De agent neemt zijn besluit.
In de hut bij den Grijzen Fuut was Pierrot aan het rooken van zijn
pijpje, na een stevig avondmaal van kariboe-lende, die hij had
meegebracht, den vierden avond na Baree's vertrek, en Nepeese luisterde
naar zijn verhaal over de merkwaardigheid van zijn schot, toen een
geluid aan de deur hen storen kwam. Nepeese opende haar en Baree kwam
binnen. De welkomstkreet bestierf het meisje op de lippen en Pierrot
keek alsof hij niet gelooven kon, dat dit dier, dat teruggekeerd was, de
wolfshond was.
Drie dagen en drie nachten van honger, waarin hij niet had kunnen
jagen, omdat hij nog steeds met zijn eenen poot sleepte, hadden hem
totaal verzwakt. Met litteekens bezaaid en bedekt met klonters geronnen
bloed, dat nog steeds aan zijn lange haren kleefde, bood hij zulk een
jammerlijken aanblik, dat Nepeese naar adem snakte. Een zonderlinge
glimlach verspreidde zich over Pierrot's gelaat, terwijl hij in zijn
stoel voorover leunde en toen stond hij langzaam op, bekeek Baree van
naderbij en zeide tot Nepeese:
„_Ventre saint gris!_ Ja! Hij is bij den troep geweest, Nepeese, en de
troep heeft hem aangevallen. Het was geen tweegevecht! Het moet de heele
troep geweest zijn. Hij is op vijftig verschillende plaatsen gebeten.
En—_mon Dieu_—hij heeft er het leven afgebracht!”
In Pierrot's stem klonk groeiende verbazing. Hij was ongeloovig en
toch kon hij niet twijfelen aan hetgeen zijn oogen hem zeiden. Wat er
gebeurd was, grensde aan een wonder en een tijdlang sprak hij niet meer,
maar bleef zwijgend toekijken, terwijl Nepeese, uit haar verbijstering
gewekt, Baree begon te verzorgen en hem voedsel gaf. Nadat hij als een
razende gegeten had van koude maispap, begon zij zijn wonden te betten
met warm water en daarna zalfde zij ze met berenvet, voortdurend tegen
hem pratend in haar zachtklinkend Cree. Na de pijn en den honger en de
verraderlijkheid van den aanval was dit een verrukkelijke thuiskomst
voor Baree. Hij sliep dien nacht aan den voet van Nepeese's bed. Den
volgenden morgen werd zij gewekt door de liefkoozing van zijn koele tong
op haar hand.
En zoo hervatten zij vanaf dezen dag hun kameraadschap, die afgebroken
was geweest door Baree's tijdelijke afvalligheid. De gehechtheid was
van Baree's kant grooter dan ooit. Hij had uit eigen beweging de Wilg
verlaten, om de roepstem van den troep te volgen, en het leek soms wel
alsof hij den omvang van zijn trouweloosheid begon te bevatten en nu
zijn best deed, het weer goed te maken.
Ongetwijfeld was er een groote verandering over Baree gekomen. Hij
volgde Nepeese als een schaduw. In plaats van 's nachts te gaan slapen
in het warme nest van sparregroen, dat Pierrot voor hem gemaakt had,
groef hij zichzelf een gat, dicht bij de deur der hut. Pierrot dacht,
dat hij begreep waarom, en Nepeese dacht, dat zij het nog veel beter
begreep, maar in werkelijkheid berustte de sleutel van dit geheim bij
Baree zelf. Hij speelde nu niet meer, zooals hij gespeeld had vóór hij
het bosch introk. Hij vloog niet meer op takjes af en rende niet meer
tot hij buiten adem was, enkel en alleen om het plezier van het rennen.
Zijn jonge hondjes-tijd was voorbij. In plaats daarvan trad een groote
vereering en een pijnlijke bitterheid, een liefde voor het meisje en een
haat jegens den wolventroep en al wat er mee te maken had. Wanneer hij
wolvegehuil hoorde, bracht dit een woedend gegrom teweeg in zijn strot
en hij ontblootte zijn slagtanden, totdat zelfs Pierrot hem uit den weg
ging. Als de hand van het meisje hem even aanraakte, bedaarde hij.
