Gepakt!
Terwijl Baree hoe langer hoe meer een familiestuk werd bij den
bevervijver en Pierrot en Nepeese aan den anderen kant er van allerlei
bedachten om hem te vangen, omdat zij door de witte ster op zijn
borst en het vlekje aan zijn oor herinnerd werden aan een anderen
Baree, waarvan zij veel gehouden hadden, smeedde Bush Mc Taggart zijn
eigen plannetje, daarginds op den post te Lac Bain, ongeveer veertig
mijlen naar het noordwesten. Mc Taggart was al zeven jaar lang agent
op Lac Bain geweest. In de annalen van de Compagnie te Winnipeg stond
hij geboekt als iemand, die buitengewoon veel voordeel aanbracht. De
uitgaven van zijn handelspost waren beneden het gemiddelde en zijn
halfjaarlijksch rapport omtrent de opbrengst van het bont stond altijd
in de eerste rijen. Achter zijn naam, die aan een snoer bewaard werd
in het hoofdkantoor, stond één aanteekening: „Weet van een dollar meer
te maken dan ieder ander, hier ten noorden van het Meer.” De Indianen
wisten wel waarom. Zij hadden hem den naam gegeven „Napao Wetikoo”—den
„mensch-duivel”. Maar zij zeiden dit nooit hardop, zij fluisterden het
woord somber in den gloed van hun kampvuren of zóó zacht, dat zelfs
de wind het niet tot aan Mc Taggart's ooren had kunnen overwaaien.
Zij vreesden hem. Zij haatten hem. Zij kwamen om, onder zijn bewind,
door honger en ziekten en hoe vaster Mc Taggart hen in zijn ijzeren
greep klemde, hoe gewilliger bogen zij voor zijn wil, naar het hem
voorkwam. Hij had een benepen ziel, zetelende in het lichaam van een
bruut, die zich verlustigde in het uitoefenen van macht. En hier—met de
onherbergzame wildernis aan vier kanten—kende zijn macht geen grenzen.
De groote Compagnie was hem altijd tot steun. Zij had hem tot koning
uitgeroepen van het domein, waarin weinig wetten waren, buiten zijn
eigene. En in ruil gaf hij de Compagnie balen vol pelterijen, boven haar
verwachting. Het was niet aan haar, verdenkingen te koesteren. Zij was
tienduizend mijlen of nog meer van hem verwijderd en elke dollar was er
één.
Gregson zou uit de school hebben kunnen klappen. Gregson was de
controleur van het distrikt, die Mc Taggart eens op een jaar bezocht.
Hij zou hebben kunnen vertellen, dat de Indianen Mc Taggart „Napao
Wetikoo” noemden, omdat hij hen maar half geld voor de geleverde huiden
gaf; hij zou de Compagnie ronduit hebben kunnen zeggen, dat hij het volk
aan de vallenlijn op het randje van den hongerdood hield, den heelen
winter lang; dat hij hen letterlijk op hun knieën neergedrukt hield met
zijn hand aan hun keel—om het zoo maar eens zacht uit te drukken—en
dat hij altijd een vrouw of een meisje, Indiaansche of halfbloed, op
den post bij zich had. Maar Gregson was te veel gesteld op dat bezoek
aan Lac Bain. Altijd kon hij rekenen op twee weken van walgelijke
uitspatting en bovendien droeg zijn eigen vrouwvolk thuis later een
schat van bont, hem op een achterbaksche manier door Mc Taggart in
handen gespeeld.
Op zekeren avond zat Mc Taggart bij het schijnsel van een olielamp
in zijn „magazijn”. Hij had zijn Engelsch klerkje, wiens gezicht zoo
gerimpeld was als een pippeling, naar bed gezonden en hij was nu alleen.
Zes weken lang werd hij al bezeten door een groote onrust. Het was
juist zes weken geleden dat Pierrot Nepeese voor de eerste maal mee had
genomen bij zijn bezoek aan Lac Bain, voor het eerst sedert Mc Taggart
daar agent was. Hij had naar adem gehijgd, toen hij haar bekoorlijke
gestalte voor het eerst zag. Sedert dien tijd had hij aan niets anders
meer kunnen denken dan aan haar. In die zes weken was hij twee keer
naar Pierrot's hut gereisd. Morgen zou hij weer gaan. Marie, het slanke
Cree-meisje, daarginds in zijn hut, was hij totaal vergeten, juist
zooals, vóór Marie, een dozijn anderen uit zijn geheugen geslipt waren.
