XII.

Mc Taggart ontvangt zijn antwoord.

Achter het venster, haar gelaat verborgen door de plooien der gordijnen,

die zij er zelf voor gemaakt had, zag de Wilg, wat er buiten gebeurde.

Nu glimlachte zij niet. Haar adem ging snel en zij rekte haar lichaam

uit; Bush Mc Taggart bleef stilstaan, een paar meter van haar venster

af en drukte Pierrot, haar vader, de hand. Zij hoorde Mc Taggart's ruwe

stem, zijn luidruchtige begroeting en zag hem Pierrot toonen wat hij

onder den arm droeg. Zij verstond duidelijk zijn verhaal, hoe hij het

dier gevangen had in een konijnenstrik. Toen wikkelde hij de deken los.

Nepeese uitte een kreet van verbazing. In een oogwenk stond zij buiten,

naast hen. Zij keek niet naar Mc Taggart—liet haar oogen geen sekonde

rusten op zijn rood gelaat, gloeiend van voldoening en opwinding.

„Het is Baree!” riep zij.

Zij nam het bundeltje uit Mc Taggart's arm en wendde zich tot Pierrot.

„Vertel hem, dat Baree van mij is,” zeide zij.

Zij haastte zich weer naar binnen. Mc Taggart keek haar na, verstomd van

verbazing. Toen keek hij naar Pierrot. Zelfs een halfblinde had kunnen

zien, dat deze even verbaasd was als hijzelf. Nepeese had niet tegen hem

gesproken, tegen hem, den agent van Lac Bain! Zij had zelfs niet naar

hem _gekeken_! En zij had den hond van hem afgenomen met even weinig

omslag, alsof hij een man van hout geweest was. Zijn gelaat werd hoe

langer hoe rooder, terwijl hij van Pierrot naar de deur keek, waardoor

zij verdwenen was en die zij achter zich gesloten had.

Op den vloer van de hut viel de Wilg op haar knieën en maakte de deken

heelemaal open. Zij was niet bang van Baree. Haar oogen lachten. Haar

lippen waren geopend. En toen, terwijl Baree als een in elkaar gekromd

hoopje over den grond rolde, zag zij, dat zijn oogen dicht zaten en dat

er geronnen bloed kleefde aan zijn kaken en het licht verdween van haar

gelaat even snel als wanneer de zon door een wolk verduisterd wordt.

„Baree,” riep zij zachtjes. „Baree, Baree!—”

Zij lichtte hem met beide handen van den grond. Baree's kop zakte

machteloos opzij. Zijn lichaam was zoo stijf, dat hij zich bijna niet

bewegen kon. Zijn pooten waren gevoelloos. Hij kon nauwelijks uit zijn

oogen kijken. Maar hij hoorde haar stem! Het was dezelfde stem, die

tot hem gekomen was, dien dag, dat hij gewond was; de stem, die hij

gehoord had, toen hij zich omstrikt had gevoeld door heur haren in de

kloof—dezelfde stem, die hem had willen overreden, onder het rotsblok

uit te komen! Zij deed hem beven. Zij scheen het trage bloed opnieuw op

te jagen door zijn aderen en hij opende zijn oogen wijder en zag weer

die prachtige sterren, die hem zoo zacht tegengeglansd hadden op den dag

van Wakayoo's dood. Een der lange vlechten van de Wilg viel over haar

schouder en hij snoof weer den geur van heur haar op, terwijl zij hem

streelde en tegen hem praatte.

Toen stond zij plotseling op en verliet hem en hij bewoog zich in 't

geheel niet, terwijl hij op haar wachtte. Zij was dadelijk weer terug

met een kom warm water en een doek. Zacht waschte zij hem het bloed

uit oogen en bek. En Baree verroerde zich nog steeds niet. Hij ademde

nauwelijks. Maar Nepeese zag, dat er huiveringen door zijn lichaam

schoten, terwijl haar hand hem aanraakte, als elektrische schokken.

„Hij heeft je met een knuppel geranseld,” prevelde zij, haar donkere

oogen vlak bij die van Baree. „Hij heeft je geslagen! Zoo'n beest!”

Zij werden gestoord. De deur ging open en Mc Taggart stond naar hen te

kijken, met een grijns op zijn roode tronie. Oogenblikkelijk liet Baree

blijken, dat er nog leven in hem zat. Hij sprong van onder Nepeese's

hand uit met een plotselingen snauw en keerde zich naar zijn vijand. Het

haar op zijn rug stond overeind als een borstel, zijn tanden glinsterden

dreigend en zijn oogen gloeiden als kolen vuur.

