De dochter van den storm.
Langen tijd bewoog Nepeese zich niet. Zij bleef stil zitten, op dat open
plekje in het bosch, haar schoot vol bloemen, terwijl Baree's oogen met
ware hondentrouw op haar gelaat gericht bleven.
Enkel en alleen door de macht van haar zachtheid en teederheid en haar
vertrouwen in hem had zij Baree voor zich gewonnen. Hij vereerde haar nu
als een slaaf. Hij was bereid, zich ten allen tijde te voegen naar haar
wil.
Toen zij opkeek, stapelden zich zwarte wolken langzaam op boven de
sparretoppen. De duisternis viel in. In het gefluister van den wind en
de doodsche stilte van de verdichtende schemering sprak het opkomen van
onweer. Vanavond zou er geen zonsondergang te zien zijn. Men zou niet
bij het licht der schemering de paden kunnen volgen; er zouden geen maan
en geen sterren schijnen; en indien Pierrot en de agent van Lac Bain
al niet vertrokken waren, zouden zij zich zeker niet op weg begeven te
midden van den zwarten nacht, die spoedig over het land gespreid zou
liggen. Nepeese huiverde en stond op. Voor het eerst stond Baree ook op
en stelde zich aan haar zijde. Boven hen sneed een bliksemstraal als een
mes van vuur door de wolken, oogenblikkelijk gevolgd door een geweldigen
donderslag. Baree kromp ineen alsof men hem een slag toegebracht had.
Hij had wel een schuilplaats willen zoeken onder de tepee, maar toen
hij naar de Wilg keek, had zij iets over zich, dat hem vertrouwen
inboezemde. De donder dreunde opnieuw. Maar hij ging niet op de vlucht.
Zijn oogen bleven op haar gericht.
Zij stond daar, tenger en recht, in de toenemende duisternis, die door
het hemelvuur gespleten werd, het mooie hoofd in den nek geworpen,
de lippen geopend, de oogen gloeiend van begeerige verwachting—als
een gebeeldhouwde godin, die met ingehouden adem de aanstormende
hemelkrachten verwelkomt. Misschien kwam dit, omdat zij geboren was
in een nacht van noodweer. Meermalen hadden Pierrot en haar gestorven
moeder haar dit verteld—dat zij ter wereld gekomen was op een nacht,
toen storm en onweer de wereld tot een hel maakten, toen de rivieren
buiten haar oevers getreden en de boomen bij duizenden gevallen waren
en het kletteren van den regen op het dak van hun hut haar moeders
smartkreten en haar eigen eerste geschreeuw overstemd had. In dien nacht
was de Geest van den Storm zeker in haar geboren. Zij hield er van, er
naar te kijken, zooals zij het thans deed. Het deed haar alles vergeten
buiten de ontzaglijke macht der natuur; haar natuur-ziel sidderde bij
dit geweld en dikwijls had zij haar bloote armen omhoog geheven en
gelachen van blijdschap als het noodweer boven haar hoofd losbarstte.
Ook nu zou zij in de vlakte zijn blijven staan tot de regen begon te
vallen, wanneer een janken van Baree haar niet had doen omzien. Toen de
eerste dikke droppels als looden kogeltjes begonnen neer te vallen, ging
zij met hem in den schuilhoek van balsemtakken.
Nog eens tevoren had Baree een dergelijken nacht meegemaakt—dien
nacht, toen hij zich verborgen had onder een boomwortel en een boom
zag splijten door het weerlicht; maar nu had hij gezelschap, en de
zachte druk van Nepeese's hand op zijn kop en nek vervulden hem met een
zonderlingen moed. Hij gromde zachtjes tegen het lawaai van den donder.
Hij wilde naar het weerlicht bijten om _haar_ te beschermen. Nepeese
voelde zijn lichaam verstijven onder haar hand en eens, toen het een
oogenblik stil werd, hoorde zij zijn tanden zenuwachtig op elkaar slaan.
