VII.

Wakayoo's einde.

Gedurende twee of drie dagen brachten Baree's onderzoekingstochten naar

voedsel hem hoe langer hoe verder van den vijver af, waar hij Gebroken

Tand had gezien en kleinen Umisk en al die andere bevers, die aan het

spelen waren. Maar tegen den middag keerde hij er altijd weer terug—tot

op den derden dag, toen hij een nieuwe kreek ontdekte, en Wakayoo. Deze

kreek was volle twee mijlen dieper het bosch in. Het was een heel andere

stroom dan de eerste. Zij zong vroolijk, al glijdend over een bedding

van kiezelsteenen en tusschen rotskloven. Zij vormde diepe poelen en

schuimende draaikolken en op de plek waar Baree haar het eerst naderde

klonk het verwijderde gedonder van een waterval. Zij was veel aardiger

dan die donkere, stille Bever-vijver. Er scheen leven in te huizen en

het gedruisch en de beweging hiervan—het zingen en klotsen van het

water—gaf Baree geheel nieuwe gewaarwordingen. Hij liep er langzaam

en behoedzaam langs en omdat hij zich zoo langzaam en voorzichtig

voortbewoog kwam hij plotseling en onopgemerkt Wakayoo, den grooten

zwarten beer, overvallen, die druk aan het visschen was.

Wakayoo stond tot aan zijn knieën in een poel en had een buitengewoon

goede vangst. Juist op het oogenblik dat Baree zich wilde terugtrekken,

terwijl hem de oogen uit den kop puilden bij den aanblik van dit

monster, dat hij nog maar eens in zijn leven gezien had, in den nacht,

wierp Wakayoo's groote klauw een straal water hoog de lucht in en een

visch kwam terecht op den steenachtigen oever. Eenigen tijd tevoren

waren de karpers bij aantallen de rivier opgezwommen om kuit te schieten

en door het snelle vallen van het water waren zij in die kleine poelen

gevangen geraakt. Wakayoo's vet, glanzend lijf gaf getuigenis van het

voordeel dat hij van deze omstandigheid getrokken had. Ofschoon het al

over het „eerste” seizoen was voor berenhuiden was Wakayoo's vacht nog

prachtig dicht en zwart. Een kwartier lang bleef Baree toekijken hoe

hij de visschen uit den vijver sloeg. Toen hij eindelijk ophield lagen

er twintig of dertig visschen op de steenen, sommige waren dood, andere

spartelden nog. Van de plek waar hij lag, plat tusschen twee rotsen,

kon Baree het kraken van de graten hooren, terwijl de beer zijn maal

verslond. Het klonk _prettig_ en de doordringende lucht van versche

visch vervulde hem met een begeerte, die nooit in hem opgewekt was door

eenige rivierkreeft of zelfs patrijs.

In weerwil van zijn dikte en zijn omvang was Wakayoo geen gulzigaard en

nadat hij zijn vierden visch verorberd had klauwde hij al de overige op

een hoop, bedekte ze gedeeltelijk met zand en steenen en voleindigde

zijn verbergingswerk door een jongen balsemstruik af te knakken en er

overheen te leggen, zoodat de visschen geheel onzichtbaar waren. Toen

waggelde hij langzaam weg, in de richting van den gonzenden waterval.

Twintig sekonden nadat Wakayoo's achterlijf om een bocht van de kreek

verdwenen was zat Baree onder den balsemstruik. Hij sleepte een visch

voor den dag, waar nog wat leven inzat. Dien at hij op tot de laatste

graat en het smaakte hem verrukkelijk.

Baree was van oordeel, dat Wakayoo nu het voedselvraagstuk voor hem had

opgelost en hij keerde dien dag niet terug naar den bevervijver; den

volgenden evenmin.

De groote beer was zonder ophouden aan het visschen en dag na dag

hernam Baree zijn feestmaal. Het viel hem niet moeilijk Wakayoo's

opslagplaatsen te vinden. Al wat hij te doen had was langs den stroom te

loopen en goed te snuffelen. Sommige van die opslagplaatsen waren van

ouden datum en haar geur allesbehalve aangenaam voor Baree's neusgaten.

