XVIII.

De agent neemt zijn besluit.

In de hut bij den Grijzen Fuut was Pierrot aan het rooken van zijn

pijpje, na een stevig avondmaal van kariboe-lende, die hij had

meegebracht, den vierden avond na Baree's vertrek, en Nepeese luisterde

naar zijn verhaal over de merkwaardigheid van zijn schot, toen een

geluid aan de deur hen storen kwam. Nepeese opende haar en Baree kwam

binnen. De welkomstkreet bestierf het meisje op de lippen en Pierrot

keek alsof hij niet gelooven kon, dat dit dier, dat teruggekeerd was, de

wolfshond was.

Drie dagen en drie nachten van honger, waarin hij niet had kunnen

jagen, omdat hij nog steeds met zijn eenen poot sleepte, hadden hem

totaal verzwakt. Met litteekens bezaaid en bedekt met klonters geronnen

bloed, dat nog steeds aan zijn lange haren kleefde, bood hij zulk een

jammerlijken aanblik, dat Nepeese naar adem snakte. Een zonderlinge

glimlach verspreidde zich over Pierrot's gelaat, terwijl hij in zijn

stoel voorover leunde en toen stond hij langzaam op, bekeek Baree van

naderbij en zeide tot Nepeese:

„_Ventre saint gris!_ Ja! Hij is bij den troep geweest, Nepeese, en de

troep heeft hem aangevallen. Het was geen tweegevecht! Het moet de heele

troep geweest zijn. Hij is op vijftig verschillende plaatsen gebeten.

En—_mon Dieu_—hij heeft er het leven afgebracht!”

In Pierrot's stem klonk groeiende verbazing. Hij was ongeloovig en

toch kon hij niet twijfelen aan hetgeen zijn oogen hem zeiden. Wat er

gebeurd was, grensde aan een wonder en een tijdlang sprak hij niet meer,

maar bleef zwijgend toekijken, terwijl Nepeese, uit haar verbijstering

gewekt, Baree begon te verzorgen en hem voedsel gaf. Nadat hij als een

razende gegeten had van koude maispap, begon zij zijn wonden te betten

met warm water en daarna zalfde zij ze met berenvet, voortdurend tegen

hem pratend in haar zachtklinkend Cree. Na de pijn en den honger en de

verraderlijkheid van den aanval was dit een verrukkelijke thuiskomst

voor Baree. Hij sliep dien nacht aan den voet van Nepeese's bed. Den

volgenden morgen werd zij gewekt door de liefkoozing van zijn koele tong

op haar hand.

En zoo hervatten zij vanaf dezen dag hun kameraadschap, die afgebroken

was geweest door Baree's tijdelijke afvalligheid. De gehechtheid was

van Baree's kant grooter dan ooit. Hij had uit eigen beweging de Wilg

verlaten, om de roepstem van den troep te volgen, en het leek soms wel

alsof hij den omvang van zijn trouweloosheid begon te bevatten en nu

zijn best deed, het weer goed te maken.

Ongetwijfeld was er een groote verandering over Baree gekomen. Hij

volgde Nepeese als een schaduw. In plaats van 's nachts te gaan slapen

in het warme nest van sparregroen, dat Pierrot voor hem gemaakt had,

groef hij zichzelf een gat, dicht bij de deur der hut. Pierrot dacht,

dat hij begreep waarom, en Nepeese dacht, dat zij het nog veel beter

begreep, maar in werkelijkheid berustte de sleutel van dit geheim bij

Baree zelf. Hij speelde nu niet meer, zooals hij gespeeld had vóór hij

het bosch introk. Hij vloog niet meer op takjes af en rende niet meer

tot hij buiten adem was, enkel en alleen om het plezier van het rennen.

Zijn jonge hondjes-tijd was voorbij. In plaats daarvan trad een groote

vereering en een pijnlijke bitterheid, een liefde voor het meisje en een

haat jegens den wolventroep en al wat er mee te maken had. Wanneer hij

wolvegehuil hoorde, bracht dit een woedend gegrom teweeg in zijn strot

en hij ontblootte zijn slagtanden, totdat zelfs Pierrot hem uit den weg

ging. Als de hand van het meisje hem even aanraakte, bedaarde hij.

