VIII.

Eindelijk vrienden.

Voortgedreven door het vreeselijke gillen van de Wilg en het gezicht

van Pierrot, als een dolle op hem afstormend, terwijl hij het lijk van

Wakayoo in den steek liet, bleef Baree doorrennen, tot hij volkomen

ademloos was. Toen hij stilstond, was hij veilig de kloof uit en in

de buurt van den bevervijver. Bijna een week lang was Baree niet bij

den vijver geweest. Hij had Gebroken Tand en Umisk en de andere jonge

bevertjes niet vergeten, maar Wakayoo en zijn dagelijksche vangst van

versche visch was een te groote verleiding voor hem geweest. En nu

was Wakayoo weg. Hij wist, dat de groote zwarte beer nooit meer zou

visschen in de rustige poelen en schemerige draaikolken en dat er, waar

vele dagen lang vrede en overvloed geheerscht hadden, nu groot gevaar

dreigde en, zooals hij tevoren naar zijn oude hol zou gevlucht zijn om

zich in veiligheid te brengen, zoo vluchtte hij nu in zijn wanhoop naar

den bevervijver. Waarvoor hij zoo bang was, is moeilijk te zeggen, maar

Nepeese was er zeker niet de oorzaak van. De Wilg had hem nagejaagd. Zij

had zich op hem geworpen. Hij had den greep van haar handen gevoeld en

het verstikkende gevoel van heur haren _en toch was hij van haar niet

bang_! Als hij zoo nu en dan stil stond en omkeek, was het om te zien

of Nepeese hem soms volgde. Hij zou niet hard weggeloopen zijn voor

haar—_alleen_. Haar oogen, stem en handen hadden een ontroering in hem

gewekt; hij was nu vervuld met een nog grooter verlangen en nog grooter

eenzaamheid en dien nacht droomde hij benauwde droomen. Hij maakte zich

een leger onder een sparrewortel dicht bij den bevervijver en dien

heelen nacht lang was zijn slaap vervuld met onrustige droomen—droomen

van zijn moeder, van Kazan, het oude hol onder de omgewaaide boomen,

van Umisk—en Nepeese. Eens, toen hij wakker werd, dacht hij dat de

sparrewortel Wolvin was en toen hij ontdekte, dat zij er niet was,

zouden Pierrot en de Wilg hebben kunnen zeggen waarom hij begon te

jammeren. Telkens en telkens had hij visioenen van de opwindende

gebeurtenissen van dien dag. Hij zag de vlucht van Wakayoo over het

weitje, hij zag hem weer sterven. Hij zag den glans van de oogen van de

Wilg vlak bij de zijne, hoorde haar stem—zoo liefelijk en zacht, dat

zij als vreemde muziek voor hem was—en hoorde opnieuw haar vreeselijk

gegil.

Hij was blij toen de dag aanbrak. Hij ging niet op zoek naar voedsel,

maar daalde af naar den vijver. Zijn houding duidde op weinig hoop of

verwachting. Hij herinnerde zich, dat Umisk en zijn speelmakkertjes,

zoo duidelijk als dit in de dierentaal maar mogelijk was, hem aan

zijn verstand hadden gebracht, dat zij niets met hem te maken wilden

hebben. En toch nam het feit, dat zij daar waren, al iets van zijn

eenzaamheid weg. Niets was erger dan eenzaamheid. De wolvenaard in hem

was overheerscht door de hondennatuur. En in dergelijke oogenblikken,

wanneer zijn instinkten van wild dier sluimerden, werd hij gedrukt door

het groeiende, schoon nog niet geheel geopenbaarde bewustzijn, dat hij

niet zuiver van dat wilde bloed was, maar een vluchteling temidden der

roofdieren en aan alle kanten door onbekende gevaren bedreigd.

Diep in de bosschen van het Noorden werkt en speelt de bever niet alleen

in de duisternis, maar gebruikt den dag zelfs nog meer dan den nacht

en verscheidene leden van Gebroken Tand's familie waren wakker, toen

Baree lusteloos langs de oevers van den vijver begon te zoeken. De

jonge bevertjes waren nog met hun moeders in de groote woningen, die er

uitzagen als koepels van modder en stokken in het midden van het meer.

