De stem van zijn ras.
Tegen het eind van September kwam Mac Donald, de kaartenmaker, in Lac
Bain. Tien dagen lang was Gregson, de controleur, Bush Mc Taggart's
gast geweest op den Post en in dien tijd was tweemaal het denkbeeld bij
Marie opgekomen hem in zijn slaap te overvallen en te vermoorden. De
agent zelf nam weinig notitie van haar, den laatsten tijd, een feit,
dat haar gelukkig gemaakt zou hebben als Gregson er niet geweest was.
Deze was bekoord door de schoonheid van het ranke Cree-meisje, en Mc
Taggart, zonder jaloersch te zijn, moedigde hem aan. Hij had genoeg van
Marie. Hij zeide dit aan Gregson. Hij zou graag van haar af willen en
als Gregson haar soms met zich mee kon nemen, zou hij hem daarmee een
grooten dienst bewijzen. Hij legde hem uit, waarom. Over een poosje, als
de zware sneeuw zou beginnen te vallen, zou hij de dochter van Pierrot
du Quesne gaan halen. In de vertrouwelijkheid van hun liederlijke
vriendschap vertelde hij hem van zijn bezoek, van de manier, waarop hij
ontvangen was, van het voorval bij de kloof. Maar ondanks dit alles,
verzekerde hij Gregson, zou Pierrot's meisje spoedig te Lac Bain haar
intrek nomen. Juist in dezen tijd kwam Mac Donald. Hij bleef maar één
nacht over en zonder te weten, dat hij voedsel gaf aan een vuur, dat al
gevaarlijk aan het gloeien was, liet hij het portretje achter, dat hij
van Nepeese gemaakt had. Het was een uitstekende gelijkenis.
„Als u het soms aan het meisje kunt laten bezorgen zult u mij een groot
plezier doen,” had hij tot Mc Taggart gezegd. „Ik heb er haar een afdruk
van beloofd. Haar vader heet Du Quesne—Pierrot Du Quesne. U kent hem
misschien wel. En het meisje—”
Mac Donald maakte zich warm bij de beschrijving hoe mooi zij er dien
dag had uitgezien in dat roode japonnetje, dat er op de fotografie
zwart uitzag. Hij vermoedde niet, hoe dicht bij het kookpunt Mc
Taggart's bloed was. Den volgenden dag vertrok Mac Donald naar Norway
House. Mc Taggart liet het portretje niet aan Gregson zien. Hij verborg
het en, dien nacht, bij het schijnsel der lamp, bekeek hij het met
gedachten, die hem met koortsachtige onrust vervulden en—een groeiende
vastberadenheid. Er was maar één manier. Hij had dit plan al weken met
zich omgedragen en dit portretje gaf den doorslag. Hij durfde zijn
geheim zelfs Gregson niet toefluisteren. Maar het was de eenige manier.
Zij zou hem Nepeese geven. Maar—hij zou moeten wachten op de zware
sneeuw, tot het midden in den winter was. Deze sneeuw begraaft tragediën
het diepst. Hij was blij, toen Gregson den kaartenmaker naar Norway
House volgde. Uit beleefdheid begeleidde hij hem een dagreis ver. Toen
hij terugkwam, kwam hij tot de ontdekking, dat Marie hem ontvlucht was.
Daar was hij ook blij om. Hij zond een renbode met een vracht presenten
naar haar familie en de boodschap: „Sla haar niet. Houd haar bij u. Zij
is vrij.”
Tegelijk met de drukte en de beweging, die de aanvang van het
vallen-seizoen meebracht, begon Mc Taggart zijn huis in orde te maken
voor Nepeese's komst. Hij kende haar smaak, waar het netheid en een paar
andere kleinigheden betrof. Hij liet de muren wit schilderen met de
verf, die voor zijn booten bestemd was geweest. Sommige gedeelten werden
afgebroken, andere nieuw opgetrokken; de Indiaansche vrouw van zijn
voornaamsten boodschapper maakte gordijnen voor de ramen en hij sleepte
een kleine gramofoon in de wacht, die doorgezonden had moeten worden
naar Lac la Biche. Hij koesterde geen twijfel en telde de dagen.