Binnen een paar weken begon de sneeuw zwaarder te vallen en Pierrot

begon zijn tochten te maken over het vallengebied. Nepeese had een

gewichtige overeenkomst met hem aangegaan, dezen winter. Pierrot had

haar als firmant opgenomen. Elke vijfde klem, elke vijfde val en elk

vijfde giftaas zou haar eigendom zijn en al wat daarin gevangen of

gedood werd, zou haar een beetje nader brengen tot de verwezenlijking

van een schoonen droom, die in de ziel van Nepeese groeide.

Pierrot had haar een belofte gedaan. Als zij een voordeeligen winter

hadden, zouden zij tegen het einde van het sneeuwseizoen naar Nelson

House reizen en het kleine orgel koopen, dat daar was aangeboden; en als

het orgel soms al verkocht was, zouden zij nog een winter werken om een

ander te koopen. Dit plan gaf Nepeese een levendige en hartstochtelijke

belangstelling in de vallenlijn. Het was van Pierrot een soort van

krijgslist geweest. Hij zou alles hebben willen geven, om Nepeese dat

orgel te kunnen geven; hij had zich vast voorgenomen, dat zij het

krijgen zou, of die vijfde klem en val en giftaas aan zijn bestemming

voldeed of niet. Die overeenkomst tusschen hen beiden had, wat dat

betrof, niets te beteekenen. Maar het gaf Nepeese in zeker opzicht het

gevoel van mee zaken te doen en mee te werken. Dit had Pierrot haar

ingeprent, met een bedoeling. Hij wilde haar bij zich hebben als hij

niet in de hut was. Hij wist, dat Bush Mc Taggart weer naar den Grijzen

Fuut zou komen, waarschijnlijk wel meer dan eens, gedurende dezen

winter. Zijn honden liepen snel en het was een korte reis. En als Mc

Taggart terugkwam, moest Nepeese niet in de hut zijn—alleen.

Pierrot's jachtgebied liep naar het Noorden en Westen, alles

bijeengenomen een oppervlakte van vijftig mijlen beslaande en gewoonlijk

volgden twee klemmen, één val en een giftaas op elkander. Het was een

gebied vol kronkelingen, nu en dan opzettelijk langs water geleid ter

wille van wezels, otters en marters, dan weer door het dichtst van het

bosch voor de lynxen en over dorre open plekken, waar giftaas uitgezet

kon worden voor vossen en wolven. Halverwege dit gebied had Pierrot

een kleine houten hut gebouwd en een eind verder nog een, zoodat het

werk van één dag vijf en twintig mijlen omvatte. Dit was gemakkelijk

genoeg voor Pierrot en viel Nepeese niet zwaar, na de eerste paar

dagen. Gedurende de heele maand October, November en het grootste

gedeelte van December maakten zij deze uitstapjes geregeld, zij deden

elke zes dagen de ronde, rustten één dag in de hut bij den Grijzen

Fuut en één dag in de hut aan het einde van hun gebied. Voor Pierrot

beteekende dit alles zijn gewone werk, den arbeid van velen van zijn

voorgeslacht, voor Nepeese en Baree was dit een vroolijk avontuur, dat

hen geen dag verveelde. Zelfs Pierrot bleef niet geheel ongevoelig voor

hun opgewektheid. Zij was aanstekelijk en drie maanden lang was hij

gelukkiger dan hij geweest was sedert den dag, waarop hij zijn vrouw

begroef.

Het waren prachtige maanden. De pelzen waren dik en het was gestadig

koud, zonder sneeuwstormen. Nepeese droeg niet alleen een pakje op de

schouders, om Pierrot's last te verlichten, maar wende er ook Baree

aan, een paar kleine manden te dragen, die zij vervaardigd had. In deze

manden droeg Baree het aas. Een derde gedeelte van het aantal vallen

bevatte altijd wel, wat Pierrot noemde „kleingoed”: konijnen, uilen,

Vlaamsche gaaien en eekhoorns. Dezen vormden, geplukt of gestroopt, weer

nieuw lokaas voor de volgende vallen.

