het toe in kracht, totdat zijn antwoord opsteeg naar de sterren. In de

hut hoorden Wilg en Pierrot het. Pierrot haalde de schouders op.

„Hij is weg,” zeide hij.

„Ja, hij is weg, _mon père_,” antwoordde Nepeese door het venster turend.

De zoon van Kazan · 第 20 / 34 题