Toen begon de regen te vallen. Hij was niet als andere regens, die hij
had meegemaakt. Het was een overstrooming, neerploffend uit pikzwarte
lucht. Binnen vijf minuten was het takkenhutje totaal doorweekt, na een
half uur was Nepeese tot op haar huid toe nat. Het water liep in beekjes
langs haar rug en borst, het sijpelde uit haar vlechten, droppelde van
haar wimpers en de deken, waarop zij zat, leek wel een natte dweil.
Baree voelde zich bijna even ellendig als na zijn bad, volgend op het
gevecht met Papayuchisew en rolde zich hoe langer hoe meer in elkaar
onder den beschuttenden arm van de Wilg. Het scheen eindeloos te duren
voor de donder naar het Oosten wegrolde en het licht begon weg te
sterven tot het zoo nu en dan nog maar in de verte opflikkerde. Zelfs
daarna bleef de regen nog wel een uur lang vallen. Toen hield hij op,
even plotseling als hij begonnen was. Lachend en hijgend sprong Nepeese
op. Het water klokte in haar mocassins toen zij naar buiten liep. Zij
lette niet op Baree—en hij volgde haar. Door de opening tusschen de
boomtoppen zag zij de laatste donkere wolken wegdrijven. Er glinsterde
een ster. Daarna nog een en de Wilg bleef naar den hemel kijken tot er
zooveel waren, dat zij ze niet meer tellen kon. Het was nu niet donker
meer. Een verrukkelijke sterrenlucht overstroomde den hemel na de
inktzwarte duisternis van den storm.
Nepeese keek weer neer en zag Baree. Hij stond volkomen los, met de
vrijheid aan alle kanten om zich heen. Toch liep hij niet weg. Hij
wachtte, zoo nat als een waterrat, met zijn oogen op haar gericht.
Nepeese maakte een beweging naar hem toe en aarzelde.
„Neen, je zult niet wegloopen, Baree. Ik wil je los laten. En nu moeten
we een vuur gaan aanleggen!”
Een vuur! Iedereen, met uitzondering van Pierrot, zou gezegd hebben, dat
zij krankzinnig was. Geen stam of twijg in het bosch, die niet droop van
het nat! Zij konden het water aan alle kanten hooren neervallen.
„Een vuur,” zeide zij weer. „Laten we wat _wuskwi_ gaan zoeken, Baree.”
Met haar druipnatte kleeren aan haar lichaam klevend, geleek zij wel
een tengere schaduw, zooals zij de doorweekte open plek overstak en
zich tusschen de boomen begaf. Baree volgde haar nog steeds. Zij ging
regelrecht naar een berk, dien zij dien dag in de buurt ontdekt had,
en begon de losse schors af te trekken. Een armvol van dezen berkebast
droeg zij tot dicht bij de tepee en daar bovenop hoopte zij lading na
lading nat hout, tot zij een hoogen stapel had. Uit een flesch, die in
de tepee stond, haalde zij een drogen lucifer en bij de eerste aanraking
met het kleine vlammetje daarvan laaide de berkebast op als papier,
gedrenkt in olie. Een half uur later zou men het vuur van de Wilg—zoo
het niet door het omringende bosch verborgen was geweest—in de hut op
een mijl afstands hebben kunnen zien. Zij staakte haar houtopgooien
pas, toen de vlammen twaalf voet in de lucht reikten. Toen dreef zij
stokken den grond in en spreidde over deze stokken de deken uit, om haar
te laten drogen. Daarna begon zij zich te ontkleeden.
Naakt stond zij in den rooden gloed van het vuur. Zij was wonderbaar
slank en blank—schoon als een zeenimf, die, om een oogenblik adem te
scheppen, uit de groene golven van den oceaan was komen opduiken, en
een tijd lang bleef zij staan, het hoofd achterover gebogen en met
uitgestrekte armen, alsof daar hoog tusschen de sterren een of andere
geest huisde, dien zij toewenkte, zwijgend. En toen, terwijl Baree
naar haar keek en de warmte van het vuur kleine stoomwolkjes uit haar
kleeren deed trekken, begon zij haar doornatte vlechten los te maken.