Er waren drie van deze woningen en een er van was zeker wel twintig voet

in doorsnee. Baree had eenige moeite, de zijde van den vijver te blijven

volgen. Toen hij terugkeerde te midden van de wilgen, elzen en berken,

kruisten dozijnen van kanalen zijn pad. Sommige van die kanalen waren

een voet breed en andere drie of vier voet en alle waren vol water. Geen

land ter wereld had ooit een beter verkeerssysteem dan dit bever-domein,

waarlangs zij hun werkmaterialen en voedsel naar de hoofdbewaarplaats,

den vijver, brachten. In een van de grootste kanalen verraste Baree

een bever, die een stuk berkebast meesleepte, wel vier voet lang

en in die eene lading een dozijn maaltijden met zich meevoerde. De

schors van den berkeboom zou men het brood en de aardappelen van het

bevermenu kunnen noemen, terwijl de hooger aangeschreven basten van den

wilg en den jongen els de plaats innemen van vleesch en pastei. Baree

rook nieuwsgierig aan den berkebast, nadat de oude bever dien bij een

haastigen aftocht in den steek gelaten had en ging toen verder. Hij deed

een poging, zich te verbergen, ditmaal, en ten minste een half dozijn

bevers konden hem op hun gemak bekijken, voor hij de plaats bereikte

waar de vijver zich vernauwde, bijna een halve mijl van den dam af. Toen

liep hij weer terug. Dien heelen morgen dwaalde hij rond den vijver,

zich openlijk vertoonend.

In hun groote vesting van modder en rijshout hielden de bevers

krijgsraad. Zij wisten niet wat zij er van denken moesten. Er waren

vier vijanden, die zij vreesden boven alle andere—de otter, die in den

winter hun dammen vernielen kwam en hun den dood bezorgde door de koude

en door hun waterstand zoo laag te maken, dat zij hun voedsel niet meer

konden bereiken; de lynx, die loerde op allen, hetzij jong of oud, en de

vos en de wolf, die uren lang in een hinderlaag konden liggen, om dan op

de heel jonge bevers af te schieten, zooals Umisk en zijn speelmakkers.

Wanneer Baree een van deze vier geweest was, zouden de slimme oude

Gebroken Tand en zijn lotgenooten wel geweten hebben, wat hun te doen

stond. Maar Baree was zeker geen otter en als hij een vos was, of een

wolf, of een lynx, waren zijn handelingen tenminste zonderling te

noemen. Een half dozijn malen had hij zijn prooi kunnen bespringen, als

hij dat van plan was. Maar hij had in 't geheel geen voornemen getoond,

hen kwaad te doen.

Het kan zijn, dat de bevers den toestand lang en breed met elkander

bespraken. Het is mogelijk, dat Umisk en zijn speelmakkertjes hun ouders

vertelden van hun avontuur en dat Baree geen beweging gemaakt had om

hen kwaad te doen, terwijl hij hen toch gemakkelijk had kunnen vangen.

Het is ook meer dan waarschijnlijk, dat de oudere bevers, die voor Baree

op de vlucht gegaan waren, dien morgen een verslag uitbrachten van hun

ondervindingen en den nadruk legden op het feit, dat de vreemdeling,

hoewel hij hun grooten schrik aangejaagd had, geen neiging had vertoond,

hen aan te vallen. Dit alles is zeer wel mogelijk, want als bevers

een groot deel van de geschiedenis van het vasteland kunnen maken en

ingenieurswerken aanleggen, alleen door dynamiet te verwoesten, is het

redelijk, te veronderstellen, dat zij op de een of andere manier met

elkaar praten.

Hoe het ook zij, de dappere oude Gebroken Tand nam het op zich, de

onzekerheid op te heffen.

Het was vroeg in den namiddag, toen Baree voor de derde of vierde maal

een wandelingetje ging maken op den dam. Deze dam had een lengte van

ruim tweehonderd voet, maar op geen enkele plaats spoelde het water er

overheen, daar het overtollige vocht een uitweg vinden kon door nauwe

sluisjes. Een paar weken tevoren had Baree over dien dam den vijver

kunnen oversteken, maar nu waren aan het andere einde Gebroken Tand en

zijn ingenieurs bezig een nieuw stuk aan den dam toe te voegen, en om

hun werk gemakkelijker te kunnen verrichten, hadden zij ruim vijftig

meter van den grond, waarop zij bezig waren, doen onderloopen. Deze

voornaamste dam had een groote aantrekkingskracht voor Baree. Hij droeg

den bevergeur in sterke mate. De bovenkant er van was hoog en droog

en er waren dozijnen kleine uithollingen in, waarin de bevers hun

zonnebaden hadden genomen. In een van deze holten strekte Baree zich

uit, met zijn oogen op den vijver gevestigd. Geen rimpeling verbrak zijn

fluweelige oppervlakte. Geen geluid verstoorde de slaperige middagrust.

De bevers hadden dood kunnen zijn of slapend, zoo weinig beweging

maakten zij. En toch wisten zij, dat Baree op den dam was.

Waar Baree lag, bescheen de zon hem met vollen gloed en hij voelde zich

zoo lekker, dat het hem na een poosje moeite kostte, zijn oogen open te

houden. Toen viel hij in slaap.

