De redding van Umisk.
Juist zooals in het leven van ieder mensch een groote beperkende factor
is, hetzij in goede of kwade richting, zoo was in Baree's leven de
bevervijver van grooten invloed op zijn lot. Waarheen hij gegaan zou
zijn, als hij dezen niet gevonden had, kan men slechts gissen. Maar de
plek trok hem onweerstaanbaar aan. Zij begon de plaats bij hem in te
nemen van het oude hol onder de omgevallen boomen, dat eens zijn tehuis
geweest was, en de bevers werden hem een gezelschap, dat hem eenigszins
het verlies van Kazan en Wolvin vergoedde. Dat wil zeggen, zij waren hem
tot gezelschap, in zekeren graad. Met elken nieuwen dag die verstreek,
gewenden de oude bevers er meer aan, Baree te zien. Na afloop van twee
weken zouden zij Baree gemist hebben, als hij was weggegaan, maar niet
in dezelfde mate als waarin Baree de bevers zou gemist hebben. Het was
van hun kant eenvoudig goedhartige verdraagzaamheid. Maar met Baree was
het een andere kwestie. Hij was nog altijd „uskahis”, zooals Nepeese
Pierrot het genoemd zou hebben; hij had feitelijk nog moederzorg noodig;
hij had nog de verlangens van het heel jonge dier, want hij had nog geen
tijd gehad, daar bovenuit te groeien en als de nacht aanbrak, zou hij
het liefst in de groote beverwoning zijn gekropen, bij Umisk en zijn
kameraadjes, en daar geslapen hebben.
Wel veertien dagen lang na die heldendaad van Gebroken Tand op den dam
gebruikte Baree zijn maaltijden bij de kreek, zoowat een mijl verderop,
waar volop rivierkreeft zat. Maar de vijver was zijn tehuis. 's Nachts
was hij daar altijd te vinden en ook een groot gedeelte van den dag.
Hij sliep aan het uiteinde van den dam, of, bij bizonder heldere
nachten, er bovenop en de bevers ontvingen hem als voortdurenden gast.
Zij werkten in zijn tegenwoordigheid alsof hij niet bestond. Baree was
geboeid door dit werk en werd nooit moede er naar te kijken. Het wekte
zijn belangstelling en verbazing op. Dag aan dag zag hij hen hout vlot
maken en snel door het water stuwen naar den nieuwen dam. Hij zag den
dam steviger worden onder hun zwoegen. Op zekeren dag lag hij op twaalf
voet afstands van een ouden bever, die bezig was een boom te vellen
van anderhalven decimeter doorsnee. Toen de boom viel en de oude bever
haastig maakte, dat hij wegkwam, ging Baree ook op den loop. Later kwam
hij terug en ging snuffelen op de plek, waar de boom doorgeknaagd was,
nieuwsgierig, waarvoor dit diende en waarom Umisk's oom, of grootvader,
of tante zich zooveel moeite op den hals haalde.
Hij kon nog altijd Umisk en de andere jonge bevers er niet toe krijgen,
hem mee te laten spelen en nadat hij daar eenige keeren moeite voor
gedaan had, staakte hij zijn pogingen. Om de waarheid te zeggen, hun
spel verbaasde hem al evenzeer als het dammen-maken van de oudere
bevers. Umisk bijvoorbeeld was er dol op, in de modder te spelen aan
den rand van den vijver. Hij was net een kleine jongen. Terwijl zijn
familieleden boomstammen van een voet in doorsnee naar hun grooten dam
stuwden, bracht Umisk takjes en twijgjes van geen grooter omvang dan
een potlood naar zijn speelterrein en bouwde een kinder-dammetje voor
zijn eigen plezier. Hij kon een uur lang aan dezen speel-dam werken,
met evenveel ijver als zijn vader en moeder aan den grooten dam werkten
en Baree lag dan plat op zijn buik, niet ver van hem af, naar hem te
kijken, in de grootst mogelijke verbazing. En door de half droge modder
groef Umisk ook zijn miniatuurkanalen, precies zooals een kleine jongen
zijn rivieren zou gegraven hebben en zijn zee, door roovers bevolkt,
ergens op een ondergeloopen stuk land. Met zijn scherpe tandjes velde
hij zijn boomstammen—wilgeloten, nooit meer dan een paar centimeter
dik—en wanneer deze takjes naar beneden tuimelden, voelde hij
ongetwijfeld een even groote voldoening als Gebroken Tand, wanneer hij
een berk van zeventig voet krakend in den vijver had doen storten. Baree
kon het grappige hiervan niet inzien. Hij begreep, dat er reden kon zijn
om aan stokken te knabbelen—hij hield er zelf ook van, zoo nu en dan
eens zijn tanden te scherpen—maar hij vond het al heel raar, dat Umisk
zoo zorgvuldig de schors van den stam afschilde en ze daarna inslikte.