Deze ontweek hij dan ook. Maar hij wist zich vrij regelmatig tweemaal

daags op deze manier aan eten te helpen. Een week lang duurde dit

gemakkelijke leventje. Toen kwam het einde.

Dit einde kwam toen Baree, op zekeren dag om een rots heen loopend,

dicht bij den waterval, tegenover Pierrot, den jager kwam te staan—en

Nepeese, zijn dochter, het ster-oogige meisje, dat, vele dagen geleden,

in die vlakte op hem geschoten had. Haar zag hij het eerst. Als hij

Pierrot het eerst gezien had zou hij snel omgekeerd zijn. Maar het

hondenbloed van zijn vader klopte heftig in hem. Hij bleef stilstaan.

Nepeese was niet meer dan twintig voet van hem af. Zij zat op een rots,

in het volle licht van de vroege morgenzon en was bezig haar prachtig

haar uit te borstelen. Zooals zij daar zat bedekte het haar bijna tot

aan den grond, het glansde nog meer dan Wakayoo's fluweel-zwarte vacht

en temidden van deze donkere omlijsting keek zij strak naar Baree. Haar

lippen gingen vaneen. Haar oogen begonnen te schitteren als sterren.

In haar eene hand hield zij gitzwarte lokken. Zij herkende hem. Zij

zag de witte ster op zijn borst en het witte tipje aan zijn oor en zij

fluisterde:

„Uchi Moosis”—het jonge hondje! Het was de wilde hond, waarop zij

geschoten had en die, naar zij gemeend had, gestorven was! Er was geen

vergissing mogelijk. Hij was geheel en al hond, zooals hij daar naar

haar stond te kijken.

Den avond tevoren hadden zij zich een schuilplaats gebouwd van

balsemstruiken achter de groote rots en op een plek wit zand lag Pierrot

geknield over een vuur en maakte het ontbijt gereed, terwijl de Wilg

heur haar in orde bracht. Hij lichtte het hoofd op om tot haar te

spreken en zag Baree. Op dit oogenblik werd de betoovering verbroken.

Baree zag het manbeest en hij maakte beenen. Als een pijl uit den boog

ging hij er vandoor.

Maar hij kreeg ternauwernood eenigen voorsprong op Nepeese.

„Pache, _mon père_!” riep zij. „Het jonge hondje! Gauw!—”

In de golvende wolk van heur haar snelde zij Baree achterna. Pierrot

volgde haar en greep onder het loopen zijn geweer op. Het kostte hem

moeite de Wilg bij te houden. Zij leek wel een geest, haar kleine

met moccasins geschoeide voeten raakten nauwelijks het zand, terwijl

zij langs den oever liep. Het was verrukkelijk haar soepele, lichte

bewegingen te zien en dat prachtige haar glanzend in de zon.

Zelfs nu, in dit oogenblik vol opwinding, deed het Pierrot denken aan Mc

Taggart, den agent van de Hudson Baai Compagnie, te Lac Bain en aan wat

deze gisteren gezegd had. Den halven nacht had Pierrot wakker gelegen,

tandeknarsend terwijl hij er aan dacht, en dezen morgen, vóór Baree

was gekomen, had hij Nepeese nauwkeuriger bekeken dan ooit te voren in

zijn leven. Zij _was_ mooi. Zij was zelfs nog bekoorlijker dan Wyola,

haar moeder van vorstelijken bloede, die gestorven was. Dat haar—de

mannen staarden ernaar alsof zij hun oogen niet vertrouwen konden! Die

oogen—gelijk vijvers met schitterend sterrenlicht gevuld! Haar slank,

buigzaam lichaam als van een bloem! En Mc Taggart had gezegd—

Er golfde een opgewonden kreet naar hem terug.

„Gauw Nootawe! Hij is de doodloopende kloof ingegaan. Nu kan hij ons

niet meer ontsnappen!—”

Zij hijgde toen hij haar ingehaald had. Het Fransche bloed in haar

dreef een levendig rood naar haar wangen en lippen. Haar witte tanden

glinsterden.