„Er zit iets duivelsch in hem,” zeide Mc Taggart. „Hij is woest—uit de

wolven geboren. Je moet voorzichtig zijn, of hij zal je hand afbijten,

_Ka Sakahet_!” Het was de eerste maal, dat hij haar dezen liefkoozenden

naam gaf, die in de Cree-taal „liefste” beteekent! Haar hart klopte

onstuimig. Zij boog een oogenblik het hoofd over de samengeklemde

handen, en Mc Taggart, die dit gebaar voor verlegenheid aanzag, legde

zijn hand liefkoozend op heur haar. Door de open deur had Pierrot het

woord verstaan en nu zag hij de streeling en hij hief de hand op, als om

een ontheiliging uit zijn gezicht te verbannen.

„_Mon Dieu!_” hijgde hij.

Het volgende oogenblik uitte hij een kreet van verbazing, die vermengd

werd met een gil van pijn, door den agent geuit. Snel als het weerlicht

was Baree naar voren gesprongen en had zijn tanden in Mc Taggart's been

geklemd. Zijn scherpe tanden beten diep in het vleesch, voor deze zich

door een geweldigen schop wist te bevrijden. Met een vloek trok hij zijn

revolver uit den bolster. De Wilg was hem echter voor. Zij sprong met

een lichten kreet op Baree toe en nam hem in haar armen. Toen zij naar

Mc Taggart opkeek, waren haar zachte hals en half ontbloote schouder

vlak bij Baree's slagtanden. Haar oogen bliksemden den agent tegen.

„U hebt hem geslagen!” riep zij. „Hij haat u—haat u!”

„Laat hem loopen!” schreeuwde Pierrot in doodsangst. „_Mon Dieu!_—hoor

je me niet!—laat hem los of hij zal je verscheuren!”

„Hij haat u—haat u—haat u!” herhaalde de Wilg nog steeds in het

gezicht van den verstelden Mc Taggart. Toen, plotseling, wendde zij zich

tot haar vader. „Neen, hij zal me niet verscheuren,” riep zij. „Kijk!

Het is Baree. Heb ik het u niet gezegd? Het is Baree! Is het niet het

beste bewijs, dat hij mij verdedigde—_tegen hem_!”

„Tegen mij?” hijgde Mc Taggart, terwijl zijn gelaat betrok.

Pierrot trad naar voren en legde zijn hand op Mc Taggart's arm. Hij

glimlachte.

„Laten we het hen maar tusschen hen beiden laten uitvechten, M'sieu,”

zeide hij. „Het zijn twee kleine heethoofden, die twee en wij zijn hier

niet veilig. Als zij gebeten wordt—”

Hij haalde de schouders op. Er was een groote last van hem afgewenteld.

Zijn stem was zacht en overredend. En nu was de boosheid geweken van

het gezichtje van de Wilg. Zij wierp Mc Taggart eerst een blik toe, vol

coquetterie en zij glimlachte even tegen hem, toen zij tegen haar vader

sprak.

„Ik kom dadelijk bij u, mon père,—bij u en M'sieu den agent van Lac

Bain!”

Er waren twee onmiskenbare kleine duiveltjes in haar oogen, dacht Mc

Taggart—duiveltjes, die hem vol toelachten, terwijl zij dit zeide, zij

zetten zijn hersens in brand en deden zijn bloed golven. Die oogen—vol

dansende heksen! Wat zou hij ze temmen en er mee spelen—nu al heel

spoedig! Hij volgde Pierrot, geheel onder de bekoring van deze vrouw,

die spoedig zijn eigendom zou zijn. In zijn opwinding voelde hij de pijn

van Baree's tanden niet meer.

„Ik zal u mijn nieuwe dog-cart laten zien, die ik in elkaar getimmerd

heb voor van den winter, M'sieu,” zeide Pierrot, terwijl hij de deur

achter hen sloot.

* * * * *

Een half uur later kwam Nepeese de hut in. Zij kon zien, dat Pierrot

en de agent over iets gepraat hadden, wat haar vader onaangenaam was.

Zijn gelaat stond strak. Zij ontdekte in zijn oogen een gloed, dien

hij trachtte te dooven, zooals men vlammen onder een deken smoort. Mc

Taggart's kaken waren op elkaar geklemd, maar zijn oogen flikkerden van

blijdschap, toen hij haar zag. Zij wist, waar het om ging. De agent van

Lac Bain had Pierrot's antwoord gevraagd en Pierrot had hem gezegd, op

haar aandringen—dat hij daarvoor bij _haar_ moest zijn! En nu zou hij

komen! Zij keerde zich om, terwijl haar hart sneller klopte en haastte

zich een klein paadje af. Zij hoorde Mc Taggart's stappen achter zich

en wierp hem over haar schouder een vluchtigen glimlach toe. Maar zij

klemde haar tanden op elkaar. Haar nagels waren in haar handpalmen

gedrukt.

Pierrot bleef onbewegelijk staan. Hij keek hoe zij verdwenen aan den

zoom van het bosch, Nepeese nog steeds eenige passen voor Mc Taggart

uit. Er steeg een zucht uit zijn borst op.

