X.

Gepakt!

Terwijl Baree hoe langer hoe meer een familiestuk werd bij den

bevervijver en Pierrot en Nepeese aan den anderen kant er van allerlei

bedachten om hem te vangen, omdat zij door de witte ster op zijn

borst en het vlekje aan zijn oor herinnerd werden aan een anderen

Baree, waarvan zij veel gehouden hadden, smeedde Bush Mc Taggart zijn

eigen plannetje, daarginds op den post te Lac Bain, ongeveer veertig

mijlen naar het noordwesten. Mc Taggart was al zeven jaar lang agent

op Lac Bain geweest. In de annalen van de Compagnie te Winnipeg stond

hij geboekt als iemand, die buitengewoon veel voordeel aanbracht. De

uitgaven van zijn handelspost waren beneden het gemiddelde en zijn

halfjaarlijksch rapport omtrent de opbrengst van het bont stond altijd

in de eerste rijen. Achter zijn naam, die aan een snoer bewaard werd

in het hoofdkantoor, stond één aanteekening: „Weet van een dollar meer

te maken dan ieder ander, hier ten noorden van het Meer.” De Indianen

wisten wel waarom. Zij hadden hem den naam gegeven „Napao Wetikoo”—den

„mensch-duivel”. Maar zij zeiden dit nooit hardop, zij fluisterden het

woord somber in den gloed van hun kampvuren of zóó zacht, dat zelfs

de wind het niet tot aan Mc Taggart's ooren had kunnen overwaaien.

Zij vreesden hem. Zij haatten hem. Zij kwamen om, onder zijn bewind,

door honger en ziekten en hoe vaster Mc Taggart hen in zijn ijzeren

greep klemde, hoe gewilliger bogen zij voor zijn wil, naar het hem

voorkwam. Hij had een benepen ziel, zetelende in het lichaam van een

bruut, die zich verlustigde in het uitoefenen van macht. En hier—met de

onherbergzame wildernis aan vier kanten—kende zijn macht geen grenzen.

De groote Compagnie was hem altijd tot steun. Zij had hem tot koning

uitgeroepen van het domein, waarin weinig wetten waren, buiten zijn

eigene. En in ruil gaf hij de Compagnie balen vol pelterijen, boven haar

verwachting. Het was niet aan haar, verdenkingen te koesteren. Zij was

tienduizend mijlen of nog meer van hem verwijderd en elke dollar was er

één.

Gregson zou uit de school hebben kunnen klappen. Gregson was de

controleur van het distrikt, die Mc Taggart eens op een jaar bezocht.

Hij zou hebben kunnen vertellen, dat de Indianen Mc Taggart „Napao

Wetikoo” noemden, omdat hij hen maar half geld voor de geleverde huiden

gaf; hij zou de Compagnie ronduit hebben kunnen zeggen, dat hij het volk

aan de vallenlijn op het randje van den hongerdood hield, den heelen

winter lang; dat hij hen letterlijk op hun knieën neergedrukt hield met

zijn hand aan hun keel—om het zoo maar eens zacht uit te drukken—en

dat hij altijd een vrouw of een meisje, Indiaansche of halfbloed, op

den post bij zich had. Maar Gregson was te veel gesteld op dat bezoek

aan Lac Bain. Altijd kon hij rekenen op twee weken van walgelijke

uitspatting en bovendien droeg zijn eigen vrouwvolk thuis later een

schat van bont, hem op een achterbaksche manier door Mc Taggart in

handen gespeeld.

Op zekeren avond zat Mc Taggart bij het schijnsel van een olielamp

in zijn „magazijn”. Hij had zijn Engelsch klerkje, wiens gezicht zoo

gerimpeld was als een pippeling, naar bed gezonden en hij was nu alleen.

Zes weken lang werd hij al bezeten door een groote onrust. Het was

juist zes weken geleden dat Pierrot Nepeese voor de eerste maal mee had

genomen bij zijn bezoek aan Lac Bain, voor het eerst sedert Mc Taggart

daar agent was. Hij had naar adem gehijgd, toen hij haar bekoorlijke

gestalte voor het eerst zag. Sedert dien tijd had hij aan niets anders

meer kunnen denken dan aan haar. In die zes weken was hij twee keer

naar Pierrot's hut gereisd. Morgen zou hij weer gaan. Marie, het slanke

Cree-meisje, daarginds in zijn hut, was hij totaal vergeten, juist

zooals, vóór Marie, een dozijn anderen uit zijn geheugen geslipt waren.

