De verlokking der Vrouw.
Op een open plek staande, had Pierrot gezien wat er gebeurd was en hij
hijgde naar adem. Hij trok zich terug tusschen de balsemstruiken. Dit
was geen geschikt oogenblik om zich te vertoonen. Zijn hart klopte als
met hamerslagen, maar zijn gelaat straalde van vreugde.
Op haar handen en knieën gebogen, tuurde de Wilg over den rand van de
kloof. Bush Mc Taggart was verdwenen. Hij was weggezonken als een groot
blok hout en het water van den poel had zich boven zijn hoofd gesloten
met een plonsend geluid, dat wel een uiting van triomf leek. Hij kwam
nu weer boven en begon met armen en beenen te slaan, om zich drijvend
te houden, terwijl de stem van de Wilg in schampere kreten tot hem
doordrong.
„_Bête noire! Bête noire!_—Beest!—Beest!—”
Zij wierp driftig kleine stokjes en kluitjes aarde op hem en opkijkend,
nadat hij zijn evenwicht had herkregen, zag Mc Taggart haar zóo ver
over den rand leunen, dat zij bijna leek te vallen. Haar lange vlechten
glansden in de zon, haar oogen lachten en terwijl haar lippen hem
uittartten, zag hij het blikkeren van haar witte tanden.
„_Beest! Beest!_”
Hij begon te zwemmen, steeds naar haar opkijkend. Op honderd meter
afstand stroomde het water over een leisteenbodem en zou hij aan land
kunnen klimmen en een heel eind liep zij met hem mee, lachend en
schimpend, terwijl zij takjes en kiezelsteentjes naar hem mikte. Hij
merkte op, dat geen van deze stokjes en steentjes groot genoeg waren om
hem pijn te doen. Toen hij eindelijk zijn voet op vasten bodem zette,
was zij verdwenen.
Snel liep Nepeese terug langs het paadje en bijna in Pierrot's armen.
Zij hijgde en lachte toen zij een oogenblik stilhield.
„Ik heb hem het antwoord gegeven, Nootawe! Hij is in den poel!”
Zij verdween als een vogeltje tusschen de balsemstruiken. Pierrot deed
geen poging, haar terug te houden of te volgen.
„Tonnerre de Dieu!” grinnikte hij—en ging juist den tegenovergestelden
kant op.
Nepeese was buiten adem, toen zij de hut bereikte. Baree, die met
een leeren riem aan een tafelpoot vastgebonden lag, hoorde haar een
oogenblik bij de deur stilstaan.
Toen trad zij binnen en kwam regelrecht op hem toe. Gedurende het halve
uur van haar afwezigheid had Baree zich ternauwernood bewogen. Dat halve
uur en de weinige minuten, die er aan vooraf waren gegaan, hadden een
ontzaglijken indruk op hem gemaakt. Natuur, erfelijkheid en instinkt
waren aan het werk, brachten orde in zijn verwarde gevoelens en deden
een nieuw begrip tot hem doordringen. Een snelle en woeste ingeving
had hem Mc Taggart doen aanvliegen, toen deze zijn hand op het hoofd
van de Wilg had gelegd. Het was geen verstand geweest. Het was een
teruggaan tot het oudste verleden van den hond, tot op dien dag, lang
geleden, toen Kazan, zijn vader, om soortgelijke redenen, een bruut van
een man gedood had in een tent. Het was het stille verbond tusschen den
hond—_en de vrouw_. En hier was weer de vrouw in het spel. Zij had
den grooten, verborgen hartstocht wakker geroepen, die in Baree was en
dien hij van Kazan geërfd had. Hij wist, dat hij dit schepseltje, dat
nu door de deur binnengetreden was, geen leed mocht doen. Hij beefde,
toen zij opnieuw bij hem neerknielde en, door de lange reeks van jaren,
overheerschte Kazan's bloed, zijn wolvennatuur onderdrukkend, zijn
woesten aard en—met zijn kop plat op den grond, jankte hij zachtjes
_en kwispelstaartte_.
Nepeese gaf een kreet van vreugde.
„Baree!” fluisterde zij, zijn kop tusschen haar twee handen nemend.
