IX.

De redding van Umisk.

Juist zooals in het leven van ieder mensch een groote beperkende factor

is, hetzij in goede of kwade richting, zoo was in Baree's leven de

bevervijver van grooten invloed op zijn lot. Waarheen hij gegaan zou

zijn, als hij dezen niet gevonden had, kan men slechts gissen. Maar de

plek trok hem onweerstaanbaar aan. Zij begon de plaats bij hem in te

nemen van het oude hol onder de omgevallen boomen, dat eens zijn tehuis

geweest was, en de bevers werden hem een gezelschap, dat hem eenigszins

het verlies van Kazan en Wolvin vergoedde. Dat wil zeggen, zij waren hem

tot gezelschap, in zekeren graad. Met elken nieuwen dag die verstreek,

gewenden de oude bevers er meer aan, Baree te zien. Na afloop van twee

weken zouden zij Baree gemist hebben, als hij was weggegaan, maar niet

in dezelfde mate als waarin Baree de bevers zou gemist hebben. Het was

van hun kant eenvoudig goedhartige verdraagzaamheid. Maar met Baree was

het een andere kwestie. Hij was nog altijd „uskahis”, zooals Nepeese

Pierrot het genoemd zou hebben; hij had feitelijk nog moederzorg noodig;

hij had nog de verlangens van het heel jonge dier, want hij had nog geen

tijd gehad, daar bovenuit te groeien en als de nacht aanbrak, zou hij

het liefst in de groote beverwoning zijn gekropen, bij Umisk en zijn

kameraadjes, en daar geslapen hebben.

Wel veertien dagen lang na die heldendaad van Gebroken Tand op den dam

gebruikte Baree zijn maaltijden bij de kreek, zoowat een mijl verderop,

waar volop rivierkreeft zat. Maar de vijver was zijn tehuis. 's Nachts

was hij daar altijd te vinden en ook een groot gedeelte van den dag.

Hij sliep aan het uiteinde van den dam, of, bij bizonder heldere

nachten, er bovenop en de bevers ontvingen hem als voortdurenden gast.

Zij werkten in zijn tegenwoordigheid alsof hij niet bestond. Baree was

geboeid door dit werk en werd nooit moede er naar te kijken. Het wekte

zijn belangstelling en verbazing op. Dag aan dag zag hij hen hout vlot

maken en snel door het water stuwen naar den nieuwen dam. Hij zag den

dam steviger worden onder hun zwoegen. Op zekeren dag lag hij op twaalf

voet afstands van een ouden bever, die bezig was een boom te vellen

van anderhalven decimeter doorsnee. Toen de boom viel en de oude bever

haastig maakte, dat hij wegkwam, ging Baree ook op den loop. Later kwam

hij terug en ging snuffelen op de plek, waar de boom doorgeknaagd was,

nieuwsgierig, waarvoor dit diende en waarom Umisk's oom, of grootvader,

of tante zich zooveel moeite op den hals haalde.

Hij kon nog altijd Umisk en de andere jonge bevers er niet toe krijgen,

hem mee te laten spelen en nadat hij daar eenige keeren moeite voor

gedaan had, staakte hij zijn pogingen. Om de waarheid te zeggen, hun

spel verbaasde hem al evenzeer als het dammen-maken van de oudere

bevers. Umisk bijvoorbeeld was er dol op, in de modder te spelen aan

den rand van den vijver. Hij was net een kleine jongen. Terwijl zijn

familieleden boomstammen van een voet in doorsnee naar hun grooten dam

stuwden, bracht Umisk takjes en twijgjes van geen grooter omvang dan

een potlood naar zijn speelterrein en bouwde een kinder-dammetje voor

zijn eigen plezier. Hij kon een uur lang aan dezen speel-dam werken,

met evenveel ijver als zijn vader en moeder aan den grooten dam werkten

en Baree lag dan plat op zijn buik, niet ver van hem af, naar hem te

kijken, in de grootst mogelijke verbazing. En door de half droge modder

groef Umisk ook zijn miniatuurkanalen, precies zooals een kleine jongen

zijn rivieren zou gegraven hebben en zijn zee, door roovers bevolkt,

ergens op een ondergeloopen stuk land. Met zijn scherpe tandjes velde

hij zijn boomstammen—wilgeloten, nooit meer dan een paar centimeter

dik—en wanneer deze takjes naar beneden tuimelden, voelde hij

ongetwijfeld een even groote voldoening als Gebroken Tand, wanneer hij

een berk van zeventig voet krakend in den vijver had doen storten. Baree

kon het grappige hiervan niet inzien. Hij begreep, dat er reden kon zijn

om aan stokken te knabbelen—hij hield er zelf ook van, zoo nu en dan

eens zijn tanden te scherpen—maar hij vond het al heel raar, dat Umisk

zoo zorgvuldig de schors van den stam afschilde en ze daarna inslikte.