Daarginds bij den Grijzen Fuut hadden Pierrot en Nepeese het druk met
allerlei zaken tegelijk, zoo druk, dat Pierrot dikwijls zijn vrees voor
den agent van Lac Bain vergat en de Wilg er heelemaal niet meer aan
dacht. Het was Jachtmaand en het winterjachtseizoen naderde. Nepeese
drenkte zorgvuldig een honderdtal vallen in kokend kariboevet, met
bevervet vermengd, terwijl Pierrot nieuwe klemmen gereedmaakte en
uitzette. Als hij langer dan een dag uit de hut dacht weg te blijven
nam hij haar altijd met zich mee. Maar in de hut zelf viel ook heel wat
te doen, want Pierrot, zooals de gewoonte was bij al zijn broeders in
het noorden, begon niet aan zijn toebereidselen voor de herfst in de
lucht zat. De sneeuwschoenen moesten hersteld worden, hout gehakt, om
het bij de hand te hebben tegen het aanbreken van den winterstorm; de
hut goed nagezien worden en dichtgestopt, nieuw tuig gemaakt, de messen,
die bij het afstroopen van huiden gebruikt werden, opnieuw geslepen en
winter-mocassins vervaardigd—honderd-en-één zaken moesten geregeld
worden, zoo bijvoorbeeld ook het vleeschrooster in orde gemaakt, aan de
achterzijde der hut, waar, van het invallen der koude af tot aan het
einde toe, de bouten van het wildbraad, van den kariboe en den eland
zouden hangen, als winterprovisie voor hun gezinnetje en later, als de
visch schaarscher zou worden, ook het rantsoen voor de honden. In de
drukte van dit alles kon Nepeese onmogelijk zooveel aandacht aan Baree
schenken als in de voorafgegane weken. Zij speelden niet zoo veel, ook
zwommen zij niet meer samen, want elken morgen lag er ijzel op den grond
en ook het water werd ijskoud; zij dwaalden niet meer tot diep in de
bosschen, op zoek naar bloemen en bessen. Urenlang lag Baree nu aan de
voeten van de Wilg en keek hoe haar slanke vingers de sneeuwschoenen
verstelden en nu en dan hield Nepeese op en boog zich voorover om haar
hand op zijn kop te leggen en even tegen hem te praten—soms in haar
zoetvleiend Cree, soms in het Engelsch of in haar vader's Fransch. Het
was haar _stem_, die Baree had leeren begrijpen en de beweging van haar
lippen, haar gebaren, de houding van haar lichaam, haar veranderende
stemmingen, die schaduw of zonlicht op haar gelaat teweeg brachten. Hij
wist, wat het beteekende, wanneer zij glimlachte; hij schudde zich en
sprong soms vroolijk in het rond, wanneer zij lachte; haar geluk was
een deel van hem en een bestraffend woord van haar erger dan een slag.
Twee keer had Pierrot hem geslagen en beide malen was Baree achteruit
gesprongen en had hem met een woedenden grauw en ontbloote slagtanden
geantwoord, terwijl de haren op zijn rug als een borstel overeind
stonden. Als een van de andere honden hem dit geleverd had zou Pierrot
hem half vermoord hebben. Het zou opstand beteekend hebben en de man
moest het gezag in handen hebben. Maar Baree was altijd veilig voor hem.
Een lichte aanraking van Nepeese's hand, een enkel woord van haar en de
haren op zijn rug zegen weer neer en het grommen in zijn strot bedaarde.
Pierrot was er volstrekt niet boos om.
„_Dieu!_ ik zal nooit zoo ver gaan om te probeeren dàt uit hem te
ranselen,” mompelde hij. „Hij is en blijft een woesteling—een wild
dier—en toch haar slaaf. _Voor haar zou hij een moord begaan!_”
En zoo kwam het dus door Pierrot zelf—en zonder dat hij er de reden
voor opgaf—dat Baree niet tot een sledehond opgevoed werd. Hij mocht
zijn vrijheid behouden. Hij werd nooit vastgebonden zooals de anderen.
Nepeese was er blij om, maar zij giste haar vader's beweegreden niet.
Pierrot grinnikte in zichzelf. Zij zou nooit weten, waarom hij er voor
zorgde, dat Baree altijd achterdocht voor hem bleef koesteren, die
aan haat grensde. Het had veel overleg en slimheid van zijn zijde tot
grondslag. Hij redeneerde aldus:
„Als hij mij haat, zal hij alle andere _mannen_ haten. _Mey-oo!_ Dat is
best.”
Zoo keek hij in de toekomst—voor Nepeese.
En toen brachten de laatste herfstnachten en de eerste vriesnachten
van de Jachtmaand de groote verandering bij Baree teweeg. Het was
onvermijdelijk. Pierrot wist, dat het gebeuren zou en den eersten nacht
toen Baree zijn kop achterover wierp en omhoog huilde tegen de maan
bereidde hij er Nepeese op voor.
„Hij is een wilde hond, Nepeese,” zeide hij tot haar. „Hij is een halve
wolf en hij zal hun neigingen krijgen. Hij zal het bosch in willen en
nu en dan zal hij er van door gaan. Maar we moeten hem niet vastleggen.
Hij zal terugkomen. Ja,—hij zal terugkomen!” En hij wreef zich in het
maanlicht de handen tot zijn gewrichten kraakten.