„Daarin—” en zij wees ernaar.

Zij gingen erin.

Voor hen uit rende Baree om zijn leven te redden. Hij werd bezeten door

angst voor het man-beest. Dit was een vrees, die hem alle oordeel des

onderscheids ontnam. Een vrees, afwijkend van alle andere gevoelens, die

de natuur in hem vermocht op te wekken.

Zooals de beer, de wolf, de lynx—zooals alle dieren van het

woud, gehoefd en geklauwd—begreep hij instinktmatig, dat deze

wonderbaarlijke, tweebeenige schepsels, die hij daareven gezien had,

oppermachtig waren. En zij zetten hem achterna! Hij kon hen hooren.

Nepeese liep bijna even hard als hij. Plotseling kwam hij terecht in een

gleuf tusschen twee rotsen en zijn weg werd twintig voet versperd en

hij rende weer terug. Toen hij weer de kloof insprong, was Nepeese geen

twaalf meter achter hem en hij zag Pierrot bijna aan haar zijde. De Wilg

uitte een kreet.

„Mana—Mana—daar is hij!”

Zij hield haar adem in en sprong in een boschje jonge balsemstruiken,

waarin zij Baree had zien verdwijnen. Als een breed web bleven haar

losse haren tusschen de takken gespannen en met een aanvurenden

kreet naar Pierrot bleef zij stilstaan om het over haar schouder te

schudden en hij snelde langs haar heen. Zij liet niet meer dan een paar

oogenblikken verloren gaan en zette hem achterna. Plotseling schreeuwde

Pierrot een waarschuwing. Baree was teruggekeerd. Hij kwam langs

hetzelfde paadje terug en regelrecht op de Wilg af. Hij zag haar niet

intijds om zijn vaart in te houden of opzij uit te schieten en Nepeese

wierp zich op den grond. Hij voelde de massa van heur haar en den

greep van haar handen. Die lange haren, aan alle kanten om haar heen

hangende, speelden Nepeese parten, zij greep mis en Baree ging er met

een ruk vandoor en verdween opnieuw in de doodloopende kloof.

Nepeese sprong overeind. Zij hijgde—en lachte. Pierrot kwam terughollen

en de Wilg weer achter hem.

„Ik had hem—_en hij heeft me niet gebeten_!” zeide zij, snel ademend.

Zij wees nog steeds naar de kloof en herhaalde: „Ik had hem en hij heeft

me niet gebeten, Nootawe!”

Dat was merkwaardig. Zij had iets roekeloos' begaan en Baree had haar

niet gebeten! En toen, terwijl haar groote oogen schitterden en de

glimlach langzaam van haar lippen verdween, sprak zij zacht en bijna

eerbiedig het woord „Baree” uit.

Dit woord had de uitwerking van een schot op Pierrot. Hij klemde zijn

lenige handen ineen. Hij bleef Nepeese een oogenblik met groote oogen

aanstaren. Toen riep hij:

„Neen, neen, dat kan niet. Kom—of hij zal ons ontsnappen!”

Pierrot was nu vol zelfvertrouwen. De kloof had zich vernauwd en Baree

kon niet langs hen heen zonder gezien te worden. Drie minuten later kwam

Baree aan het eind van de kloof—een steilen rotsmuur. De overvloedige

vischmaaltijden en het vele slapen bij den bevervijver hadden bij hem

vet aangezet en hij was bijna buiten adem, terwijl hij tevergeefs naar

een uitgang zocht. Er was zelfs geen struik om zich achter te verbergen

en Pierrot en Nepeese zagen hem opnieuw. Nepeese kwam regelrecht op

hem af en Pierrot, voorziende wat Baree zou doen, plaatste zich ter

linkerzijde.

Rondom en tusschen de rotsen zocht Baree haastig naar een uitweg. Binnen

eenige oogenblikken bereikte hij het einde van de kloof.