Binnen een paar weken begon de sneeuw zwaarder te vallen en Pierrot
begon zijn tochten te maken over het vallengebied. Nepeese had een
gewichtige overeenkomst met hem aangegaan, dezen winter. Pierrot had
haar als firmant opgenomen. Elke vijfde klem, elke vijfde val en elk
vijfde giftaas zou haar eigendom zijn en al wat daarin gevangen of
gedood werd, zou haar een beetje nader brengen tot de verwezenlijking
van een schoonen droom, die in de ziel van Nepeese groeide.
Pierrot had haar een belofte gedaan. Als zij een voordeeligen winter
hadden, zouden zij tegen het einde van het sneeuwseizoen naar Nelson
House reizen en het kleine orgel koopen, dat daar was aangeboden; en als
het orgel soms al verkocht was, zouden zij nog een winter werken om een
ander te koopen. Dit plan gaf Nepeese een levendige en hartstochtelijke
belangstelling in de vallenlijn. Het was van Pierrot een soort van
krijgslist geweest. Hij zou alles hebben willen geven, om Nepeese dat
orgel te kunnen geven; hij had zich vast voorgenomen, dat zij het
krijgen zou, of die vijfde klem en val en giftaas aan zijn bestemming
voldeed of niet. Die overeenkomst tusschen hen beiden had, wat dat
betrof, niets te beteekenen. Maar het gaf Nepeese in zeker opzicht het
gevoel van mee zaken te doen en mee te werken. Dit had Pierrot haar
ingeprent, met een bedoeling. Hij wilde haar bij zich hebben als hij
niet in de hut was. Hij wist, dat Bush Mc Taggart weer naar den Grijzen
Fuut zou komen, waarschijnlijk wel meer dan eens, gedurende dezen
winter. Zijn honden liepen snel en het was een korte reis. En als Mc
Taggart terugkwam, moest Nepeese niet in de hut zijn—alleen.
Pierrot's jachtgebied liep naar het Noorden en Westen, alles
bijeengenomen een oppervlakte van vijftig mijlen beslaande en gewoonlijk
volgden twee klemmen, één val en een giftaas op elkander. Het was een
gebied vol kronkelingen, nu en dan opzettelijk langs water geleid ter
wille van wezels, otters en marters, dan weer door het dichtst van het
bosch voor de lynxen en over dorre open plekken, waar giftaas uitgezet
kon worden voor vossen en wolven. Halverwege dit gebied had Pierrot
een kleine houten hut gebouwd en een eind verder nog een, zoodat het
werk van één dag vijf en twintig mijlen omvatte. Dit was gemakkelijk
genoeg voor Pierrot en viel Nepeese niet zwaar, na de eerste paar
dagen. Gedurende de heele maand October, November en het grootste
gedeelte van December maakten zij deze uitstapjes geregeld, zij deden
elke zes dagen de ronde, rustten één dag in de hut bij den Grijzen
Fuut en één dag in de hut aan het einde van hun gebied. Voor Pierrot
beteekende dit alles zijn gewone werk, den arbeid van velen van zijn
voorgeslacht, voor Nepeese en Baree was dit een vroolijk avontuur, dat
hen geen dag verveelde. Zelfs Pierrot bleef niet geheel ongevoelig voor
hun opgewektheid. Zij was aanstekelijk en drie maanden lang was hij
gelukkiger dan hij geweest was sedert den dag, waarop hij zijn vrouw
begroef.
Het waren prachtige maanden. De pelzen waren dik en het was gestadig
koud, zonder sneeuwstormen. Nepeese droeg niet alleen een pakje op de
schouders, om Pierrot's last te verlichten, maar wende er ook Baree
aan, een paar kleine manden te dragen, die zij vervaardigd had. In deze
manden droeg Baree het aas. Een derde gedeelte van het aantal vallen
bevatte altijd wel, wat Pierrot noemde „kleingoed”: konijnen, uilen,
Vlaamsche gaaien en eekhoorns. Dezen vormden, geplukt of gestroopt, weer
nieuw lokaas voor de volgende vallen.