Nu bestond alleen Nepeese voor hem. Hij had nooit iets gezien, zoo
volmaakt mooi als Pierrot's dochter.
Hardop schold hij Pierrot uit, terwijl hij naar een vel papier onder
zijn hand keek, waarop hij al wel een uur lang aanteekeningen had zitten
maken, uit veel gebruikte en stoffige grootboeken der Compagnie. Die
Pierrot stond hem in den weg. Volgens deze aanteekeningen was Pierrot's
vader een volbloed Franschman geweest. Dus was Pierrot nog half Fransch
en Nepeese voor een vierde deel, hoewel zij zoo mooi was, dat hij zou
willen zweren, dat er niet meer dan twee droppels Indiaansch bloed door
haar aderen stroomden. Als zij geheel en al Indiaansch was geweest, van
den stam der Chippeway's, Cree's, Ojibway's Honden Rib's of wat ook
maar—zouden er zich geen moeilijkheden hebben voorgedaan bij deze zaak.
Hij zou hen onder zijn macht gebogen hebben en Nepeese zou haar intrek
in zijn hut genomen hebben, zooals Marie het zes maanden geleden gedaan
had. Maar die vervloekte Fransche afkomst! Pierrot en Nepeese waren niet
als die anderen. En toch—
Hij glimlachte wreed en balde zijn vuisten. Was, alles welbezien, zijn
macht niet toereikend? Zou zelfs Pierrot hem durven weerstreven? Als
Pierrot tegenwerpingen maakte, zou hij hem uit het land verbannen—uit
de vallen-streek, die als erfenis op hem was overgegaan, na het beheer
van zijn vader en grootvader. Zelfs lang vóór dien tijd was zij
familiebezit geweest. Hij zou een zwerver van Pierrot maken en een
banneling, zooals hij zwervers en bannelingen had gemaakt van een aantal
anderen, die uit zijn gunst waren geraakt. Geen andere post zou ooit
meer aan Pierrot verkoopen of van hem koopen, als _la bête_—het zwarte
kruis, achter zijn naam gezet werd. Daarin bestond zijn macht—de wet
der agenten, die door alle eeuwen heen gehandhaafd was. Het was een
geweldige macht—ten kwade. Zij had hem Marie bezorgd, het slanke,
zwartoogige Cree-meisje, dat hem haatte en niettegenstaande haar haat,
„zijn huishouden deed”. Dit was de nette manier om haar tegenwoordigheid
uit te leggen, als er ooit een verklaring noodzakelijk was. Een
huishoudster!
Bush Mc Taggart keek opnieuw naar de aanteekeningen, die hij op het vel
papier gemaakt had.
Pierrot's vallen-distrikt, zijn eigendom volgens de wet der wildernis,
bracht veel geld op. Gedurende de afgeloopen zeven jaar had hij
gemiddeld duizend dollars per jaar ontvangen voor de levering van
pelzen, want Mc Taggart had er niet in kunnen slagen, Pierrot zoo af te
zetten als de Indianen.
Duizend dollars per jaar! Pierrot zou zich nog wel tweemaal bedenken,
voor hij dat opofferde. Mc Taggart grinnikte, terwijl hij het papier in
zijn hand verkreukelde en zich gereed maakte, het licht uit te draaien.