Dit was een opening in den rotsmuur zoowat zestig voet wijd, die toegang

gaf tot een natuurlijke gevangenis, ongeveer een hectare in omvang. Het

was een mooi plekje. Aan de drie overige zijden was het door rotsen

omringd. Aan het uiterste einde verbrokkelde een waterval zich in kleine

huppelende stroompjes. Het gras was er welig en met bloemen bezaaid. In

deze val had Pierrot meer dan eens een hert gedood. Er was van daaruit

geen ontsnappen mogelijk zonder in het veld van zijn geweer te komen.

Hij riep Nepeese, toen hij Baree daar binnen zag gaan en zij beklommen

samen het rotsige pad.

Baree was bijna aan den rand van het weitje gekomen toen hij zoó

plotseling zijn vaart inhield, dat hij in zittende houding terecht kwam

en zijn hart hem in de keel scheen te springen.

Midden op zijn pad stond Wakayoo, de reusachtige zwarte beer.

Misschien een halve minuut lang weifelde hij tusschen de twee gevaren.

Hij hoorde de stemmen van Pierrot en Nepeese. Hij hoorde de steenen

kraken onder hun voet. En een groote angst vervulde hem. Toen keek hij

naar Wakayoo. De groote beer had zich niet bewogen. Ook hij stond te

luisteren. Maar bij hem waren het niet alleen de geluiden, die hem met

onrust vervulden. Het was de reuk, dien hij in den neus had gekregen.

De menschenlucht.

Baree, die hem gadesloeg, zag dat zijn kop langzaam heen en weer begon

te zwaaien toen de voetstappen van Nepeese en Pierrot dichterbij kwamen.

Het was voor de eerste maal dat hij tegenover den grooten zwarten

beer kwam te staan. Hij had naar hem gekeken, wanneer hij stond te

visschen. Hij was dik geworden door Wakayoo's arbeid. Hij had altijd

een buitengewonen eerbied voor hem gehad. Maar nu had de beer iets

over zich, dat Baree's vrees deed verdwijnen en plaats maakte voor

een nieuw, wonderlijk gevoel. Wakayoo, groot en prachtig, zou niet

wegloopen voor de tweebeenige dieren, die hem achterna zaten. Als hij

maar eenmaal langs Wakayoo heen was, was hij veilig. Hij sprong terzijde

en liep de open weide in. Wakayoo bewoog zich niet toen hij langs hem

heenstoof—hij nam niet meer notitie van hem dan wanneer hij een konijn

of een vogel geweest ware. Toen voerde de wind opnieuw de menschenlucht

aan, ditmaal sterker. En dit deed hem ten slotte tot bezinning komen.

Hij keerde zich om en begon Baree achterna te schommelen. En Baree, die

omkeek, dacht, dat hij hem ook al achtervolgde. Nepeese en Pierrot

kwamen juist voor den dag en zagen op hetzelfde oogenblik Wakayoo en

Baree.

Toen zij door de opening kwamen zwenkte Baree sterk naar rechts. Hier

was een groot rotsblok, aan den eenen kant de aarde niet heelemaal

aanrakend; het scheen een prachtige schuilplaats en Baree kroop eronder.

Maar Wakayoo hield steeds het midden van de weide.

Van waar hij lag kon Baree zien wat er gebeurde. Ternauwernood was

hij onder de rots gekropen toen Nepeese en Pierrot in de opening van

den rotsmuur verschenen en bleven stilstaan. Het feit, dat zij bleven

stilstaan, deed Baree sidderen. Zij waren bang van Wakayoo! De groote

beer was nu voor twee derden de weide overgestoken. De zon scheen vol

op hem, zoodat zijn huid glansde als zwart satijn. Pierrot bleef een

oogenblik naar hem staren. Het was laat in het seizoen. Het bont was

niet schitterend meer. Maar Wakayoo's vacht was nog prachtig! Pierrot

doodde niet uit lust tot moorden. Noodzaak deed hem soms tot dooden

overgaan, de dieren van het woud waren zijn voedsel, zijn kleeding, en

Wakayoo zou, had hij een ruige vacht gehad of was hij aan het verharen

geweest, veilig geweest zijn. Maar zooals de zaken nu stonden hief

Pierrot zijn geweer op.