Zij vormden een prachtig gewaad van schitterend git om haar lichaam en
bedekten haar tot de knieën, behalve dat er soms een glimp van haar
armen en borst te zien kwam, wanneer zij het rondom zich schudde,
opdat het gauwer drogen zou. De regen had de lucht afgekoeld en de
verkwikking daarvan, vermengd met den zoeten geur van balsemstruiken en
sparren, deed het bloed van de Wilg dansen in haar aderen. Zij vergat
de ongemakken van den stortregen. Zij vergat den agent van Lac Bain en
wat haar vader haar over hem verteld had. Alles bijeengenomen, zij was
als een vrije vogel uit de bosschen, met mooie bloemen onder haar bloote
voeten; en in de heerlijkheid van de uren, die nu volgden, kon zij niets
zien en aan niets denken, dat haar zou kunnen schaden. Zij danste om
Baree heen, en schudde haar zee van haren, waardoor haar naakte lichaam
heenglansde, haar oogen schitterden, haar lippen lachten in uitzinnige
blijdschap—de blijdschap, te leven, de geuren van het bosch in haar
longen te kunnen drinken, de sterren en den prachtigen hemel boven zich
te zien. Zij bleef voor Baree stilstaan en riep lachend, terwijl zij de
armen uitstrekte:
„Heisa, Baree—als jij eens zoo gemakkelijk je huid af kon gooien als ik
het mijn kleeren doe!”
Zij haalde diep adem en haar oogen straalden door een nieuwe ingeving.
Langzaam vormde zij haar mond tot een roode, ronde O en zich nog meer
naar Baree toebuigend fluisterde zij:
„Het zal diep zijn—en heerlijk—vanavond. _Ninga_—ja, we zullen gaan!”
Zij riep hem zachtjes, terwijl zij in haar natte mocassins slipte en
het beekje volgde, het bosch in. Een honderd meter van de open plek af
bereikte zij een poel. Hij was diep en boordevol, dezen avond driemaal
zoo vol als hij vóór het noodweer geweest was. Zij kon het murmelen van
het inloopende water hooren. In zijn woelige oppervlakte weerspiegelden
zich de sterren. Een paar oogenblikken stond zij op een rots te
overwegen, met de koele diepte een paar meter beneden zich. Toen wierp
zij heur haar naar achteren en schoot als een slanke witte pijl door het
sterrenlicht naar beneden. Baree zag haar gaan. Hij hoorde den plons van
haar lichaam. Een half uur lang lag hij aan den rand van den poel naar
haar te kijken. Soms was zij vlak onder hem en dreef geluidloos voort,
terwijl heur haren een wolk vormden donkerder dan het water rondom haar,
dan doorkliefde zij de oppervlakte bijna zoo snel als hij dat van de
otters gezien had, en dan dook zij plotseling naar beneden en verdween,
zoodat Baree's hart sneller begon te kloppen, terwijl hij wachtte tot
zij terug zou komen. Eens bleef zij geruimen tijd onder water. Toen
jankte hij. Hij wist, dat zij geen familie was van den bever of van den
otter en hij was ontzaglijk opgelucht toen zij weer boven kwam.
Op deze wijze ging hun eerste nacht tezamen voorbij—de storm, die
koele, diepe poel, het groote vuur, en later, toen de kleeren van de
Wilg en de deken gedroogd waren, een paar uur slaap. Bij zonsopgang
keerden zij terug naar de hut. Zij slopen voorzichtig er naar toe. Er
kwam geen rook uit den schoorsteen. De deur was gesloten. Pierrot en
Bush Mc Taggart waren vertrokken.