„Baree!”—
Haar aanraking deed hem rillen. Zijn lichaam schokte en zij voelde de
siddering en het bracht een dieperen glans in haar oogen. Zacht streelde
haar hand zijn kop en rug. Het scheen Nepeese toe, dat hij geen adem
haalde. Onder deze liefkoozing sloot hij zijn oogen. Het volgende
oogenblik praatte zij tegen hem en op den klank van haar stem sprongen
zijn oogen open.
„Hij zal hier komen—die ellendeling!—en hij zal ons willen
vermoorden,” zeide zij. „Hij zal jou doodmaken, omdat je hem gebeten
hebt, Baree! Oef! Ik wilde, dat je grooter en sterker was, dan kon je
zijn hoofd voor me afbijten!”
Nepeese was bezig, ingehouden lachend, den leeren riem los te maken van
den tafelpoot. Zij was niet bang. Het was een geweldig avontuur—en
zij sidderde van opwinding bij het denkbeeld, dat monster van een man
verslagen te hebben, op haar eigen manier. Zij zag hem weer in den poel,
worstelend en spartelend als een groote visch. Hij zou op het oogenblik
zeker bezig zijn, naar boven te klauteren in de kloof—en zij lachte
opnieuw, terwijl zij Baree onder haar arm opnam.
„O—Oopi—Nao—wat ben je zwaar!” hijgde zij. „En toch moet ik je wel
dragen, want we moeten hollen!”
Zij haastte zich naar buiten. Pierrot was nog niet teruggekomen en zij
sprong snel tusschen de balsemstruiken aan den achterkant van de hut,
met Baree in haar arm gekneld, die wel een volle zak leek, in het midden
met een touw dichtgebonden. Zoo zou hij zich hebben uitgedrukt, als hij
had kunnen praten. Maar hij voelde toch geen neiging om zich los te
wringen. Nepeese snelde zoo met hem voort, tot haar arm pijn deed. Toen
bleef zij stilstaan en zette hem neer, stevig den riem vasthoudend, die
om zijn nek gebonden was. Zij was voorbereid op een grooten ruk, waarmee
hij zijn vrijheid zou trachten te herwinnen. Zij verwachtte, dat hij een
poging daartoe zou doen en bleef naar hem kijken, terwijl Baree, voor
het eerst weer buiten, om zich heen keek. En toen begon de Wilg zachtjes
tot hem te spreken.
„Je gaat me niet wegloopen, Baree. Neen, je blijft bij mij en wij zullen
dat beest van een man vermoorden, als hij me nog eens durft aandoen,
wat hij vandaag gedaan heeft. Bah!” Zij wierp het losse haar naar
achteren, van haar gloeiend gelaat, en voor een oogenblik vergat zij
Baree, terwijl zij zich die halve minuut aan den rand van de kloof weer
voor den geest haalde. „Neen, je mag niet wegloopen—je moet me volgen,”
fluisterde zij. „Kom!”
De riem snoerde zich vaster om Baree's nek, terwijl zij hem dwong, haar
te volgen. Hij voelde zich, alsof hij opnieuw in den konijnenstrik
gevangen zat en hij zette zich schrap en liet heel even zijn tanden
zien. De Wilg trok niet aan. Zonder vrees legde zij haar hand opnieuw op
zijn kop. In de richting van de hut hoorde zij iemand roepen en op het
geluid hiervan nam zij Baree weer op onder haar arm.
„_Bête noire!—Bête noire!_” riep zij minachtend, maar zoo zacht, dat
het maar over een kleinen afstand te hooren was. „Ga terug naar Lac
Bain—Owases—jij wild beest!” Zij baande zich snel een weg door het
bosch. Het werd dichter en donkerder en er waren geen paden meer.
Drie maal in het volgende half uur bleef zij stilstaan, om Baree neer
te zetten en haar arm rust te geven. Elken keer trachtte zij hem
liefkoozend over te halen, haar te volgen. Den tweeden en derden keer
wiegelde Baree zich kwispelend heen en weer, maar verder dan deze uiting
van zijn voldoening over den keer, dien de zaken genomen hadden, wilde
hij niet gaan. Wanneer de riem zich vernauwde om zijn nek, zette hij
zich schrap, en gromde hij en beet woedend naar den riem. Dus ging
Nepeese er mee voort hem te dragen. Eindelijk kwamen zij aan een open
plek. Het was een kleine weide in het hartje van het bosch, niet meer
dan drie- of viermaal zoo groot als de hut; het gras vormde hier een
groen, zacht tapijt en was bezaaid met bloemen. Dwars door deze oase
vloeide een stroompje, waar de Wilg overheen sprong met Baree onder haar
arm en aan den anderen oever van dit beekje stond een kleine tepee,
vervaardigd van versch-afgesneden balsem- en dennetakken.
