XIII.

De verlokking der Vrouw.

Op een open plek staande, had Pierrot gezien wat er gebeurd was en hij

hijgde naar adem. Hij trok zich terug tusschen de balsemstruiken. Dit

was geen geschikt oogenblik om zich te vertoonen. Zijn hart klopte als

met hamerslagen, maar zijn gelaat straalde van vreugde.

Op haar handen en knieën gebogen, tuurde de Wilg over den rand van de

kloof. Bush Mc Taggart was verdwenen. Hij was weggezonken als een groot

blok hout en het water van den poel had zich boven zijn hoofd gesloten

met een plonsend geluid, dat wel een uiting van triomf leek. Hij kwam

nu weer boven en begon met armen en beenen te slaan, om zich drijvend

te houden, terwijl de stem van de Wilg in schampere kreten tot hem

doordrong.

„_Bête noire! Bête noire!_—Beest!—Beest!—”

Zij wierp driftig kleine stokjes en kluitjes aarde op hem en opkijkend,

nadat hij zijn evenwicht had herkregen, zag Mc Taggart haar zóo ver

over den rand leunen, dat zij bijna leek te vallen. Haar lange vlechten

glansden in de zon, haar oogen lachten en terwijl haar lippen hem

uittartten, zag hij het blikkeren van haar witte tanden.

„_Beest! Beest!_”

Hij begon te zwemmen, steeds naar haar opkijkend. Op honderd meter

afstand stroomde het water over een leisteenbodem en zou hij aan land

kunnen klimmen en een heel eind liep zij met hem mee, lachend en

schimpend, terwijl zij takjes en kiezelsteentjes naar hem mikte. Hij

merkte op, dat geen van deze stokjes en steentjes groot genoeg waren om

hem pijn te doen. Toen hij eindelijk zijn voet op vasten bodem zette,

was zij verdwenen.

Snel liep Nepeese terug langs het paadje en bijna in Pierrot's armen.

Zij hijgde en lachte toen zij een oogenblik stilhield.

„Ik heb hem het antwoord gegeven, Nootawe! Hij is in den poel!”

Zij verdween als een vogeltje tusschen de balsemstruiken. Pierrot deed

geen poging, haar terug te houden of te volgen.

„Tonnerre de Dieu!” grinnikte hij—en ging juist den tegenovergestelden

kant op.

Nepeese was buiten adem, toen zij de hut bereikte. Baree, die met

een leeren riem aan een tafelpoot vastgebonden lag, hoorde haar een

oogenblik bij de deur stilstaan.

Toen trad zij binnen en kwam regelrecht op hem toe. Gedurende het halve

uur van haar afwezigheid had Baree zich ternauwernood bewogen. Dat halve

uur en de weinige minuten, die er aan vooraf waren gegaan, hadden een

ontzaglijken indruk op hem gemaakt. Natuur, erfelijkheid en instinkt

waren aan het werk, brachten orde in zijn verwarde gevoelens en deden

een nieuw begrip tot hem doordringen. Een snelle en woeste ingeving

had hem Mc Taggart doen aanvliegen, toen deze zijn hand op het hoofd

van de Wilg had gelegd. Het was geen verstand geweest. Het was een

teruggaan tot het oudste verleden van den hond, tot op dien dag, lang

geleden, toen Kazan, zijn vader, om soortgelijke redenen, een bruut van

een man gedood had in een tent. Het was het stille verbond tusschen den

hond—_en de vrouw_. En hier was weer de vrouw in het spel. Zij had

den grooten, verborgen hartstocht wakker geroepen, die in Baree was en

dien hij van Kazan geërfd had. Hij wist, dat hij dit schepseltje, dat

nu door de deur binnengetreden was, geen leed mocht doen. Hij beefde,

toen zij opnieuw bij hem neerknielde en, door de lange reeks van jaren,

overheerschte Kazan's bloed, zijn wolvennatuur onderdrukkend, zijn

woesten aard en—met zijn kop plat op den grond, jankte hij zachtjes

_en kwispelstaartte_.

Nepeese gaf een kreet van vreugde.

„Baree!” fluisterde zij, zijn kop tusschen haar twee handen nemend.