Onder zijn borstelige haar gloeide zijn roodachtig gelaat, verhit door
het vuur, dat in zijn bloed woedde. Het was een onaangenaam gezicht
om naar te kijken—het leek wel van staal en droeg een onbarmhartige
uitdrukking, de uitdrukking, die hem den bijnaam „Napao Wetikoo” bezorgd
had. Zijn oogen glinsterden en hij haalde snel adem, terwijl hij het
licht doofde. Hij grinnikte opnieuw, toen hij door de duisternis den weg
zocht naar de deur. Nepeese was al zoo goed als zijn eigendom. Hij wilde
haar bezitten, ten koste desnoods van—_Pierrot's leven_. En _waarom
niet_? Het was allemaal zoo gemakkelijk. Een schot in het eenzame
vallengebied, een enkele messteek en wie zou het navertellen? Wie zou
gissen waar Pierrot gebleven was? En het zou allemaal Pierrot's eigen
schuld zijn. Want de laatste maal, dat hij hem ontmoette, had hij hem
een eerlijk voorstel gedaan. Hij wilde Nepeese _trouwen_. Ja, dàt wilde
hij zelfs doen. Hij had het Pierrot voorgesteld. Hij had Pierrot ook
gezegd, dat hij hem, wanneer hij zijn schoonvader was, het dubbele voor
zijn huiden zou geven van den tegenwoordigen prijs. En Pierrot had hem
verstomd van verbazing aangestaard. Hij had naar hem gestaard met een
zonderlingen, verglaasden blik, als van een man, die verdoofd is door
den slag van een knuppel.
En dus—wanneer hij Nepeese niet kreeg zonder zwarigheden—zou het
allemaal Pierrot's eigen schuld zijn. Morgen zou hij opnieuw vertrekken
naar de landstreek van den halfbloed. En den volgenden dag zou Pierrot
hem zijn antwoord geven. Bush Mc Taggart grinnikte opnieuw, toen hij
naar bed ging. Dit deed Marie huiveren. Mc Taggart voelde—in den grond
van zijn hart—dat Pierrot's antwoord leven of dood beteekende, op den
langen duur—voor Pierrot.
* * * * *
Tot op één na den laatsten dag zeide Pierrot aan Nepeese niets van wat
er tusschen hemzelf en den agent van Lac Bain verhandeld was. Toen
vertelde hij het haar.
„Hij is een beest—een duivel in menschengedaante,” zeide hij, toen hij
zijn verhaal geëindigd had. „Ik zag je nog liever daarginds—naast haar,
dood—” en hij wees naar den hoogen spar, waaronder haar moeder, de
prinses, begraven lag.
Nepeese had geen klank geuit. Maar haar oogen waren grooter geworden en
donkerder en er steeg haar een blos naar de wangen, zooals Pierrot er
nooit tevoren een gezien had. Zij stond op, toen hij geëindigd had en
zij scheen hem plotseling langer geworden. Nooit had zij zooveel op een
volwassen vrouw geleken en Pierrot's oogen werden verduisterd door vrees
en bange voorgevoelens, toen hij haar gadesloeg, terwijl zij tuurde naar
het Noordwesten—naar Lac Bain. Zij was prachtig om te zien, dit heel
jonge meisje, dat hij nog meer aanbad dan zijn God. Haar schoonheid
beangstigde hem. Hij had den blik in Mc Taggart's oogen gezien. Hij had
de opwinding in Mc Taggart's stem gehoord. Hij had de woeste begeerte
en den dierlijken lust op Mc Taggart's gelaat gelezen. Dit had hem
ontzetting aangejaagd, in het begin. Maar nu—nu was hij niet ontsteld
meer. Hij was onrustig—maar hij had zijn handen tot vuisten gebald. Er
smeulde een vuur in zijn hart. Nepeese keerde zich ten laatste om en
kwam weer bij hem zitten, aan zijn voeten. Pierrot legde een van zijn
harige handen op haar hoofd. Hij deed dat graag. Hij vond het heerlijk,
de warme liefkoozing te voelen van haar zijden lokken tusschen zijn
vingers.
„Hij komt morgen, _ma chérie_”, zeide hij, zijn oogen gevestigd houdend
op den rooden gloed van de ondergaande zon. „Wat moet ik hem antwoorden?”
De lippen van de Wilg waren rood. Haar oogen straalden. Maar zij keek
niet op naar haar vader.
„Niets, Nootawe—zeg hem alleen maar, dat ik degene ben, naar wie hij
toe moet komen—voor hetgeen hij zoekt.”
Pierrot boog zich voorover en betrapte haar op een glimlach. De zon ging
onder. En zijn hart zonk tegelijkertijd in hem, koud als lood.
