XI.

Gekastijd, maar niet onderworpen.

Een half uur later vlamde Bush Mc Taggart's vuur weer helder op. In den

gloed er van lag Baree, ingepakt als een Indiaansche papoes[1], tot

een ballonvormigen bal gebonden met een leeren riem, zijn kop alleen

stekend door een gat, dat zijn overweldiger voor hem in de deken gemaakt

had. Hij was een hopelooze gevangene, zoo stijf gebonden, dat hij

ternauwernood een spier kon bewegen. Eenige passen van hem verwijderd

was Mc Taggart bezig, een bloedende hand te baden in een kom water. Er

liep ook een straaltje rood opzij van Mc Taggart's stierennek.

[1] Zuigeling.

„Jou kleine duivel!” snauwde hij tegen Baree. „Jou kleine duivel!”

Hij boog zich voorover en gaf Baree's kop een hevigen slag met zijn

zware hand.

„Ik moest eigenlijk je kop kapot ranselen en ik geloof dat ik het doen

ga ook!”

Baree keek naar hem, terwijl hij een stuk hout naast zich opraapte—een

stuk brandhout. Pierrot had jacht op hem gemaakt, maar voor het eerst

was hij dicht genoeg bij het man-monster, om den rooden gloed in zijn

oogen te zien. Zij waren niet als de oogen van dat mooie wezentje, dat

hem bijna in den sluier van heur haren gevangen had en dat hem onder

het rotsblok achterna was gekropen. Het waren de oogen van een beest.

Zij maakten, dat hij in elkaar kromp en trachtte zijn kop onder de

bescherming van de deken te trekken, toen de stok opgeheven werd. Maar

tegelijkertijd gromde hij. Zijn witte slagtanden glinsterden bij het

vuurlicht. Zijn ooren lagen plat op zijn kop. Hij verlangde zijn tanden

in die roode keel te zetten, waaruit hij al bloed had laten sijpelen.

De stok kwam neer en nog eens en nog eens en toen Mc Taggart ophield,

lag Baree half versuft; zijn oogen waren gedeeltelijk gesloten door de

slagen en er liep bloed uit zijn bek.

„Dat is de goede manier om den duivel uit een wilden hond te krijgen,”

grauwde Mc Taggart. „Ik denk, dat je dat bijt-kunstje nu wel niet meer

zoo gauw probeeren zult, hè, baasje? Alle duivels—het scheelde maar

weinig, of je had tot op het been van mijn hand doorgebeten!”

Hij begon de wond opnieuw uit te wasschen. Baree's tanden waren diep

doorgedrongen en de agent keek bezorgd. Het was Juli. Een kwade maand

voor beten. Uit zijn reismand haalde hij een kleine kruik met whisky

voor den dag en droppelde wat van dezen sterken drank op de wond, op

Baree vloekende, toen hij in zijn vleesch brandde. Baree's halfgesloten

oogen bleven strak op hem gevestigd. Hij wist, dat hij nu eindelijk zijn

doodsvijand ontmoet had. En toch was hij niet bang. De knuppel in Bush

Mc Taggart's hand had zijn temperament niet gedood. Hij had zijn vrees

gedood. Hij had een haat in hem gewekt, zoo heftig als hij nog niet

gekend had—zelfs niet toen hij met Oohoomisew, den uilenvrijbuiter,

vocht. De wraakgierige kracht van den wolf brandde nu in hem, vereenigd

met den woesten moed van den hond. Hij deinsde niet terug, toen

Mc Taggart hem opnieuw naderde. Hij probeerde op te staan, om dat

man-monster aan te vliegen. Bij deze poging rolde hij om, ingewikkeld

als hij was in de deken en lag daar nu als een lachwekkend bundeltje. De

aanblik hiervan werkte op Mc Taggart's lachspieren en hij lachte. Hij

ging weer zitten met zijn rug tegen den boom en stopte zijn pijp.

Baree hield geen oog van hem af terwijl hij rookte. Hij keek naar

hem, toen hij zich op den kalen grond uitstrekte en ging slapen. Hij

luisterde nog later naar het afschuwelijke gesnork, dat het monster

voortbracht. Telkens opnieuw gedurende dien langen nacht trachtte hij

zich vrij te maken. Hij zou dien nacht nooit meer vergeten. Het was

afschuwelijk. In de dikke, warme plooien van de deken werden zijn

ledematen zoo verstikt, dat het bloed hem haast stilstond in de aderen.

Toch jankte hij niet. Maar toen de morgen aanbrak, lag zijn kop plat op

den grond. Mc Taggart merkte dit feit met voldoening op.

„Ik denk, dat je ons nu wel geen moeite meer geven zult op weg naar

Pierrot,” bromde hij.

Zij begonnen te reizen, nog vóór zonsopgang, want al stond Baree's

bloed bijna stil, dat van Mc Taggart stroomde wild van begeerte en

verwachting. Hij maakte zijn laatste plannen, terwijl hij vlug door

het bosch liep, met Baree onder den arm. Hij zou Pierrot dadelijk naar

Vader Grotin sturen in het Zendelingenstation, zeventig mijlen naar

het Westen. Hij wilde Nepeese trouwen. Dat zou Pierrot streelen. En

hij zou _alleen_ zijn met Nepeese, terwijl Pierrot op weg was naar den

zendeling. Deze gedachte deed zijn bloed branden als heete whisky.

In zijn verhit, onredelijk brein kwam geen oogenblik de gedachte op,

aan wat Nepeese er van zeggen mocht, of wat zij er van denken zou.

Hij bekommerde zich niet om haar ziel. Het was haar vleesch en haar

bloed, dat hij verlangde, haar prachtig lichaam, hare schoonheid, die

zijn grove ziel vervuld hadden met razernij. Zijn vuist balde zich en

hij lachte wreed, toen even het denkbeeld bij hem opkwam, dat Pierrot

haar misschien niet zou willen afstaan. Pierrot! Bah! Het zou niet de

eerste maal zijn, dat hij een man uit den weg ruimde. De tweede ook

niet. Een moord was zoo moeilijk niet, als men het maar goed aanlegde.

Niemand zou het weten. Het zou eenvoudig een verdwijning zijn—hij zou

op zekeren dag zijn hut verlaten en er nooit weer in terugkeeren. Hij

lachte opnieuw en stapte nog vlugger door. Er bestond geen kans dat hij

verliezen zou—geen kans voor Nepeese om van hem af te komen. Hij—Bush

Mc Taggart—was heer van deze wildernis, meester van zijn bewoners,

heerscher over hun lot. Hij verpersoonlijkte de Macht—en de Wet. En

Nepeese zou met hem teruggaan naar Lac Bain, al zou hij er ook Pierrot's

graf voor moeten delven.

De zon stond al een heel eind aan den hemel, toen Pierrot, voor de deur

van zijn hut staande met Nepeese, naar een helling van het voetpad

wees, een vierhonderd meter weg, waar Bush Mc Taggart juist verscheen.

„Daar komt hij—”

Hij keek naar Nepeese, zijn gelaat scheen in dezen nacht verouderd te

zijn. Weer zag hij den donkeren glans in haar oogen en het diepere rood

op haar lippen en zijn hart deed hem pijn van vrees. Was het mogelijk—

Zij wendde zich naar hem toe met schitterende oogen en trillende stem.

„Denk er aan, Nootawe—u moet hem naar mij toesturen voor zijn

antwoord,” riep zij snel en verdween in de hut.

Met een koud, grauwbleek gelaat stond Pierrot tegenover Bush Mc Taggart.

De zoon van Kazan · 第 15 / 34 题