Een andere manier van spelen ontmoedigde Baree nog sterker bij zijn
poging tot toenadering. Op kleinen afstand van de plek, waar hij Umisk
het eerst gezien had, helde de oever tien of twaalf voet naar het water
af en deze oever werd door de jonge bevers als glijbaan gebruikt.
Hij was glad en hard geworden door veelvuldig gebruik. Umisk had de
gewoonte, den oever te beklimmen op een plek, waar hij niet al te steil
was. Bovenaan de glijbaan gekomen, spreidde hij zijn staart plat achter
zich uit en, zich afzettend, schoot hij de helling af en kwam met een
grooten plons in het water terecht. Bij tijden waren er wel zes of tien
jonge bevers met deze sport bezig en nu en dan kwam een van de ouderen
naar boven waggelen en gleed eens een baantje mee met de jongelui. Op
zekeren middag, toen de glijbaan buitengewoon nat en glibberig was,
omdat zij pas gebruikt was, klom Baree langs het beverpaadje naar boven
en stelde een onderzoek in. Nergens had hij de beverlucht zoo sterk
geroken als op die glijbaan. Hij begon ze op te snuiven en was zoo
onvoorzichtig, zich te ver te wagen. In een oogwenk schoten zijn pooten
onder hem uit en met een enkelen woesten schreeuw vloog hij pijlsnel
de helling af. Voor de tweede maal in zijn leven worstelde hij onder
de oppervlakte van het water en toen hij zich een paar minuten later
door de weeke modder naar land sleepte, had hij zeer zeker een goed
beschrijfbare opvatting gekregen van het spelen der bevers. Misschien
had Umisk hem gezien. Het is ook mogelijk, dat al heel spoedig het
verhaal van zijn avontuur bekend was bij al de inwoners van Bever-Stad.
Want toen Baree Umisk dien avond naderde, terwijl deze zijn avondmaal
gebruikte van elzebast, week hij geen duimbreed van zijn plaats en voor
het eerst beroken zij elkanders neuzen. Tenminste Baree snoof hoorbaar
en de dappere kleine Umisk zat als een rolronde sfinx. Dit was de
bevestiging van hun vriendschap—van Baree's kant. Hij ravotte eenige
oogenblikken buitensporig in het rond en vertelde Umisk, hoeveel hij
van hem hield en dat ze groote vrienden zouden zijn. Umisk praatte in 't
geheel niet. Hij maakte geen beweging, voor hij weer doorging met zijn
maal. Maar met dat al zag hij er uit als een gezellig klein baasje en
Baree had zich sedert den dag, waarop hij zijn hol verlaten had, niet
zoo gelukkig gevoeld.
Deze vriendschap, hoewel zij uiterlijk geheel van één kant leek te
komen, was bepaald een groot belang voor Umisk. Wanneer Baree bij den
vijver was, bleef hij altijd zoo dicht mogelijk in Umisk's buurt.
Op zekeren dag lag Baree half slapend in het gras terwijl Umisk druk
bezig was met eenige elzespruiten, dicht bij hem. Hij werd gewekt door
het waarschuwend knallen van een beverstaart en toen hoorde hij het nog
eens en nog eens, het leken wel pistoolschoten. Hij sprong op. Aan alle
kanten renden de bevers naar den vijver toe. Juist op dit oogenblik
kwam Umisk uit het struikgewas voor den dag en haastte zich, zoo vlug
als zijn korte, dikke pootjes hem dragen konden, naar het water. Hij
had bijna de modder bereikt, toen iets roods als een lichtstraal
langs Baree's oogen schoot in de middagzon en een oogenblik later had
Napakasew—de mannetjesvos—zijn scherpe tanden in Umisk's keel geklemd.
Baree hoorde den doodelijk verschrikten schreeuw van zijn vriendje;
hij hoorde het waanzinnige _flap, flap, flap_ van vele staarten en
zijn bloed klopte heftig van opwinding en woede. Even bliksemsnel als
de roode vos aangevallen had, schoot hij te hulp. Hij was even groot
en zwaar als de vos en toen hij Napakasew aanviel, deed hij dit met
een grauw, dien Pierrot aan den anderen kant van den vijver had kunnen
hooren en zijn tanden zonken als messen in den schouder van Umisk's
belager. De vos was van een struikrooversgeslacht, die hun slachtoffer
in den rug overvallen en dooden. Hij zou nooit een gevecht tegenover
elkaar aanbinden, tenzij hij in een hoek gedreven was en Baree's aanval
was zoo woest en onverwacht geweest, dat hij op de vlucht sloeg,
bijna even snel als hij Umisk overvallen had. Baree zette hem niet
achterna. Hij ging naar Umisk toe, die half in de modder lag en op een
zonderlinge manier jammerde en snoof. Zachtjes besnuffelde Baree hem en
na eenige oogenblikken krabbelde Umisk overeind op zijn gezwemvliesde
pootjes, terwijl zeker wel twintig of dertig bevers een geweldig
spektakel maakten in het water bij den oever.
Na dien tijd leek de bevervijver voor Baree meer dan ooit op zijn tehuis.