Hoe Gebroken Tand dit merkte, is een raadsel. Vijf minuten later

kwam hij bedaard, zonder eenig geluid of geplas, tot op vijftig meter

afstands van Baree. Eenige oogenblikken bewoog hij zich ternauwernood

in het water. Daarna zwom hij heel langzaam evenwijdig met den dam den

vijver over. Aan den overkant klauterde hij aan wal en bleef een tijdje

zitten, zoo onbeweeglijk als een steen, met zijn oogen gevestigd op dat

gedeelte van den dam, waar Baree lag. Geen der andere bevers bewoog en

het was al gauw klaarblijkelijk, dat Gebroken Tand maar één ding op het

oog had—Baree eens van naderbij te bekijken. Toen hij het water weer

inging, zwom hij vlak langs den dam voort. Tien voet beneden Baree begon

hij aan land te klimmen. Hij deed dit uiterst langzaam en voorzichtig.

Eindelijk bereikte hij den top van den dam.

Een paar meter van hem af lag Baree, geheel in de holte verborgen.

Gebroken Tand kon slechts een klein gedeelte van zijn glanzend, zwart

lichaam ontdekken. Om beter te kunnen kijken, spreidde de oude bever

zijn platten staart uit en verhief zich tot een zittende houding op

zijn achterdeelen, terwijl hij zijn twee voorpooten over zijn borst

liet hangen als een eekhoorn. In deze houding was hij ruim drie voet

hoog. Hij woog waarschijnlijk veertig pond en hij deed denken aan

een goedigen, ouden, weerzinwekkenden hond. Maar zijn brein werkte

met verbazingwekkende snelheid. Plotseling gaf hij met zijn staart

een enkelen klap op de modder van den dam—en Baree zat rechtop.

Oogenblikkelijk zag hij Gebroken Tand en bleef hem aanstaren.

Gebroken Tand keek hem ook strak aan. Een halve minuut lang bewoog

geen van beiden zich ook maar een haarbreedte. Toen stond Baree op en

kwispelstaartte.

Dat was genoeg. Op zijn voorpooten neervallend, waggelde Gebroken Tand

op zijn doode gemak naar den waterkant en liet er zich overheen glijden.

Hij was nu niet voorzichtig meer en haastte zich ook niet.

Hij maakte veel beweging in het water en zwom stoutmoedig onder Baree

heen en weer. Toen hij dit verscheidene malen gedaan had, ging hij

regelrecht op de grootste van de drie woningen af en verdween. Vijf

minuten na Gebroken Tand's heldendaad was het onder de kolonie algemeen

verspreid: de vreemdeling—Baree—was geen lynx. Hij was geen vos.

Hij was ook geen wolf. Daarbij kwam nog, dat hij heel jong was en

onschadelijk. Het werk kon weer voortgezet worden. Ook het spel. Er

dreigde geen gevaar. Zoo luidde Gebroken Tand's uitspraak. Als iemand

deze feiten in de bevertaal met een roeper geschreeuwd had, had het

antwoord niet sneller kunnen gegeven worden. Opeens leek het Baree, of

de vijver stampvol bevers was. Hij had er nooit tevoren zooveel bij

elkaar gezien. Zij kwamen aan alle kanten opduiken en sommige zwommen

doodbedaard vlak onder hem heen en weer en keken nieuwsgierig naar hem

op. Misschien vijf minuten lang schenen de bevers niets in 't bizonder

van plan te zijn. Toen stevende Gebroken Tand op den dam af en klom

naar boven. Anderen volgden hem. Een half dozijn van zijn werklieden

begaven zich in het struikgewas van de wilgen en elzen. Verlangend keek

Baree uit naar Umisk en zijn vriendjes. Eindelijk zag hij hen—zij

kwamen uit een van de kleinere woningen zwemmen. Zij klommen weer op hun

speelplaats van den vorigen dag. Baree kwispelstaartte zoo hard, dat

zijn heele lijfje er van schudde, toen haastte hij zich langs den dam

naar beneden.

Toen hij op het vlakke gedeelte van den oever kwam, trof hij daar Umisk

alleen aan; hij knabbelde aan zijn avondmaal, een versch afgeknaagd stuk

wilgebast. De andere jonge bevers waren in de elzestruiken verdwenen.

Ditmaal liep Umisk niet weg. Hij keek op. Baree hurkte neer, zich

wringend op zijn allervriendelijkste manier. Eenige oogenblikken bleef

Umisk hem aankijken. Er viel nu niets te vreezen. Wat dit ook voor een

raar beest mocht wezen, het was jong en onschadelijk en scheen werkelijk

graag goede maatjes te willen worden bovendien. Hij staarde Baree

oplettend aan.

Toen zette hij heel rustig zijn avondmaal voort.... En Baree wist, dat

hij niet langer zonder vrienden was.

De zoon van Kazan · 第 12 / 34 题