In het begin van December, toen zij terugkeerden naar den Grijzen
Fuut, bleef Pierrot, die Nepeese eenige passen vooruit was, plotseling
stilstaan en keek naar de sneeuw. Een derde sneeuwschoenspoor had zich
bij het hunne gevoegd en wees in de richting van hun hut. Een halve
minuut lang bleef Pierrot zwijgen en bewoog nauwelijks een spier,
terwijl hij naar den grond staarde. Het spoor kwam regelrecht uit het
Noorden—en daar lag Lac Bain. Het waren groote sneeuwschoenen en
blijkbaar had er een lange man op geloopen. Voor Pierrot iets gezegd
had, had Nepeese al begrepen, waaraan hij dacht.
„M'sieu de agent van Lac Bain!” zeide zij.
Baree snuffelde achterdochtig aan dit vreemde spoor. Zij hoorden hem
onderdrukt grommen en Pierrot's schouders trokken zich samen.
„Ja, de M'sieu,” zeide hij.
Het hart van de Wilg klopte sneller toen zij verder gingen. Zij was niet
bang van Mc Taggart, niet lichamelijk bang tenminste, maar toch rees er
een onrust in haar gemoed, als zij er aan dacht, hem weer te zien bij
den Grijzen Fuut. Waarom was hij daar? Pierrot behoefde geen antwoord
te geven op deze vraag, zelfs al had zij die gesteld. Zij wist het zelf
wel. De agent van Lac Bain had niets in hun hut te maken—hij kwam
alleen om haar te zien. Het bloed brandde haar rood in de wangen, toen
zij weer dacht aan dat oogenblik aan den rand van de kloof, toen hij
haar bijna verpletterd had in zijn armen. Zou hij dat nog eens wagen?
Haar vader, diep verzonken in zijn eigen sombere gedachten, hoorde
nauwelijks den eigenaardigen lach, dien zij plotseling deed hooren.
Baree had opnieuw gegromd. Het was een zacht geluid geweest, maar
schrikaanjagend. Toen zij nog maar een halve mijl van de hut verwijderd
waren, maakte zij de manden van zijn schouders los en droeg ze zelf.
Tien minuten later zagen zij een man hun tegemoet komen.
Het was Mc Taggart niet. Pierrot herkende hem en met een hoorbaren
zucht van verlichting wuifde hij hem toe. Het was De Bar, die zijn
jachtterrein had in het Onvruchtbare Land ten noorden van Lac Bain.
Pierrot kende hem goed. Zij ruilden dikwijls vergiften met elkaar. Zij
waren vrienden en er was blijdschap in hun handdruk.
Daarna staarde De Bar in bewondering naar Nepeese.
„_Tonnerre_, zij is een vrouw geworden!” riep hij en als een ware vrouw
keek Nepeese hem strak aan en de kleur werd donkerder op haar wangen,
toen hij diep voor haar boog, met een hoffelijkheid, dagteekenend uit
vroeger eeuwen.
De Bar liet geen tijd verloren gaan met het uitleggen van het doel
zijner komst en voor zij de hut bereikten, wisten Pierrot en Nepeese,
wat hij bij hen kwam doen. M'sieu de agent van Lac Bain zou over vijf
dagen op reis gaan en hij had De Bar speciaal gezonden om Pierrot te
verzoeken, gedurende zijn afwezigheid den klerk en den halfbloed, die
op het magazijn moest passen, te komen bijstaan. Pierrot vroeg geen
verklaring, in het begin, maar hij dacht na. Waarom had Mc Taggart
juist _hem_ laten halen? Waarom had hij niet iemand uitgekozen, dichter
in zijn eigen buurt? Niet voordat er een flink vuur knapperde in de
plaatijzeren kachel in de hut en Nepeese druk bezig was met het bereiden
van het avondmaal, stelde hij deze vragen aan den vossenjager.