Nu bestond alleen Nepeese voor hem. Hij had nooit iets gezien, zoo

volmaakt mooi als Pierrot's dochter.

Hardop schold hij Pierrot uit, terwijl hij naar een vel papier onder

zijn hand keek, waarop hij al wel een uur lang aanteekeningen had zitten

maken, uit veel gebruikte en stoffige grootboeken der Compagnie. Die

Pierrot stond hem in den weg. Volgens deze aanteekeningen was Pierrot's

vader een volbloed Franschman geweest. Dus was Pierrot nog half Fransch

en Nepeese voor een vierde deel, hoewel zij zoo mooi was, dat hij zou

willen zweren, dat er niet meer dan twee droppels Indiaansch bloed door

haar aderen stroomden. Als zij geheel en al Indiaansch was geweest, van

den stam der Chippeway's, Cree's, Ojibway's Honden Rib's of wat ook

maar—zouden er zich geen moeilijkheden hebben voorgedaan bij deze zaak.

Hij zou hen onder zijn macht gebogen hebben en Nepeese zou haar intrek

in zijn hut genomen hebben, zooals Marie het zes maanden geleden gedaan

had. Maar die vervloekte Fransche afkomst! Pierrot en Nepeese waren niet

als die anderen. En toch—

Hij glimlachte wreed en balde zijn vuisten. Was, alles welbezien, zijn

macht niet toereikend? Zou zelfs Pierrot hem durven weerstreven? Als

Pierrot tegenwerpingen maakte, zou hij hem uit het land verbannen—uit

de vallen-streek, die als erfenis op hem was overgegaan, na het beheer

van zijn vader en grootvader. Zelfs lang vóór dien tijd was zij

familiebezit geweest. Hij zou een zwerver van Pierrot maken en een

banneling, zooals hij zwervers en bannelingen had gemaakt van een aantal

anderen, die uit zijn gunst waren geraakt. Geen andere post zou ooit

meer aan Pierrot verkoopen of van hem koopen, als _la bête_—het zwarte

kruis, achter zijn naam gezet werd. Daarin bestond zijn macht—de wet

der agenten, die door alle eeuwen heen gehandhaafd was. Het was een

geweldige macht—ten kwade. Zij had hem Marie bezorgd, het slanke,

zwartoogige Cree-meisje, dat hem haatte en niettegenstaande haar haat,

„zijn huishouden deed”. Dit was de nette manier om haar tegenwoordigheid

uit te leggen, als er ooit een verklaring noodzakelijk was. Een

huishoudster!

Bush Mc Taggart keek opnieuw naar de aanteekeningen, die hij op het vel

papier gemaakt had.

Pierrot's vallen-distrikt, zijn eigendom volgens de wet der wildernis,

bracht veel geld op. Gedurende de afgeloopen zeven jaar had hij

gemiddeld duizend dollars per jaar ontvangen voor de levering van

pelzen, want Mc Taggart had er niet in kunnen slagen, Pierrot zoo af te

zetten als de Indianen.

Duizend dollars per jaar! Pierrot zou zich nog wel tweemaal bedenken,

voor hij dat opofferde. Mc Taggart grinnikte, terwijl hij het papier in

zijn hand verkreukelde en zich gereed maakte, het licht uit te draaien.