Baree drong zich tegen den muur van de tepee aan en keek nauwlettend
toe bij wat er nadien gebeurde. Geen beweging van de Wilg ontging hem.
Zij straalde van geluk. Zij wierp haar armen in de lucht en haar lach,
welluidend als een vogeltriller, deed Baree verlangen, met haar mee in
het rond te springen tusschen de bloemen. Een tijdlang scheen Nepeese
hem te vergeten. Haar wild bloed golfde onstuimig van vreugde over de
overwinning op den agent van Lac Bain. Zij zag hem weer in den poel
spartelen; stelde zich hem nu voor in de hut, doorweekt en woedend,
vragend aan „Mon Père”, waar zij naar toe was gegaan. En „Mon Père”
zou hem schouderophalend antwoorden, dat hij het niet wist, dat zij
waarschijnlijk het bosch ingeloopen was. Het kwam niet in haar hoofd op,
dat zij, door Mc Taggart deze poets te bakken, met dynamiet speelde. Zij
voorzag niet het gevaar, dat, had zij het begrepen, in een oogwenk den
blos van haar wangen zou hebben weggevaagd en het bloed in haar aderen
doen stollen—; zij giste niet, dat Mc Taggart nu een doodelijker
bedreiging voor haar geworden was dan alle wolven uit het bosch tezamen.
Want de agent had haar in zijn armen gehad, hij had haar hart tegen het
zijne voelen kloppen, de warme zachtheid van haar lippen en gelaat, de
zijden streeling van heur haar—en dit had de hitte van zijn verlangen
opgevoerd tot het kookpunt. Nepeese wist, dat hij boos was. Maar wat
had zij te vreezen? „Mon Père” zou ook boos zijn, als zij hem vertelde,
wat er aan den rand van de kloof gebeurd was. Maar zij zou het hem niet
vertellen. Hij zou hem anders best kunnen vermoorden. Een handelsagent
was een persoon van gewicht. Maar Pierrot, haar vader, was nog
machtiger. Zij had in hem een onbegrensd vertrouwen, dat zij van haar
moeder geërfd had. Op het oogenblik zou zij hem zeker terug sturen naar
Lac Bain, zeggende, dat hij daar zijn eigen zaken maar moest behartigen.
Maar zij wilde niet naar de hut teruggaan, om zelf te kijken. Zij zou
hier wachten. „Mon Père” zou wel begrijpen en hij wist, waar hij haar
vinden kon, wanneer Mc Taggart weg was. Maar het zou zoo grappig zijn,
hem stokjes na te werpen!
Na een poosje keerde zij naar Baree terug. Zij bracht hem water en gaf
hem een stukje rauwe visch. Urenlang waren zij alleen en met de uren
groeide het verlangen bij Baree aan, het meisje te volgen bij elke
beweging die zij maakte, naar haar toe te kruipen op de plek waar zij
zat, haar japon, haar hand aan te raken—en haar stem te hooren. Maar
hij toonde dit verlangen niet. Hij was nog een wild beest, half wolf,
half hond en hij bleef stil liggen. Met Umisk zou hij gespeeld hebben.
Met Oohoomisew zou hij gevochten hebben. Aan Bush Mc Taggart zou hij
zijn slagtanden getoond hebben en ze diep in zijn vleesch begraven
hebben, als hij er de kans toe kreeg. Maar met het meisje was het iets
anders. Hij was begonnen haar te vereeren. Als de Wilg hem losgemaakt
had, zou hij niet weggeloopen zijn. Als zij hem verlaten had, zou hij
haar gevolgd zijn—op een afstand. Zijn oogen weken nooit van haar af.