De Bar haalde de schouders op.
„Hij vroeg eerst aan mij, of ik kon blijven. Maar ik heb een vrouw met
zwakke longen, Pierrot. Zij heeft de ziekte opgedaan met de vorst van
verleden jaar en ik durf haar niet lang alleen laten. Hij heeft groot
vertrouwen in jou. Bovendien ken jij alle strikkenzetters, die in de
boeken van de Compagnie staan. Daarom heeft hij een boodschap naar jou
gestuurd en hij zegt, dat je je maar niet moet bekommeren over je eigen
vangst, want dat hij je het dubbele zal betalen van wat je anders zou
krijgen, in den tijd dat je op den Post bent.”
„En—Nepeese?” vroeg Pierrot. „Verwacht M'sieu, dat ik haar mee zal
brengen?”
Bij de kachel boog de Wilg het hoofd om te luisteren en zij haalde
verruimd adem bij De Bar's antwoord.
„Daar heeft hij niets van gezegd. Maar—het zal wel een groote
verandering voor de kleine m'selle wezen.”
Pierrot knikte.
„Misschien, Netootam.”
Zij praatten dien avond niet langer over de zaak. Maar den heelen nacht
bleef Pierrot er over liggen denken en honderd maal vroeg hij zich
hetzelfde af—waarom had Mc Taggart _hem_ juist laten halen? Hij was
niet de eenige man, die de strikkenzetters van de Compagnie goed kende.
Daar had je bijvoorbeeld Wassoon, den halfbloed-Skandinaviër, wiens hut
maar vier uur reizens van den Post was, of Baroche, den witgebaarden
ouden Franschman, die zelfs nog dichterbij woonde en wiens woord even
betrouwbaar was als de Bijbel. Het moest wel zijn, besloot hij ten
laatste, dat M'sieu _hem_ had laten halen, omdat hij, door den vader
van Nepeese te bevoorrechten, de vriendschap van Nepeese zelf dacht
te winnen. Want ongetwijfeld was het als een groot eerbewijs voor hem
bedoeld. En toch, op den bodem van zijn hart leefde nog achterdocht.
Toen De Bar den volgenden morgen afscheid nam, zeide Pierrot:
„Zeg maar aan M'sieu, dat ik overmorgen naar Lac Bain vertrek.”
Nadat De Bar vertrokken was, zeide Pierrot tot Nepeese:
„En jij moet hier blijven, _ma chérie_. Ik neem je niet mee naar Lac
Bain. Ik heb een droom gehad, dat M'sieu niet op reis gaat, maar dat
hij gelogen heeft en dat hij _ongesteld_ zal zijn als ik op den Post
aankom. En toch, als je soms graag mee wilt—”
Nepeese richtte zich plotseling rechtop, zooals een riet, dat door den
wind gegrepen is.
„Neen,” riep zij, zoo heftig, dat Pierrot lachte en zich in de handen
wreef.
Zoo gebeurde het, dat twee dagen na het bezoek van den vossenjager
Pierrot naar Lac Bain reisde en Nepeese hem aan de deur bleef nawuiven
tot hij uit het gezicht was.