Onder zijn borstelige haar gloeide zijn roodachtig gelaat, verhit door

het vuur, dat in zijn bloed woedde. Het was een onaangenaam gezicht

om naar te kijken—het leek wel van staal en droeg een onbarmhartige

uitdrukking, de uitdrukking, die hem den bijnaam „Napao Wetikoo” bezorgd

had. Zijn oogen glinsterden en hij haalde snel adem, terwijl hij het

licht doofde. Hij grinnikte opnieuw, toen hij door de duisternis den weg

zocht naar de deur. Nepeese was al zoo goed als zijn eigendom. Hij wilde

haar bezitten, ten koste desnoods van—_Pierrot's leven_. En _waarom

niet_? Het was allemaal zoo gemakkelijk. Een schot in het eenzame

vallengebied, een enkele messteek en wie zou het navertellen? Wie zou

gissen waar Pierrot gebleven was? En het zou allemaal Pierrot's eigen

schuld zijn. Want de laatste maal, dat hij hem ontmoette, had hij hem

een eerlijk voorstel gedaan. Hij wilde Nepeese _trouwen_. Ja, dàt wilde

hij zelfs doen. Hij had het Pierrot voorgesteld. Hij had Pierrot ook

gezegd, dat hij hem, wanneer hij zijn schoonvader was, het dubbele voor

zijn huiden zou geven van den tegenwoordigen prijs. En Pierrot had hem

verstomd van verbazing aangestaard. Hij had naar hem gestaard met een

zonderlingen, verglaasden blik, als van een man, die verdoofd is door

den slag van een knuppel.

En dus—wanneer hij Nepeese niet kreeg zonder zwarigheden—zou het

allemaal Pierrot's eigen schuld zijn. Morgen zou hij opnieuw vertrekken

naar de landstreek van den halfbloed. En den volgenden dag zou Pierrot

hem zijn antwoord geven. Bush Mc Taggart grinnikte opnieuw, toen hij

naar bed ging. Dit deed Marie huiveren. Mc Taggart voelde—in den grond

van zijn hart—dat Pierrot's antwoord leven of dood beteekende, op den

langen duur—voor Pierrot.

* * * * *

Tot op één na den laatsten dag zeide Pierrot aan Nepeese niets van wat

er tusschen hemzelf en den agent van Lac Bain verhandeld was. Toen

vertelde hij het haar.

„Hij is een beest—een duivel in menschengedaante,” zeide hij, toen hij

zijn verhaal geëindigd had. „Ik zag je nog liever daarginds—naast haar,

dood—” en hij wees naar den hoogen spar, waaronder haar moeder, de

prinses, begraven lag.

Nepeese had geen klank geuit. Maar haar oogen waren grooter geworden en

donkerder en er steeg haar een blos naar de wangen, zooals Pierrot er

nooit tevoren een gezien had. Zij stond op, toen hij geëindigd had en

zij scheen hem plotseling langer geworden. Nooit had zij zooveel op een

volwassen vrouw geleken en Pierrot's oogen werden verduisterd door vrees

en bange voorgevoelens, toen hij haar gadesloeg, terwijl zij tuurde naar

het Noordwesten—naar Lac Bain. Zij was prachtig om te zien, dit heel

jonge meisje, dat hij nog meer aanbad dan zijn God. Haar schoonheid

beangstigde hem. Hij had den blik in Mc Taggart's oogen gezien. Hij had

de opwinding in Mc Taggart's stem gehoord. Hij had de woeste begeerte

en den dierlijken lust op Mc Taggart's gelaat gelezen. Dit had hem

ontzetting aangejaagd, in het begin. Maar nu—nu was hij niet ontsteld

meer. Hij was onrustig—maar hij had zijn handen tot vuisten gebald. Er

smeulde een vuur in zijn hart. Nepeese keerde zich ten laatste om en

kwam weer bij hem zitten, aan zijn voeten. Pierrot legde een van zijn

harige handen op haar hoofd. Hij deed dat graag. Hij vond het heerlijk,

de warme liefkoozing te voelen van haar zijden lokken tusschen zijn

vingers.

„Hij komt morgen, _ma chérie_”, zeide hij, zijn oogen gevestigd houdend

op den rooden gloed van de ondergaande zon. „Wat moet ik hem antwoorden?”

De lippen van de Wilg waren rood. Haar oogen straalden. Maar zij keek

niet op naar haar vader.

„Niets, Nootawe—zeg hem alleen maar, dat ik degene ben, naar wie hij

toe moet komen—voor hetgeen hij zoekt.”

Pierrot boog zich voorover en betrapte haar op een glimlach. De zon ging

onder. En zijn hart zonk tegelijkertijd in hem, koud als lood.