„Baree!”—

Haar aanraking deed hem rillen. Zijn lichaam schokte en zij voelde de

siddering en het bracht een dieperen glans in haar oogen. Zacht streelde

haar hand zijn kop en rug. Het scheen Nepeese toe, dat hij geen adem

haalde. Onder deze liefkoozing sloot hij zijn oogen. Het volgende

oogenblik praatte zij tegen hem en op den klank van haar stem sprongen

zijn oogen open.

„Hij zal hier komen—die ellendeling!—en hij zal ons willen

vermoorden,” zeide zij. „Hij zal jou doodmaken, omdat je hem gebeten

hebt, Baree! Oef! Ik wilde, dat je grooter en sterker was, dan kon je

zijn hoofd voor me afbijten!”

Nepeese was bezig, ingehouden lachend, den leeren riem los te maken van

den tafelpoot. Zij was niet bang. Het was een geweldig avontuur—en

zij sidderde van opwinding bij het denkbeeld, dat monster van een man

verslagen te hebben, op haar eigen manier. Zij zag hem weer in den poel,

worstelend en spartelend als een groote visch. Hij zou op het oogenblik

zeker bezig zijn, naar boven te klauteren in de kloof—en zij lachte

opnieuw, terwijl zij Baree onder haar arm opnam.

„O—Oopi—Nao—wat ben je zwaar!” hijgde zij. „En toch moet ik je wel

dragen, want we moeten hollen!”

Zij haastte zich naar buiten. Pierrot was nog niet teruggekomen en zij

sprong snel tusschen de balsemstruiken aan den achterkant van de hut,

met Baree in haar arm gekneld, die wel een volle zak leek, in het midden

met een touw dichtgebonden. Zoo zou hij zich hebben uitgedrukt, als hij

had kunnen praten. Maar hij voelde toch geen neiging om zich los te

wringen. Nepeese snelde zoo met hem voort, tot haar arm pijn deed. Toen

bleef zij stilstaan en zette hem neer, stevig den riem vasthoudend, die

om zijn nek gebonden was. Zij was voorbereid op een grooten ruk, waarmee

hij zijn vrijheid zou trachten te herwinnen. Zij verwachtte, dat hij een

poging daartoe zou doen en bleef naar hem kijken, terwijl Baree, voor

het eerst weer buiten, om zich heen keek. En toen begon de Wilg zachtjes

tot hem te spreken.

„Je gaat me niet wegloopen, Baree. Neen, je blijft bij mij en wij zullen

dat beest van een man vermoorden, als hij me nog eens durft aandoen,

wat hij vandaag gedaan heeft. Bah!” Zij wierp het losse haar naar

achteren, van haar gloeiend gelaat, en voor een oogenblik vergat zij

Baree, terwijl zij zich die halve minuut aan den rand van de kloof weer

voor den geest haalde. „Neen, je mag niet wegloopen—je moet me volgen,”

fluisterde zij. „Kom!”

De riem snoerde zich vaster om Baree's nek, terwijl zij hem dwong, haar

te volgen. Hij voelde zich, alsof hij opnieuw in den konijnenstrik

gevangen zat en hij zette zich schrap en liet heel even zijn tanden

zien. De Wilg trok niet aan. Zonder vrees legde zij haar hand opnieuw op

zijn kop. In de richting van de hut hoorde zij iemand roepen en op het

geluid hiervan nam zij Baree weer op onder haar arm.

„_Bête noire!—Bête noire!_” riep zij minachtend, maar zoo zacht, dat

het maar over een kleinen afstand te hooren was. „Ga terug naar Lac

Bain—Owases—jij wild beest!” Zij baande zich snel een weg door het

bosch. Het werd dichter en donkerder en er waren geen paden meer.

Drie maal in het volgende half uur bleef zij stilstaan, om Baree neer

te zetten en haar arm rust te geven. Elken keer trachtte zij hem

liefkoozend over te halen, haar te volgen. Den tweeden en derden keer

wiegelde Baree zich kwispelend heen en weer, maar verder dan deze uiting

van zijn voldoening over den keer, dien de zaken genomen hadden, wilde

hij niet gaan. Wanneer de riem zich vernauwde om zijn nek, zette hij

zich schrap, en gromde hij en beet woedend naar den riem. Dus ging

Nepeese er mee voort hem te dragen. Eindelijk kwamen zij aan een open

plek. Het was een kleine weide in het hartje van het bosch, niet meer

dan drie- of viermaal zoo groot als de hut; het gras vormde hier een

groen, zacht tapijt en was bezaaid met bloemen. Dwars door deze oase

vloeide een stroompje, waar de Wilg overheen sprong met Baree onder haar

arm en aan den anderen oever van dit beekje stond een kleine tepee,

vervaardigd van versch-afgesneden balsem- en dennetakken.