De roepstem kwam tot Baree, zooals een dief langzaam en voorzichtig
naar een verboden plaats toesluipt. Hij begreep haar eerst niet. Zij
maakte hem zenuwachtig en rusteloos, zoo zenuwachtig, dat Nepeese hem
meermalen in zijn slaap zachtjes hoorde huilen. Hij wachtte op _iets_.
Wat was het? Pierrot wist het en glimlachte op zijn ondoorgrondelijke
manier. En toen gebeurde het. Het was nacht—een prachtige nacht, vol
maan- en sterrenlicht en de aarde werd met een vlies van ijs overdekt.
En heel uit de verte drong zij tot hem door—_de roepstem van den
troep_! Nu en dan, gedurende den zomer had hij het gehuil gehoord van
een eenzamen wolf, maar dit was _de troep_—en toen dit gehuil op hem af
kwam golven, door de uitgestrekte stilte en de geheimzinnigheid van den
nacht als een woeste zang, die bij elke Jachtmaand gedurende ontelbare
eeuwen was teruggekomen, wist Pierrot, dat voor Baree eindelijk en ten
laatste datgene was gekomen, waarop hij gewacht had. In een oogwenk
besefte Baree het. Zijn spieren spanden zich strak als dikke koorden
toen hij zich oprichtte en in het maanlicht stond, kijkend in de
richting, vanwaar dit geheimzinnige en opwindende geluid gekomen was.
Zij konden hem zachtjes hooren janken en Pierrot, zich voorover buigend
om zooveel mogelijk van het licht van den nacht gebruik te kunnen maken,
kon hem zien rillen.
„Het is _mee—koo_!” sprak hij fluisterend tot Nepeese.
Dàt was het—de stem des bloeds, die tot Baree sprak; niet alleen de
stem van het tegenwoordige geslacht, maar die van Kazan, Wolvin en van
tallooze van hun voorzaten. Het was de stem van zijn _geslacht_. Dit
had Pierrot gefluisterd en hij had gelijk. In den gouden nacht wachtte
de Wilg, want zij had het hoogste ingezet en zij zou dus het meeste
winnen of verliezen. Zij gaf geen geluid, antwoordde niet op het gezegde
van haar vader, op zachten toon geuit, maar hield haar adem in en
sloeg Baree gade toen hij langzaam, voetje voor voetje, in de schaduw
weggleed. Een paar oogenblikken later was hij verdwenen. Toen wierp zij
het hoofd in den nek en, terwijl haar oogen met de sterren wedijverden
in glans, riep zij:
„Baree! Baree! Baree! Baree!”
Hij moest pas aan den zoom van het bosch geweest zijn, want binnen
eenige sekonden was hij terug aan haar zijde. Maar hij was regelrecht
op haar aan komen rennen, als een pijl uit den boog en hij jankte, naar
haar gelaat kijkend. Nepeese legde haar handen op zijn kop.
„U hebt gelijk, _mon père_,” zeide zij. „Hij zal nu met de wolven
meegaan, maar hij komt zeker terug. Hij zal nooit lang van me
wegblijven.” Met haar eene hand nog steeds op zijn kop, wees zij met de
andere naar de pikzwarte duisternis van het bosch. „Ga maar naar hen
toe, Baree!” fluisterde zij. „Maar je moet terugkomen. Je moet, hoor
_Cheamao_!”
* * * * *
Zij trad met Pierrot de hut weer binnen, zij sloten de deur achter zich
en Baree bleef alleen. Er heerschte een lange stilte. In deze stilte
kon hij de zachte geluiden van den nacht hooren, het rammelen van de
kettingen, waarmee de honden vastgeklonken waren, het onrustige woelen,
dat zij deden, het gesuis der vleugels van een voorbijvliegenden vogel,
den adem van den nacht zelf. Want deze nacht, zelfs in zijn groote rust,
scheen voor Baree te leven. Hij begaf er zich opnieuw in en dicht bij
het bosch bleef hij weer stilstaan om te luisteren. De wind was gedraaid
en de klagelijke, opwindende kreet van den troep werd er op voortgestuwd.
Ver in het westen wendde een eenzame wolf zijn snoet hemelwaarts en
antwoordde op den verzamelkreet van zijn stam en toen kwam uit het
oosten een dergelijk geluid, zoo ver van de hut verwijderd, dat het wel
een echo leek, die wegstierf in de uitgestrektheid van het duister. Er
smoorde een geluidje in Baree's strot. Hij wierp den kop omhoog. Recht
boven hem stond de Roode Maan, hem uitnoodigend de geheimzinnige wereld
te gaan bewandelen. Het geluid in zijn strot zwol aan en langzaam nam
het toe in kracht, totdat zijn antwoord opsteeg naar de sterren. In de
hut hoorden Wilg en Pierrot het. Pierrot haalde de schouders op.
„Hij is weg,” zeide hij.
„Ja, hij is weg, _mon père_,” antwoordde Nepeese door het venster turend.