* * * * *

Van Lac Bain tot Pierrot's hut liep er een pad tot op een halve mijl

van den bevervijver, een dozijn mijlen van de plaats, waar Pierrot

verblijf hield en hier, bij een bocht van de kreek, waarin Wakayoo voor

Baree visch had gevangen, sloeg Bush Mc Taggart zijn kamp op voor den

nacht. Daar slechts twintig mijlen van de reis per kano gemaakt konden

worden en Mc Taggart het laatste gedeelte te voet aflegde, was zijn kamp

opslaan de eenvoudigste zaak ter wereld,—een stuk-of-wat afgekapte

balsemstruiken, een dunne deken, een klein vuur. Voor hij zijn avondmaal

gereed maakte, haalde de agent een aantal koperdraadstrikken uit zijn

pak voor den dag en besteedde er een half uur aan, deze uit te zetten

op de paadjes, die naar konijnenholen leidden. Deze methode om zich

vleesch te verschaffen was heel wat minder vermoeiend dan met warm weer

een geweer te moeten meesleepen en zij gaf vrij veel zekerheid. Een half

dozijn strikken leverden tenminste drie konijnen op en een van deze drie

was stellig wel jong en malsch genoeg voor de braadpan. Nadat hij zijn

strikken had uitgezet, plaatste Mc Taggart een pannetje met spek boven

het vuur en begon zijn koffie te koken.

Van alle geuren, die een kamp verspreiden kan, reikt die van gebakken

spek het verst, in het bosch. Hij heeft geen wind noodig. Hij drijft

vanzelf weg. Als het een stille nacht is, kan de vos hem op een

mijl afstands opsnuiven. Deze speklucht drong tot Baree door in zijn

holletje bovenop den beverdam. Hij werd naar hem toe gedreven op een

zacht windje, dat heerlijk koel was na den heeten dag en na een poosje

ging Baree overeind zitten en snoof de verlokking er van op. Sedert

zijn ondervinding, in de kloof opgedaan, en na Wakayoo's dood, was het

hem niet al te best gegaan. Uit voorzorg was hij in de buurt van den

vijver gebleven en hij had bijna alleen van rivierkreeften geleefd.

Deze nieuwe, heerlijke geur, die door den nachtwind naar hem toe werd

gedreven, wekte zijn honger op. Maar hij was grillig, die geur, nu eens

kon hij hem opsnuiven, het volgende oogenblik was hij verdwenen. Hij

verliet den dam en begon den oorsprong te zoeken van deze heerlijkheid,

in het bosch, tot hij hem, na een tijdje, heelemaal kwijt was. Mc

Taggart was klaar met het bakken van zijn spek en zat het nu op te eten.

Het was een schitterende nacht, die nu volgde. Misschien zou Baree zijn

blijven doorslapen in zijn warm leger op den beverdam, als die speklucht

geen nieuwen honger in hem had wakker geroepen. Na zijn avontuur in de

kloof had hij angst gekregen om zich in het hartje van de bosschen te

wagen, vooral bij nacht. Maar deze nacht geleek wel een bleeke, gouden

dag.

Hij was zonder maan. Maar de sterren flonkerden als een millioen lampjes

in de verte en overstroomden de wereld met een zachten, golvenden

lichtglans. Een zacht windgefluister maakte vriendelijke geluiden in

de toppen der boomen. Voor het overige was alles stil, want het was

Puskowepesim—Ruimaand—en de wolven gingen niet op jacht, de uilen

hadden hun stem verloren, de vossen slopen als schaduwen voorbij en

zelfs de bevers waren begonnen hun werk te staken. Het gewei van de

elanden, herten en kariboe's had een fluweelzacht omhulsel en zij

namen niet veel beweging en vochten in het geheel niet. Het was in het

laatst van Juli, de Ruimaand van de Cree's en de Stille Maand van de

Chippeway's.