Baree zag deze handeling. Hij zag, een oogenblik later, iets spuiten

uit den geweerloop en daarna hoorde hij dien oorverdoovenden knal, die

vergezeld was gegaan van zijn eigen pijn, toen de kogel van de Wilg door

zijn vleesch had gebrand. Hij wendde snel zijn oogen naar Wakayoo. De

groote beer was gestruikeld. Hij lag nu op zijn knieën. Hij scharrelde

overeind en waggelde verder. Het geraas van het geweer klonk opnieuw

en voor de tweede maal zonk Wakayoo op den grond. Pierrot kon niet

missen op dezen afstand. Wakayoo was een prachtige schietschijf. Het was

eenvoudig een slachting en toch was het voor Pierrot en Nepeese een zaak

van gewicht—voor hun levensonderhoud.

Baree lag te trillen. Het was meer van opwinding dan van angst, want hij

dacht niet aan zijn eigen vrees in de tragedie van deze oogenblikken.

Er rees een zacht gejank in zijn strot, toen hij naar Wakayoo keek, die

nu stil was blijven staan voor zijn vijanden; hij had een gapende wond

in zijn kaak, zijn kop slingerde langzaam heen en weer, zijn pooten

verzwakten onder hem, terwijl het bloed door zijn verscheurde longen

stroomde. Baree jankte, omdat Wakayoo voor hem gevischt had, omdat hij

hem als een vriend was gaan beschouwen en omdat hij wist, dat het de

dood was, die Wakayoo nu te wachten stond. Er knalde een derde schot.

Dit was het laatste. Wakayoo zonk in elkaar. Zijn groote kop plofte

tusschen zijn voorpooten. Baree hoorde hem een paar keer smartelijk

janken. En toen heerschte er stilte.

Het was een bloedbad geweest—maar noodzakelijk voor Pierrot.

Een minuut later zeide Pierrot tot Nepeese, terwijl hij zich over

Wakayoo boog:

„_Mon Dieu_, dàt is nog eens een mooie huid, _Sakahet_! Die is wel

twintig dollars waard in Lac Bain!”

Hij trok zijn mes en begon het te slijpen op een steen, dien hij in den

zak droeg. Nu had Baree weg kunnen kruipen van onder zijn rots en uit

de kloof kunnen ontsnappen. Een poosje lang was men hem vergeten. Toen

herinnerde Nepeese zich hem, terwijl haar vader de berenhuid begon af

te stroopen en sprak met dienzelfden wonderlijken stemklank opnieuw het

woord „Baree” uit.

Pierrot, die geknield op den grond lag, keek op.

„Waarom zeg je dat toch?” vroeg hij. „Waarom Nepeese?”

De oogen van de Wilg rustten onderzoekend op de weide.

„Om de ster op zijn borst en om zijn witte oor en omdat hij me niet

gebeten heeft!” zeide zij.

Er flikkerde een nieuwe gloed in Pierrot's oogen, zooals het opvlammen

van een vuur, dat bijna uitgebrand is.

„Neen, dat kan niet,” zeide hij toen, alsof hij die woorden tot zichzelf

sprak, en boog weer over zijn werk.

Maar Nepeese bemerkte, dat de hand, waarin hij het mes hield, beefde.

Terwijl Nepeese naar den rotsigen muur van de kloof staarde, de

gevangenis waarin zij Wakayoo en Baree gedreven hadden, keek Pierrot

weer op van zijn werk en prevelde iets, dat niemand behalve hijzelf

had kunnen hooren. „Neen, het is niet mogelijk,” had hij een oogenblik

tevoren gezegd, maar voor Nepeese was zij wèl mogelijk—de gedachte die

zij met zich omdroeg. Het was een wonderlijke gedachte. Ze deed haar

ontroeren tot in het diepst van haar ongebreidelde, mooie ziel. Zij

bracht een gloed in haar oogen en een dieper rood van opwinding in haar

wangen en lippen. Zij fluisterde opnieuw het woord, dat Pierrot zoo

ontroerd had. „Baree!” Waarom zou het niet mogelijk zijn?