In het begin van December, toen zij terugkeerden naar den Grijzen

Fuut, bleef Pierrot, die Nepeese eenige passen vooruit was, plotseling

stilstaan en keek naar de sneeuw. Een derde sneeuwschoenspoor had zich

bij het hunne gevoegd en wees in de richting van hun hut. Een halve

minuut lang bleef Pierrot zwijgen en bewoog nauwelijks een spier,

terwijl hij naar den grond staarde. Het spoor kwam regelrecht uit het

Noorden—en daar lag Lac Bain. Het waren groote sneeuwschoenen en

blijkbaar had er een lange man op geloopen. Voor Pierrot iets gezegd

had, had Nepeese al begrepen, waaraan hij dacht.

„M'sieu de agent van Lac Bain!” zeide zij.

Baree snuffelde achterdochtig aan dit vreemde spoor. Zij hoorden hem

onderdrukt grommen en Pierrot's schouders trokken zich samen.

„Ja, de M'sieu,” zeide hij.

Het hart van de Wilg klopte sneller toen zij verder gingen. Zij was niet

bang van Mc Taggart, niet lichamelijk bang tenminste, maar toch rees er

een onrust in haar gemoed, als zij er aan dacht, hem weer te zien bij

den Grijzen Fuut. Waarom was hij daar? Pierrot behoefde geen antwoord

te geven op deze vraag, zelfs al had zij die gesteld. Zij wist het zelf

wel. De agent van Lac Bain had niets in hun hut te maken—hij kwam

alleen om haar te zien. Het bloed brandde haar rood in de wangen, toen

zij weer dacht aan dat oogenblik aan den rand van de kloof, toen hij

haar bijna verpletterd had in zijn armen. Zou hij dat nog eens wagen?

Haar vader, diep verzonken in zijn eigen sombere gedachten, hoorde

nauwelijks den eigenaardigen lach, dien zij plotseling deed hooren.

Baree had opnieuw gegromd. Het was een zacht geluid geweest, maar

schrikaanjagend. Toen zij nog maar een halve mijl van de hut verwijderd

waren, maakte zij de manden van zijn schouders los en droeg ze zelf.

Tien minuten later zagen zij een man hun tegemoet komen.

Het was Mc Taggart niet. Pierrot herkende hem en met een hoorbaren

zucht van verlichting wuifde hij hem toe. Het was De Bar, die zijn

jachtterrein had in het Onvruchtbare Land ten noorden van Lac Bain.

Pierrot kende hem goed. Zij ruilden dikwijls vergiften met elkaar. Zij

waren vrienden en er was blijdschap in hun handdruk.

Daarna staarde De Bar in bewondering naar Nepeese.

„_Tonnerre_, zij is een vrouw geworden!” riep hij en als een ware vrouw

keek Nepeese hem strak aan en de kleur werd donkerder op haar wangen,

toen hij diep voor haar boog, met een hoffelijkheid, dagteekenend uit

vroeger eeuwen.

De Bar liet geen tijd verloren gaan met het uitleggen van het doel

zijner komst en voor zij de hut bereikten, wisten Pierrot en Nepeese,

wat hij bij hen kwam doen. M'sieu de agent van Lac Bain zou over vijf

dagen op reis gaan en hij had De Bar speciaal gezonden om Pierrot te

verzoeken, gedurende zijn afwezigheid den klerk en den halfbloed, die

op het magazijn moest passen, te komen bijstaan. Pierrot vroeg geen

verklaring, in het begin, maar hij dacht na. Waarom had Mc Taggart

juist _hem_ laten halen? Waarom had hij niet iemand uitgekozen, dichter

in zijn eigen buurt? Niet voordat er een flink vuur knapperde in de

plaatijzeren kachel in de hut en Nepeese druk bezig was met het bereiden

van het avondmaal, stelde hij deze vragen aan den vossenjager.