* * * * *
Van Lac Bain tot Pierrot's hut liep er een pad tot op een halve mijl
van den bevervijver, een dozijn mijlen van de plaats, waar Pierrot
verblijf hield en hier, bij een bocht van de kreek, waarin Wakayoo voor
Baree visch had gevangen, sloeg Bush Mc Taggart zijn kamp op voor den
nacht. Daar slechts twintig mijlen van de reis per kano gemaakt konden
worden en Mc Taggart het laatste gedeelte te voet aflegde, was zijn kamp
opslaan de eenvoudigste zaak ter wereld,—een stuk-of-wat afgekapte
balsemstruiken, een dunne deken, een klein vuur. Voor hij zijn avondmaal
gereed maakte, haalde de agent een aantal koperdraadstrikken uit zijn
pak voor den dag en besteedde er een half uur aan, deze uit te zetten
op de paadjes, die naar konijnenholen leidden. Deze methode om zich
vleesch te verschaffen was heel wat minder vermoeiend dan met warm weer
een geweer te moeten meesleepen en zij gaf vrij veel zekerheid. Een half
dozijn strikken leverden tenminste drie konijnen op en een van deze drie
was stellig wel jong en malsch genoeg voor de braadpan. Nadat hij zijn
strikken had uitgezet, plaatste Mc Taggart een pannetje met spek boven
het vuur en begon zijn koffie te koken.
Van alle geuren, die een kamp verspreiden kan, reikt die van gebakken
spek het verst, in het bosch. Hij heeft geen wind noodig. Hij drijft
vanzelf weg. Als het een stille nacht is, kan de vos hem op een
mijl afstands opsnuiven. Deze speklucht drong tot Baree door in zijn
holletje bovenop den beverdam. Hij werd naar hem toe gedreven op een
zacht windje, dat heerlijk koel was na den heeten dag en na een poosje
ging Baree overeind zitten en snoof de verlokking er van op. Sedert
zijn ondervinding, in de kloof opgedaan, en na Wakayoo's dood, was het
hem niet al te best gegaan. Uit voorzorg was hij in de buurt van den
vijver gebleven en hij had bijna alleen van rivierkreeften geleefd.
Deze nieuwe, heerlijke geur, die door den nachtwind naar hem toe werd
gedreven, wekte zijn honger op. Maar hij was grillig, die geur, nu eens
kon hij hem opsnuiven, het volgende oogenblik was hij verdwenen. Hij
verliet den dam en begon den oorsprong te zoeken van deze heerlijkheid,
in het bosch, tot hij hem, na een tijdje, heelemaal kwijt was. Mc
Taggart was klaar met het bakken van zijn spek en zat het nu op te eten.
Het was een schitterende nacht, die nu volgde. Misschien zou Baree zijn
blijven doorslapen in zijn warm leger op den beverdam, als die speklucht
geen nieuwen honger in hem had wakker geroepen. Na zijn avontuur in de
kloof had hij angst gekregen om zich in het hartje van de bosschen te
wagen, vooral bij nacht. Maar deze nacht geleek wel een bleeke, gouden
dag.
Hij was zonder maan. Maar de sterren flonkerden als een millioen lampjes
in de verte en overstroomden de wereld met een zachten, golvenden
lichtglans. Een zacht windgefluister maakte vriendelijke geluiden in
de toppen der boomen. Voor het overige was alles stil, want het was
Puskowepesim—Ruimaand—en de wolven gingen niet op jacht, de uilen
hadden hun stem verloren, de vossen slopen als schaduwen voorbij en
zelfs de bevers waren begonnen hun werk te staken. Het gewei van de
elanden, herten en kariboe's had een fluweelzacht omhulsel en zij
namen niet veel beweging en vochten in het geheel niet. Het was in het
laatst van Juli, de Ruimaand van de Cree's en de Stille Maand van de
Chippeway's.