Terwijl zij de weide onderzocht, om een spoor te vinden van het jonge

hondje, vloden haar gedachten snel terug. Twee jaren geleden hadden zij

haar moeder begraven onder de hooge sparren, dicht bij hun hut. Dien dag

was Pierrot's zon voorgoed ondergegaan en haar eigen leven vervuld met

een groote eenzaamheid. Er hadden er drie aan het graf gestaan, dien

middag toen de zon onderging—Pierrot, zijzelf en Baree. Baree was een

hond, een groot, ruig dier, met een witte ster op zijn borst en een wit

vlekje aan zijn oor. Hij was de lieveling geweest van haar gestorven

moeder, van zijn prilste jeugd af. Hij vormde haar lijfwacht—was altijd

bij haar—liet zelfs zijn kop rusten op den rand van haar bed, toen

zij lag te sterven. En dien nacht, den nacht volgende op den middag

van haar begrafenis, was Baree verdwenen. Hij was verdwenen even stil

en spoorloos als haar geest. Niemand had hem daarna ooit meer gezien.

Het was vreemd en voor Pierrot een mirakel. Diep in zijn hart koesterde

hij de overtuiging, dat Baree met zijn geliefde Wyola ten hemel gevaren

was. Maar Nepeese had drie winters doorgebracht op de zendingsschool

te Nelson House. Zij had daar veel geleerd over blanke menschen en den

werkelijken God en zij wist, dat dit denkbeeld van Pierrot onbestaanbaar

was. Zij geloofde, dat haar moeders Baree òf dood was, òf naar de wolven

gegaan. Waarschijnlijk was hij naar de wolven gegaan. Daarom—was het

niet onmogelijk, dat dit jong, waarop zij en haar vader jacht gemaakt

hadden, van hetzelfde vleesch en bloed was als haar moeders lieveling!

Het was heel wèl mogelijk. De witte ster op zijn borst, de witte vlek

aan zijn oor—het feit, dat hij haar niet gebeten had, terwijl hij

gemakkelijk zijn slagtanden had kunnen begraven in het weeke vleesch van

haar armen! Zij was er zeker van. En terwijl Pierrot den beer vilde,

begon zij jacht te maken op Baree.

Baree had zich geen duim bewogen onder zijn rotsblok. Hij lag alsof

hij verdoofd was, met zijn oogen strak gericht op de plaats, waar de

tragedie van zooeven zich in de weide had afgespeeld. Hij had iets

gezien wat hij nooit meer vergeten zou—zooals hij nooit zijn moeder zou

vergeten, of Kazan, of het oude hol onder de omgewaaide boomen. Hij was

getuige geweest van den dood van een schepsel, dat volgens zijn meening

oppermachtig geweest was. Wakayoo, de groote beer, had niet eens den

strijd aangebonden. Pierrot en Nepeese hadden hem gedood _zonder hem aan

te raken_ en nu sneed Pierrot in hem met een mes, dat zilveren stralen

uitschoot in het zonlicht. En Wakayoo maakte geen enkele beweging. Het

deed Baree rillen en hij kroop nog wat verder onder het rotsblok, waar

hij al zoo stijf in elkaar gedrukt lag, alsof een krachtige hand hem er

onder geschoven had.

Hij kon Nepeese zien. Zij ging staan dicht bij de opening in den

rotswand en was nu niet meer dan twintig voet van de plaats, waar

hij zich verborgen had. Nu zij op een plek stond, waar hij haar niet

ontsnappen kon, begon zij haar glanzend haar in twee dikke vlechten

te weven. Baree had zijn oogen van Pierrot afgewend en sloeg haar

nieuwsgierig gade. Hij was nu niet bang. Zijn zenuwen tintelden. Er

worstelde in hem een zonderling en groeiend verlangen, het raadsel op

te lossen, waarom hij zich gedrongen voelde, van onder zijn rots te

voorschijn te kruipen en dat wonderbaarlijke wezen te naderen, met haar

schitterende oogen en glanzend haar. Hij voelde begeerte dit te doen.