Op den morgen van dienzelfden dag stond Mc Taggart op, toen het nog
geheel donker was. De tijd was gekomen, het uur en de dag, waarop hij
gewacht en gerekend had, en dien heelen nacht had hij de oogen niet
geloken in slaap. Twintig maal had hij het mooie portretje van Nepeese
in den gloed der lamp gehouden en telkens had het gezicht er van gewerkt
als olie op vlammen. Al de krachten van zijn natuur waren versmolten in
één grooten hartstocht en lang en zorgvuldig had hij aan de vervulling
daarvan gewerkt. Hij had geaarzeld voor een moord—voor een uit den
weg ruimen van Pierrot en hij had er iets beters op bedacht. Nepeese
kon hem op die manier niet ontsnappen. Hij zou haar alleen aantreffen,
hulpeloos en volkomen in zijn macht. En daarna—hij lachte en balde zijn
groote handen in opwinding. Ja—daarna—zou Nepeese gewillig zijn vrouw
worden. Zij zou niet willen, dat zij bij de bewoners van de wildernis
bekend werd als _La Bête Noire_. Neen! Zij zou uit vrije beweging tot
hem komen. En Pierrot zou er nooit achter komen, wat er in de hut was
voorgevallen, want zou Nepeese hem dàt vertellen? Het was een prachtig
plan, zoo gemakkelijk uit te voeren en de uitslag zoo onafwendbaar in
zijn voordeel. En Pierrot zou al dien tijd in de meening verkeeren, dat
hij weg was, op een zending naar het Oosten!
Hij gebruikte zijn ontbijt en ging op weg, toen het nog niet heelemaal
licht was. Met opzet hield hij oostwaarts, zoodat Pierrot, uit het
zuidwesten komend, de sporen van zijn slede niet ontdekken zou. Want hij
wilde er zeker van zijn, dat Pierrot het nooit te weten kon komen en
zelfs geen vermoeden had; al kostte het hem nog zooveel mijlen, hij zou
dezen omweg maken en den Grijzen Fuut pas den tweeden dag bereiken. Het
was misschien ook maar beter, een dag later te komen, daar het mogelijk
was, dat Pierrot opgehouden was. Daarom deed hij geen poging om snel te
reizen. Hij genoot al van tevoren van de voldoening, die hij smaken zou.
Hij liep geen kans, teleurgesteld te worden. Hij was er van overtuigd,
dat Nepeese haar vader niet vergezeld had op zijn reis naar Lac Bain.
Zij zou in de hut bij den Grijzen Fuut zijn—en alleen. Zijn gelaat werd
donkerder rood, telkens wanneer hij daaraan dacht.
De eenzaamheid wekte bij Nepeese geen gedachte aan gevaar op. Er waren
nu tijden, dat het denkbeeld, alleen te zijn, aantrekkelijk voor haar
was; dat zij verlangde, te kunnen droomen, ongestoord, dat zij zich
visioenen voorstelde, in welker geheimzinnigheid zij zelfs Pierrot
niet in kon wijden. Zij was bezig op te groeien tot een vrouw—zij
was nog maar een bloem in knop—nog maar een meisje, met het zachte
fluweel der maagdelijkheid in de oogen, maar het geheim der ontwakende
vrouwelijkheid beroerde reeds zacht haar ziel, alsof de Groote Hand
aarzelde en niet goed wist, of zij haar zou wekken of nog wat langer
laten sluimeren. Bij zulke gelegenheden, als zij een paar uur voor
zichzelf wist te ontfutselen, trok zij haar roode japon aan en kapte
haar prachtige haar volgens de aanwijzingen der tijdschriften, die
Pierrot tweemaal 's jaars uit Nelson House werden toegezonden. Den
tweeden dag van Pierrot's afwezigheid kleedde zij zich weer zoo, maar
nu liet zij heur haar los om zich heen golven, in glanzenden tooi en om
haar voorhoofd bond zij een rood lint. Maar hiermee was zij nog niet
klaar. Vandaag had zij heerlijke plannen. Tegen den muur, vlak bij den
spiegel, had zij een groote plaat geprikt uit een modeblad en op deze
plaat prijkte een allerliefst kopje, vol krullen. Er onder stond de naam
„Mary Pickford”. Vijftienhonderd mijlen ten noorden van het zonnige
Californische atelier, waarin de fotografie genomen was, worstelde
Nepeese met pruilende lippen en gerimpeld voorhoofd om het kunststuk
van „kleine Mary's” krullenkapsel te volbrengen!
Zij keek in haar spiegel, haar wangen gloeiden en haar oogen schitterden
in de opwinding, om een van de zoo vurig verlangde krulletjes te maken,
toen de deur achter haar geopend werd en Bush Mc Taggart naar binnen
stapte.