Baree drong zich tegen den muur van de tepee aan en keek nauwlettend

toe bij wat er nadien gebeurde. Geen beweging van de Wilg ontging hem.

Zij straalde van geluk. Zij wierp haar armen in de lucht en haar lach,

welluidend als een vogeltriller, deed Baree verlangen, met haar mee in

het rond te springen tusschen de bloemen. Een tijdlang scheen Nepeese

hem te vergeten. Haar wild bloed golfde onstuimig van vreugde over de

overwinning op den agent van Lac Bain. Zij zag hem weer in den poel

spartelen; stelde zich hem nu voor in de hut, doorweekt en woedend,

vragend aan „Mon Père”, waar zij naar toe was gegaan. En „Mon Père”

zou hem schouderophalend antwoorden, dat hij het niet wist, dat zij

waarschijnlijk het bosch ingeloopen was. Het kwam niet in haar hoofd op,

dat zij, door Mc Taggart deze poets te bakken, met dynamiet speelde. Zij

voorzag niet het gevaar, dat, had zij het begrepen, in een oogwenk den

blos van haar wangen zou hebben weggevaagd en het bloed in haar aderen

doen stollen—; zij giste niet, dat Mc Taggart nu een doodelijker

bedreiging voor haar geworden was dan alle wolven uit het bosch tezamen.

Want de agent had haar in zijn armen gehad, hij had haar hart tegen het

zijne voelen kloppen, de warme zachtheid van haar lippen en gelaat, de

zijden streeling van heur haar—en dit had de hitte van zijn verlangen

opgevoerd tot het kookpunt. Nepeese wist, dat hij boos was. Maar wat

had zij te vreezen? „Mon Père” zou ook boos zijn, als zij hem vertelde,

wat er aan den rand van de kloof gebeurd was. Maar zij zou het hem niet

vertellen. Hij zou hem anders best kunnen vermoorden. Een handelsagent

was een persoon van gewicht. Maar Pierrot, haar vader, was nog

machtiger. Zij had in hem een onbegrensd vertrouwen, dat zij van haar

moeder geërfd had. Op het oogenblik zou zij hem zeker terug sturen naar

Lac Bain, zeggende, dat hij daar zijn eigen zaken maar moest behartigen.

Maar zij wilde niet naar de hut teruggaan, om zelf te kijken. Zij zou

hier wachten. „Mon Père” zou wel begrijpen en hij wist, waar hij haar

vinden kon, wanneer Mc Taggart weg was. Maar het zou zoo grappig zijn,

hem stokjes na te werpen!

Na een poosje keerde zij naar Baree terug. Zij bracht hem water en gaf

hem een stukje rauwe visch. Urenlang waren zij alleen en met de uren

groeide het verlangen bij Baree aan, het meisje te volgen bij elke

beweging die zij maakte, naar haar toe te kruipen op de plek waar zij

zat, haar japon, haar hand aan te raken—en haar stem te hooren. Maar

hij toonde dit verlangen niet. Hij was nog een wild beest, half wolf,

half hond en hij bleef stil liggen. Met Umisk zou hij gespeeld hebben.

Met Oohoomisew zou hij gevochten hebben. Aan Bush Mc Taggart zou hij

zijn slagtanden getoond hebben en ze diep in zijn vleesch begraven

hebben, als hij er de kans toe kreeg. Maar met het meisje was het iets

anders. Hij was begonnen haar te vereeren. Als de Wilg hem losgemaakt

had, zou hij niet weggeloopen zijn. Als zij hem verlaten had, zou hij

haar gevolgd zijn—op een afstand. Zijn oogen weken nooit van haar af.