Een andere manier van spelen ontmoedigde Baree nog sterker bij zijn

poging tot toenadering. Op kleinen afstand van de plek, waar hij Umisk

het eerst gezien had, helde de oever tien of twaalf voet naar het water

af en deze oever werd door de jonge bevers als glijbaan gebruikt.

Hij was glad en hard geworden door veelvuldig gebruik. Umisk had de

gewoonte, den oever te beklimmen op een plek, waar hij niet al te steil

was. Bovenaan de glijbaan gekomen, spreidde hij zijn staart plat achter

zich uit en, zich afzettend, schoot hij de helling af en kwam met een

grooten plons in het water terecht. Bij tijden waren er wel zes of tien

jonge bevers met deze sport bezig en nu en dan kwam een van de ouderen

naar boven waggelen en gleed eens een baantje mee met de jongelui. Op

zekeren middag, toen de glijbaan buitengewoon nat en glibberig was,

omdat zij pas gebruikt was, klom Baree langs het beverpaadje naar boven

en stelde een onderzoek in. Nergens had hij de beverlucht zoo sterk

geroken als op die glijbaan. Hij begon ze op te snuiven en was zoo

onvoorzichtig, zich te ver te wagen. In een oogwenk schoten zijn pooten

onder hem uit en met een enkelen woesten schreeuw vloog hij pijlsnel

de helling af. Voor de tweede maal in zijn leven worstelde hij onder

de oppervlakte van het water en toen hij zich een paar minuten later

door de weeke modder naar land sleepte, had hij zeer zeker een goed

beschrijfbare opvatting gekregen van het spelen der bevers. Misschien

had Umisk hem gezien. Het is ook mogelijk, dat al heel spoedig het

verhaal van zijn avontuur bekend was bij al de inwoners van Bever-Stad.

Want toen Baree Umisk dien avond naderde, terwijl deze zijn avondmaal

gebruikte van elzebast, week hij geen duimbreed van zijn plaats en voor

het eerst beroken zij elkanders neuzen. Tenminste Baree snoof hoorbaar

en de dappere kleine Umisk zat als een rolronde sfinx. Dit was de

bevestiging van hun vriendschap—van Baree's kant. Hij ravotte eenige

oogenblikken buitensporig in het rond en vertelde Umisk, hoeveel hij

van hem hield en dat ze groote vrienden zouden zijn. Umisk praatte in 't

geheel niet. Hij maakte geen beweging, voor hij weer doorging met zijn

maal. Maar met dat al zag hij er uit als een gezellig klein baasje en

Baree had zich sedert den dag, waarop hij zijn hol verlaten had, niet

zoo gelukkig gevoeld.

Deze vriendschap, hoewel zij uiterlijk geheel van één kant leek te

komen, was bepaald een groot belang voor Umisk. Wanneer Baree bij den

vijver was, bleef hij altijd zoo dicht mogelijk in Umisk's buurt.

Op zekeren dag lag Baree half slapend in het gras terwijl Umisk druk

bezig was met eenige elzespruiten, dicht bij hem. Hij werd gewekt door

het waarschuwend knallen van een beverstaart en toen hoorde hij het nog

eens en nog eens, het leken wel pistoolschoten. Hij sprong op. Aan alle

kanten renden de bevers naar den vijver toe. Juist op dit oogenblik

kwam Umisk uit het struikgewas voor den dag en haastte zich, zoo vlug

als zijn korte, dikke pootjes hem dragen konden, naar het water. Hij

had bijna de modder bereikt, toen iets roods als een lichtstraal

langs Baree's oogen schoot in de middagzon en een oogenblik later had

Napakasew—de mannetjesvos—zijn scherpe tanden in Umisk's keel geklemd.

Baree hoorde den doodelijk verschrikten schreeuw van zijn vriendje;

hij hoorde het waanzinnige _flap, flap, flap_ van vele staarten en

zijn bloed klopte heftig van opwinding en woede. Even bliksemsnel als

de roode vos aangevallen had, schoot hij te hulp. Hij was even groot

en zwaar als de vos en toen hij Napakasew aanviel, deed hij dit met

een grauw, dien Pierrot aan den anderen kant van den vijver had kunnen

hooren en zijn tanden zonken als messen in den schouder van Umisk's

belager. De vos was van een struikrooversgeslacht, die hun slachtoffer

in den rug overvallen en dooden. Hij zou nooit een gevecht tegenover

elkaar aanbinden, tenzij hij in een hoek gedreven was en Baree's aanval

was zoo woest en onverwacht geweest, dat hij op de vlucht sloeg,

bijna even snel als hij Umisk overvallen had. Baree zette hem niet

achterna. Hij ging naar Umisk toe, die half in de modder lag en op een

zonderlinge manier jammerde en snoof. Zachtjes besnuffelde Baree hem en

na eenige oogenblikken krabbelde Umisk overeind op zijn gezwemvliesde

pootjes, terwijl zeker wel twintig of dertig bevers een geweldig

spektakel maakten in het water bij den oever.

Na dien tijd leek de bevervijver voor Baree meer dan ooit op zijn tehuis.

De zoon van Kazan · 第 13 / 34 题