De Bar haalde de schouders op.

„Hij vroeg eerst aan mij, of ik kon blijven. Maar ik heb een vrouw met

zwakke longen, Pierrot. Zij heeft de ziekte opgedaan met de vorst van

verleden jaar en ik durf haar niet lang alleen laten. Hij heeft groot

vertrouwen in jou. Bovendien ken jij alle strikkenzetters, die in de

boeken van de Compagnie staan. Daarom heeft hij een boodschap naar jou

gestuurd en hij zegt, dat je je maar niet moet bekommeren over je eigen

vangst, want dat hij je het dubbele zal betalen van wat je anders zou

krijgen, in den tijd dat je op den Post bent.”

„En—Nepeese?” vroeg Pierrot. „Verwacht M'sieu, dat ik haar mee zal

brengen?”

Bij de kachel boog de Wilg het hoofd om te luisteren en zij haalde

verruimd adem bij De Bar's antwoord.

„Daar heeft hij niets van gezegd. Maar—het zal wel een groote

verandering voor de kleine m'selle wezen.”

Pierrot knikte.

„Misschien, Netootam.”

Zij praatten dien avond niet langer over de zaak. Maar den heelen nacht

bleef Pierrot er over liggen denken en honderd maal vroeg hij zich

hetzelfde af—waarom had Mc Taggart _hem_ juist laten halen? Hij was

niet de eenige man, die de strikkenzetters van de Compagnie goed kende.

Daar had je bijvoorbeeld Wassoon, den halfbloed-Skandinaviër, wiens hut

maar vier uur reizens van den Post was, of Baroche, den witgebaarden

ouden Franschman, die zelfs nog dichterbij woonde en wiens woord even

betrouwbaar was als de Bijbel. Het moest wel zijn, besloot hij ten

laatste, dat M'sieu _hem_ had laten halen, omdat hij, door den vader

van Nepeese te bevoorrechten, de vriendschap van Nepeese zelf dacht

te winnen. Want ongetwijfeld was het als een groot eerbewijs voor hem

bedoeld. En toch, op den bodem van zijn hart leefde nog achterdocht.

Toen De Bar den volgenden morgen afscheid nam, zeide Pierrot:

„Zeg maar aan M'sieu, dat ik overmorgen naar Lac Bain vertrek.”

Nadat De Bar vertrokken was, zeide Pierrot tot Nepeese:

„En jij moet hier blijven, _ma chérie_. Ik neem je niet mee naar Lac

Bain. Ik heb een droom gehad, dat M'sieu niet op reis gaat, maar dat

hij gelogen heeft en dat hij _ongesteld_ zal zijn als ik op den Post

aankom. En toch, als je soms graag mee wilt—”

Nepeese richtte zich plotseling rechtop, zooals een riet, dat door den

wind gegrepen is.

„Neen,” riep zij, zoo heftig, dat Pierrot lachte en zich in de handen

wreef.

Zoo gebeurde het, dat twee dagen na het bezoek van den vossenjager

Pierrot naar Lac Bain reisde en Nepeese hem aan de deur bleef nawuiven

tot hij uit het gezicht was.