Hij keek toe, terwijl zij een klein houtvuurtje begon te bouwen en een

stuk visch kookte. Hij keek naar haar, terwijl zij haar middagmaal

gebruikte. Het was al heel laat in den middag, toen zij dicht bij

hem kwam zitten, met haar schoot vol bloemen, die zij tusschen haar

glanzende vlechten begon te steken. Toen begon zij Baree speelsch met de

punt van een dier vlechten te slaan. Hij schrok terug onder die zachte

aanraking en Nepeese, met dat zachte keellachje, trok zijn kop in haar

schoot, waar de bloemenafval lag. Zij praatte tegen hem. Haar hand

streelde zijn kop. Toen bleef deze stil liggen, zóó dicht bij hem, dat

hij zijn warme, roode tong wel had willen uitsteken en haar liefkoozen.

Hij ademde den bloemengeur in en lag doodstil. Het was een heerlijk

oogenblik. Nepeese, die op hem neerkeek, zag hem onbeweeglijk liggen.

Zij werden gestoord. Het was een droge stok, die knapte. Pierrot was

door het bosch komen aansluipen, geruischloos als een kat, en toen zij

opkeek, stond hij aan den rand van de open plek. Baree wist, dat het

niet Mc Taggart was. Maar het was toch een man-dier! Oogenblikkelijk

verstrakte zijn lichaam onder de hand van de Wilg. Hij trok zich

langzaam en voorzichtig terug van haar schoot en toen Pierrot naar voren

kwam, gromde hij. Dadelijk was Nepeese opgesprongen en naar Pierrot

toegesneld. De uitdrukking op zijn gelaat joeg haar schrik aan.

„Wat is er gebeurd, mon père?” riep zij.

Pierrot haalde zijn schouders op.

„Niets, Nepeese—behalve dat je duizend duivels hebt opgeroepen in het

hart van den agent van Lac Bain, en dat—”

Hij zweeg toen hij Baree zag en wees naar hem.

„Vannacht, toen M'sieu de agent hem in zijn strik gevangen heeft, heeft

hij in M'sieu's hand gebeten. M'sieu's hand is zoo opgezwollen, dat zij

nu tweemaal zoo dik is als anders, ik kan zien, dat zijn bloed zwart

wordt. Het is _pechipoo_.”

„_Pechipoo!_” hijgde Nepeese.

Zij keek Pierrot in de oogen. Zij waren donker en er lag een sombere

gloed in—van opwinding, dacht zij.

„Ja, het is bloedvergiftiging,” vervolgde Pierrot. Hij knikte en wierp

haar over zijn schouder een loozen blik toe. „Ik heb de medicijn

weggestopt en hem gezegd, dat hij zoo gauw mogelijk naar Lac Bain

terug moest gaan. En hij is bang—die duivel! Hij wacht nog steeds.

Terwijl die hand zwart wordt, is hij nog bang om alleen terug te reizen

en dus ga ik met hem mee. En—luister eens, Nepeese. Wij zullen bij

zonsondergang vertrekken en er is iets, wat je weten moet, voor ik

wegga.”

Baree zag hen daar, vlak bij elkander, in de schaduwen, die de

hooge sparren afwierpen. Hij hoorde het zachte gemurmel van hun

stemmen—voornamelijk die van Pierrot—en ten laatste zag hij hoe

Nepeese haar beide armen om den hals van haar vader sloeg en Pierrot

weer wegging door het bosch. Baree dacht, dat de Wilg daarna nooit weer

zijn kant uit zou zien. Langen tijd bleef zij staren in de richting,

waarin Pierrot verdwenen was. En toen zij eindelijk bij hem terugkwam,

geleek zij in 't geheel niet meer op de Nepeese, die zich bloemen in

het haar had gestoken. De lach was van haar gelaat en uit haar oogen

verdwenen. Zij knielde naast hem neer en nam met plotselinge heftigheid

zijn kop tusschen haar handen.

„Het is _pechipoo_, Baree,” fluisterde zij. „Jij bent het

geweest—jij—die dat vergif in zijn bloed gebracht hebt—en ik hoop,

dat hij eraan sterven zal! Want ik ben bang—bang!”

Zij huiverde.

Misschien deed in dit oogenblik de Groote Geest der dingen Baree

begrijpen—dat zijn dag thans gekomen was, dat de zon voor hem in 't

vervolg niet aan den hemel stond, maar verpersoonlijkt werd door dit

meisje, wier hand op zijn kop rustte. Hij jankte zachtjes en voetje voor

voetje kroop hij dichter naar haar toe, totdat eindelijk zijn kop weer

in haar schoot rustte.

De zoon van Kazan · 第 17 / 34 题