„Par les mille cornes du diable!” vloekte hij binnensmonds. „Is het

mogelijk, dat zij glimlacht, van harte glimlacht tegen dien ellendeling?

Neen! dat kan zij niet meenen. En toch, als het eens zoo was....”

Een van zijn bruine handen klemde zich krampachtig om het hoornen heft

van het mes, dat aan zijn gordel hing en langzaam begon hij hen te

volgen.

Mc Taggart maakte geen haast om Nepeese in te halen. Zij volgde een smal

paadje, dat tot diep in het bosch doorliep en daar was hij blij om. Zij

zouden alleen zijn—ver van Pierrot af. Hij bleef tien passen achter

haar en opnieuw glimlachte de Wilg tegen hem, over haar schouder. Zij

bewoog haar lichaam met snelle golvende bewegingen. Zij mat voortdurend

den afstand tusschen hen beiden, maar Mc Taggart giste niet, dat zij

daarom telkens zoo naar hem omkeek. Het was hem voldoende als zij maar

door bleef loopen. Toen zij van het smalle weggetje afweek en een

zijpad insloeg, dat nog ternauwernood gebaand was, sprong zijn hart op

van verwachting. Als zij zoo doorging, zou hij haar heel spoedig voor

zich alleen hebben—op geruimen afstand van de hut. Het bloed vloog hem

naar het gezicht. Hij zeide geen woord, uit vrees, dat zij zou blijven

stilstaan. Voor zich uit hoorde hij het gekabbel van water. Het was de

kreek, die door den afgrond stroomde.

Nepeese ging regelrecht op dit geluid af. Met een lachje zette zij het

op een holletje en toen zij aan den rand van den afgrond stond, was Mc

Taggart volle vijftig meter achtergebleven. Twintig voet recht onder

haar was een diepe poel tusschen de rotswanden, een poel, zoo diep, dat

zij wel blauwe inkt leek. Zij keerde haar gelaat naar den agent van Lac

Bain. Nooit had hij haar zoo volkomen een rood dier toegeschenen. Tot op

dit oogenblik was zij niet bang geweest. Maar nu—in een sekonde joeg

hij haar angst aan. Voor zij zeggen kon, wat zij zich had voorgenomen,

was hij naast haar en had haar gelaat tusschen zijn twee groote handen

genomen, terwijl zijn ruwe vingers krampachtig wroetten tusschen haar

zijden lokken.

„Ka Sakahet!” riep hij hartstochtelijk. „Pierrot heeft gezegd, dat je

mij je antwoord zoudt geven. Maar ik heb geen antwoord meer noodig! Je

bent van mij! Van mij!”

Zij uitte een kreet. Het was een hijgend, gebroken geluid. Zijn

armen omknelden haar als ijzeren banden, die haar teeder lichaam

verbrijzelden, haar den adem benamen, de wereld bijna zwart voor haar

maakten. Zij kon niet worstelen, noch gillen. Zij voelde den heeten

hartstocht van zijn lippen op haar gelaat, hoorde zijn stem—en toen

kwam er een oogenblik vrijheid en kon zij weer lucht halen in haar

benauwde longen. Pierrot riep haar. Hij was den tweesprong genaderd en

riep den naam van de Wilg!

Mc Taggart bracht zijn heete hand over haar mond.

„Geen antwoord geven,” hoorde zij hem zeggen.

Kracht, woede, haat vlamden in haar op en heftig sloeg zij die hand

naar beneden. Er was iets in haar mooie oogen, dat macht had over Mc

Taggart. Zij brandden als het ware in zijn ziel.

„_Bête noire!_” hijgde zij, terwijl zij zich geheel van hem bevrijdde.

„Beest! Zwart beest!” Haar stem trilde en haar gelaat gloeide. „Kijk—ik

wilde je mijn poel laten zien—en je vertellen wat je van me weten

wilde—en jij—jij hebt gekneld als een beest—je hebt me platgedrukt

_als een groote rots_! Kijk—daar beneden—daar is mijn poel!”

Zij had niet gedacht, dat het op deze wijze zou gebeuren. Ze had zich

voorgesteld, te glimlachen, zelfs hardop te lachen in dit oogenblik.

Maar Mc Taggart had ze in de war gestuurd—al haar zorgvuldig overlegde

plannen! En toch, terwijl zij naar beneden wees, keek de agent van Lac

Bain een oogenblik in de diepte. En toen begon zij te lachen—lachend

gaf zij hem plotseling een duw in den rug.

„En dat is nu mijn antwoord, M'sieu le Facteur van Lac Bain!” riep zij

schamper, toen hij hals over kop in den diepen poel tuimelde tusschen de

rotsen.

De zoon van Kazan · 第 16 / 34 题