Op den morgen van dienzelfden dag stond Mc Taggart op, toen het nog

geheel donker was. De tijd was gekomen, het uur en de dag, waarop hij

gewacht en gerekend had, en dien heelen nacht had hij de oogen niet

geloken in slaap. Twintig maal had hij het mooie portretje van Nepeese

in den gloed der lamp gehouden en telkens had het gezicht er van gewerkt

als olie op vlammen. Al de krachten van zijn natuur waren versmolten in

één grooten hartstocht en lang en zorgvuldig had hij aan de vervulling

daarvan gewerkt. Hij had geaarzeld voor een moord—voor een uit den

weg ruimen van Pierrot en hij had er iets beters op bedacht. Nepeese

kon hem op die manier niet ontsnappen. Hij zou haar alleen aantreffen,

hulpeloos en volkomen in zijn macht. En daarna—hij lachte en balde zijn

groote handen in opwinding. Ja—daarna—zou Nepeese gewillig zijn vrouw

worden. Zij zou niet willen, dat zij bij de bewoners van de wildernis

bekend werd als _La Bête Noire_. Neen! Zij zou uit vrije beweging tot

hem komen. En Pierrot zou er nooit achter komen, wat er in de hut was

voorgevallen, want zou Nepeese hem dàt vertellen? Het was een prachtig

plan, zoo gemakkelijk uit te voeren en de uitslag zoo onafwendbaar in

zijn voordeel. En Pierrot zou al dien tijd in de meening verkeeren, dat

hij weg was, op een zending naar het Oosten!

Hij gebruikte zijn ontbijt en ging op weg, toen het nog niet heelemaal

licht was. Met opzet hield hij oostwaarts, zoodat Pierrot, uit het

zuidwesten komend, de sporen van zijn slede niet ontdekken zou. Want hij

wilde er zeker van zijn, dat Pierrot het nooit te weten kon komen en

zelfs geen vermoeden had; al kostte het hem nog zooveel mijlen, hij zou

dezen omweg maken en den Grijzen Fuut pas den tweeden dag bereiken. Het

was misschien ook maar beter, een dag later te komen, daar het mogelijk

was, dat Pierrot opgehouden was. Daarom deed hij geen poging om snel te

reizen. Hij genoot al van tevoren van de voldoening, die hij smaken zou.

Hij liep geen kans, teleurgesteld te worden. Hij was er van overtuigd,

dat Nepeese haar vader niet vergezeld had op zijn reis naar Lac Bain.

Zij zou in de hut bij den Grijzen Fuut zijn—en alleen. Zijn gelaat werd

donkerder rood, telkens wanneer hij daaraan dacht.

De eenzaamheid wekte bij Nepeese geen gedachte aan gevaar op. Er waren

nu tijden, dat het denkbeeld, alleen te zijn, aantrekkelijk voor haar

was; dat zij verlangde, te kunnen droomen, ongestoord, dat zij zich

visioenen voorstelde, in welker geheimzinnigheid zij zelfs Pierrot

niet in kon wijden. Zij was bezig op te groeien tot een vrouw—zij

was nog maar een bloem in knop—nog maar een meisje, met het zachte

fluweel der maagdelijkheid in de oogen, maar het geheim der ontwakende

vrouwelijkheid beroerde reeds zacht haar ziel, alsof de Groote Hand

aarzelde en niet goed wist, of zij haar zou wekken of nog wat langer

laten sluimeren. Bij zulke gelegenheden, als zij een paar uur voor

zichzelf wist te ontfutselen, trok zij haar roode japon aan en kapte

haar prachtige haar volgens de aanwijzingen der tijdschriften, die

Pierrot tweemaal 's jaars uit Nelson House werden toegezonden. Den

tweeden dag van Pierrot's afwezigheid kleedde zij zich weer zoo, maar

nu liet zij heur haar los om zich heen golven, in glanzenden tooi en om

haar voorhoofd bond zij een rood lint. Maar hiermee was zij nog niet

klaar. Vandaag had zij heerlijke plannen. Tegen den muur, vlak bij den

spiegel, had zij een groote plaat geprikt uit een modeblad en op deze

plaat prijkte een allerliefst kopje, vol krullen. Er onder stond de naam

„Mary Pickford”. Vijftienhonderd mijlen ten noorden van het zonnige

Californische atelier, waarin de fotografie genomen was, worstelde

Nepeese met pruilende lippen en gerimpeld voorhoofd om het kunststuk

van „kleine Mary's” krullenkapsel te volbrengen!

Zij keek in haar spiegel, haar wangen gloeiden en haar oogen schitterden

in de opwinding, om een van de zoo vurig verlangde krulletjes te maken,

toen de deur achter haar geopend werd en Bush Mc Taggart naar binnen

stapte.

De zoon van Kazan · 第 22 / 34 题