Hij keek toe, terwijl zij een klein houtvuurtje begon te bouwen en een
stuk visch kookte. Hij keek naar haar, terwijl zij haar middagmaal
gebruikte. Het was al heel laat in den middag, toen zij dicht bij
hem kwam zitten, met haar schoot vol bloemen, die zij tusschen haar
glanzende vlechten begon te steken. Toen begon zij Baree speelsch met de
punt van een dier vlechten te slaan. Hij schrok terug onder die zachte
aanraking en Nepeese, met dat zachte keellachje, trok zijn kop in haar
schoot, waar de bloemenafval lag. Zij praatte tegen hem. Haar hand
streelde zijn kop. Toen bleef deze stil liggen, zóó dicht bij hem, dat
hij zijn warme, roode tong wel had willen uitsteken en haar liefkoozen.
Hij ademde den bloemengeur in en lag doodstil. Het was een heerlijk
oogenblik. Nepeese, die op hem neerkeek, zag hem onbeweeglijk liggen.
Zij werden gestoord. Het was een droge stok, die knapte. Pierrot was
door het bosch komen aansluipen, geruischloos als een kat, en toen zij
opkeek, stond hij aan den rand van de open plek. Baree wist, dat het
niet Mc Taggart was. Maar het was toch een man-dier! Oogenblikkelijk
verstrakte zijn lichaam onder de hand van de Wilg. Hij trok zich
langzaam en voorzichtig terug van haar schoot en toen Pierrot naar voren
kwam, gromde hij. Dadelijk was Nepeese opgesprongen en naar Pierrot
toegesneld. De uitdrukking op zijn gelaat joeg haar schrik aan.
„Wat is er gebeurd, mon père?” riep zij.
Pierrot haalde zijn schouders op.
„Niets, Nepeese—behalve dat je duizend duivels hebt opgeroepen in het
hart van den agent van Lac Bain, en dat—”
Hij zweeg toen hij Baree zag en wees naar hem.
„Vannacht, toen M'sieu de agent hem in zijn strik gevangen heeft, heeft
hij in M'sieu's hand gebeten. M'sieu's hand is zoo opgezwollen, dat zij
nu tweemaal zoo dik is als anders, ik kan zien, dat zijn bloed zwart
wordt. Het is _pechipoo_.”
„_Pechipoo!_” hijgde Nepeese.
Zij keek Pierrot in de oogen. Zij waren donker en er lag een sombere
gloed in—van opwinding, dacht zij.
„Ja, het is bloedvergiftiging,” vervolgde Pierrot. Hij knikte en wierp
haar over zijn schouder een loozen blik toe. „Ik heb de medicijn
weggestopt en hem gezegd, dat hij zoo gauw mogelijk naar Lac Bain
terug moest gaan. En hij is bang—die duivel! Hij wacht nog steeds.
Terwijl die hand zwart wordt, is hij nog bang om alleen terug te reizen
en dus ga ik met hem mee. En—luister eens, Nepeese. Wij zullen bij
zonsondergang vertrekken en er is iets, wat je weten moet, voor ik
wegga.”
Baree zag hen daar, vlak bij elkander, in de schaduwen, die de
hooge sparren afwierpen. Hij hoorde het zachte gemurmel van hun
stemmen—voornamelijk die van Pierrot—en ten laatste zag hij hoe
Nepeese haar beide armen om den hals van haar vader sloeg en Pierrot
weer wegging door het bosch. Baree dacht, dat de Wilg daarna nooit weer
zijn kant uit zou zien. Langen tijd bleef zij staren in de richting,
waarin Pierrot verdwenen was. En toen zij eindelijk bij hem terugkwam,
geleek zij in 't geheel niet meer op de Nepeese, die zich bloemen in
het haar had gestoken. De lach was van haar gelaat en uit haar oogen
verdwenen. Zij knielde naast hem neer en nam met plotselinge heftigheid
zijn kop tusschen haar handen.
„Het is _pechipoo_, Baree,” fluisterde zij. „Jij bent het
geweest—jij—die dat vergif in zijn bloed gebracht hebt—en ik hoop,
dat hij eraan sterven zal! Want ik ben bang—bang!”
Zij huiverde.
Misschien deed in dit oogenblik de Groote Geest der dingen Baree
begrijpen—dat zijn dag thans gekomen was, dat de zon voor hem in 't
vervolg niet aan den hemel stond, maar verpersoonlijkt werd door dit
meisje, wier hand op zijn kop rustte. Hij jankte zachtjes en voetje voor
voetje kroop hij dichter naar haar toe, totdat eindelijk zijn kop weer
in haar schoot rustte.