Temidden van deze stilte ging Baree op jacht. Hij joeg een heel nest

half volwassen patrijzen op, maar zij wisten hem te ontsnappen. Hij

achtervolgde een konijn, dat vlugger was dan hij. Een uur lang liep

alles hem tegen. Toen hoorde hij een geluid, dat elke droppel bloed in

hem sneller deed vloeien. Hij was dicht bij Mc Taggart's kamp en wat

hij gehoord had, was een konijn, dat in een van Mc Taggart's strikken

geraakt was. Hij kwam terecht bij een open plek, vol sterrenlicht

en zag daar het konijn een allermerkwaardigste pantomime ten beste

geven. Het verbaasde hem en hij bleef staan, waar hij stond. Wapoos,

het konijn, was met zijn wolligen kop in den strik terecht gekomen en

door zijn eersten verschrikten sprong was het jonge boompje, waaraan

het koperdraad bevestigd was, teruggeveerd, zoodat hij nu half in de

lucht hing, alleen nog met zijn achterpooten den grond rakende. En

daar danste hij nu als een bezetene, terwijl de strik om zijn nek hem

langzaam worgde. Baree gaf een soort snik van verbazing. Hij kon in 't

geheel niet begrijpen, welke rol het koperdraad en het jonge boompje

speelden in dit zonderlinge spel. Al wat hij er uit op kon maken, was

dat Wapoos spartelde en danste op zijn achterpooten op een zonderlinge

manier, zooals hij dat van een konijn niet gewend was. Misschien dacht

hij wel, dat het een soort van spelletje was. Maar in dit oogenblik

beschouwde hij Wapoos niet zooals hij Umisk had beschouwd. Ondervinding

en instinkt zeiden hem, dat Wapoos een heerlijk hapje was en na een paar

oogenblikken van aarzeling sprong hij op zijn prooi toe.

Wapoos, al meer dood dan levend, worstelde bijna niet meer en onder den

glans der sterren maakte Baree hem af en smulde een half uur lang.

Bush Mc Taggart had geen enkel geluid gehoord, want de strik, waarin

Wapoos geraakt was, was het verst van zijn nachtverblijf verwijderd.

Bij zijn smeulend vuurtje zat hij, met zijn rug tegen een boom, zijn

zwart pijpje te rooken en begeerig over Nepeese te mijmeren, terwijl

Baree zijn nachtelijken zwerftocht voortzette. Baree verlangde nu niet

meer te jagen. Daarvoor had hij zijn buikje te rond gegeten. Maar hij

snuffelde rond op allerlei plekjes en genoot ontzaglijk van de rust en

het gouden maanlicht. Hij volgde een konijnenspoor, tot hij op een plek

kwam, waar twee stukken hout een opening vrij lieten, niet wijder dan

zijn eigen lichaam. Hij wrong er zich doorheen, er snoerde zich iets

om zijn keel, een knap!—en Baree werd zoo plotseling van den grond

gelicht, dat hij geen tijd had om zelfs maar te gissen wat er met hem

gebeurde. De schreeuw, dien hij uiten wilde, stierf in zijn strot weg

tot een gegorgel en het volgende oogenblik bood hij denzelfden aanblik

als Wapoos zooeven, die zich nu in zijn maag op hem wreekte. Baree kon

onmogelijk laten te springen en te dansen, terwijl het koperdraad vaster

en vaster om zijn keel knelde. Wanneer hij er naar hapte en het heele

gewicht van zijn lichaam tegen den grond wierp, gaf het gewillig mee,

maar dan kreeg hij bij den terugslag een ruk, die hem geheel van den

grond lichtte. Woedend worstelde hij. Het was een wonder, dat het dunne

draad tegen al dat geweld bestand was. In een paar oogenblikken zou het

moeten knappen, maar Mc Taggart hoorde hem! De agent greep zijn deken en

wapende zich met een zwaren stok, voor hij naar den strik snelde. Een

konijn kon zooveel lawaai niet maken—dat wist hij. Misschien was het

een marter, een lynx, een vos, een jonge wolf—

Hij dacht het eerst aan een wolf, toen hij Baree aan het eind van

het koperdraad zag. Hij liet de deken vallen en hief den knuppel

in de hoogte. Als de hemel bewolkt was geweest, of de sterren

minder schitterend, zou Baree het leven er bij gelaten hebben, even

onvermijdelijk als Wapoos had moeten sterven. Maar terwijl hij den

knuppel boven zijn hoofd hief, zag Mc Taggart nog net bijtijds de witte

ster, het witte vlekje aan zijn oor en de gitzwarte kleur van Baree's

huid.

Met een snelle beweging verruilde hij den knuppel voor de deken.

De zoon van Kazan · 第 14 / 34 题