Temidden van deze stilte ging Baree op jacht. Hij joeg een heel nest
half volwassen patrijzen op, maar zij wisten hem te ontsnappen. Hij
achtervolgde een konijn, dat vlugger was dan hij. Een uur lang liep
alles hem tegen. Toen hoorde hij een geluid, dat elke droppel bloed in
hem sneller deed vloeien. Hij was dicht bij Mc Taggart's kamp en wat
hij gehoord had, was een konijn, dat in een van Mc Taggart's strikken
geraakt was. Hij kwam terecht bij een open plek, vol sterrenlicht
en zag daar het konijn een allermerkwaardigste pantomime ten beste
geven. Het verbaasde hem en hij bleef staan, waar hij stond. Wapoos,
het konijn, was met zijn wolligen kop in den strik terecht gekomen en
door zijn eersten verschrikten sprong was het jonge boompje, waaraan
het koperdraad bevestigd was, teruggeveerd, zoodat hij nu half in de
lucht hing, alleen nog met zijn achterpooten den grond rakende. En
daar danste hij nu als een bezetene, terwijl de strik om zijn nek hem
langzaam worgde. Baree gaf een soort snik van verbazing. Hij kon in 't
geheel niet begrijpen, welke rol het koperdraad en het jonge boompje
speelden in dit zonderlinge spel. Al wat hij er uit op kon maken, was
dat Wapoos spartelde en danste op zijn achterpooten op een zonderlinge
manier, zooals hij dat van een konijn niet gewend was. Misschien dacht
hij wel, dat het een soort van spelletje was. Maar in dit oogenblik
beschouwde hij Wapoos niet zooals hij Umisk had beschouwd. Ondervinding
en instinkt zeiden hem, dat Wapoos een heerlijk hapje was en na een paar
oogenblikken van aarzeling sprong hij op zijn prooi toe.
Wapoos, al meer dood dan levend, worstelde bijna niet meer en onder den
glans der sterren maakte Baree hem af en smulde een half uur lang.
Bush Mc Taggart had geen enkel geluid gehoord, want de strik, waarin
Wapoos geraakt was, was het verst van zijn nachtverblijf verwijderd.
Bij zijn smeulend vuurtje zat hij, met zijn rug tegen een boom, zijn
zwart pijpje te rooken en begeerig over Nepeese te mijmeren, terwijl
Baree zijn nachtelijken zwerftocht voortzette. Baree verlangde nu niet
meer te jagen. Daarvoor had hij zijn buikje te rond gegeten. Maar hij
snuffelde rond op allerlei plekjes en genoot ontzaglijk van de rust en
het gouden maanlicht. Hij volgde een konijnenspoor, tot hij op een plek
kwam, waar twee stukken hout een opening vrij lieten, niet wijder dan
zijn eigen lichaam. Hij wrong er zich doorheen, er snoerde zich iets
om zijn keel, een knap!—en Baree werd zoo plotseling van den grond
gelicht, dat hij geen tijd had om zelfs maar te gissen wat er met hem
gebeurde. De schreeuw, dien hij uiten wilde, stierf in zijn strot weg
tot een gegorgel en het volgende oogenblik bood hij denzelfden aanblik
als Wapoos zooeven, die zich nu in zijn maag op hem wreekte. Baree kon
onmogelijk laten te springen en te dansen, terwijl het koperdraad vaster
en vaster om zijn keel knelde. Wanneer hij er naar hapte en het heele
gewicht van zijn lichaam tegen den grond wierp, gaf het gewillig mee,
maar dan kreeg hij bij den terugslag een ruk, die hem geheel van den
grond lichtte. Woedend worstelde hij. Het was een wonder, dat het dunne
draad tegen al dat geweld bestand was. In een paar oogenblikken zou het
moeten knappen, maar Mc Taggart hoorde hem! De agent greep zijn deken en
wapende zich met een zwaren stok, voor hij naar den strik snelde. Een
konijn kon zooveel lawaai niet maken—dat wist hij. Misschien was het
een marter, een lynx, een vos, een jonge wolf—
Hij dacht het eerst aan een wolf, toen hij Baree aan het eind van
het koperdraad zag. Hij liet de deken vallen en hief den knuppel
in de hoogte. Als de hemel bewolkt was geweest, of de sterren
minder schitterend, zou Baree het leven er bij gelaten hebben, even
onvermijdelijk als Wapoos had moeten sterven. Maar terwijl hij den
knuppel boven zijn hoofd hief, zag Mc Taggart nog net bijtijds de witte
ster, het witte vlekje aan zijn oor en de gitzwarte kleur van Baree's
huid.
Met een snelle beweging verruilde hij den knuppel voor de deken.