Het was als een onzichtbare snaar, die in hem trilde. Het was Kazan, en

niet Wolvin, die iets in hem wakker riep, het was een roep, even oud als

de Egyptische pyramiden en misschien nog tienduizend jaar ouder. Maar

daartegenover verzette zich Wolvin, uit de eeuwenoude bosschen. Dit

maakte, dat hij zich stil en onbeweeglijk hield. Nepeese keek om zich

heen. Zij glimlachte. Een oogenblik wendde zij haar gelaat naar hem toe

en zag hij de witte schittering van haar tanden en haar mooie oogen, die

hem schenen toe te stralen.

En toen viel zij plotseling op haar knieën neer en tuurde onder de rots.

Hun oogen ontmoetten elkaar. Een halve minuut lang was er geen enkel

geluid te hooren. Nepeese bewoog zich niet en haar ademhaling kwam zoo

licht, dat Baree haar niet hooren kon.

En toen zeide zij, zoo zacht, dat het nauwelijks boven een gefluister

uitkwam:

„_Baree! Baree! Upi Baree!_”

Het was de eerste maal, dat hij zijn eigen naam had gehoord en er was

zoo iets zachts en geruststellends in den klank er van, dat hij er

op antwoordde met een zacht gejank. De Wilg bracht langzaam haar arm

naar voren. Deze was bloot en rond en zacht. Hij kon gemakkelijk er op

afschieten en er zijn tanden in begraven. Maar er was iets, dat hem

weerhield. Hij wist, dat zij geen vijand van hem was, hij wist, dat die

stralende, donkere oogen geen verlangen uitdrukten, om hem kwaad te

doen; en de stem, die zoo zacht tot hem kwam, was hem als ontroerende

muziek.

„Baree! Baree! Upi Baree!”

Nog eens en nog eens riep de Wilg tot hem en trachtte verder onder de

rots te kruipen. Zij kon hem niet bereiken. Zij kon zich niet verder

naar binnen dringen. En toen zag zij, dat er aan den anderen kant van de

rots een holte was, afgesloten door een steen. Als zij dien steen had

weggeschoven en langs dien kant was binnengekomen—

Zij trok zich weer uit de opening terug en stond opnieuw in den

zonneschijn. Haar hart sidderde. Pierrot was druk bezig met zijn beer

en zij wilde hem niet roepen. Zij deed een poging om den steen van zijn

plaats te krijgen, maar deze zat vastgeklemd. Toen begon zij te graven

met een stok. Als Pierrot in de buurt geweest was, zouden zijn scherpe

oogen de beteekenis gezien hebben van dien steen, die niet grooter was

dan een wateremmer. Eeuwenlang had hij daar waarschijnlijk gelegen, door

zijn steun het rotsblok tegenhoudend in zijn val, zooals het gewicht van

een ons de weegschaal kan doen overslaan. Nog vijf minuten en zij zou

den steen van zijn plaats kunnen brengen. Zij rukte er aan. Centimeter

bij centimeter trok zij hem naar zich toe, tot hij ten laatste aan haar

voeten lag. Toen keek zij opnieuw naar Pierrot. Hij was nog steeds bezig

en zij lachte zachtjes, terwijl zij een grooten rood-en-witten halsdoek

afdeed. Hiermee zou zij zich van Baree verzekeren. Zij viel op haar

knieën, ging daarna plat op den grond liggen en begon in de opening te

kruipen.

Baree had zich bewogen. Met zijn kop tegen de rots gedrukt, had hij

iets gehoord, wat Nepeese niet gehoord had, had hij een langzame,

aangroeiende drukking gevoeld en hij had zich aan die drukking

onttrokken en die drukking was hem gevolgd. De rotsmassa begon te

verschuiven! Nepeese zag niet en hoorde niet en begreep niet. Zij riep

smeekend tegen hem:

„Baree! Baree! Baree!—”

Haar hoofd en schouders en beide armen waren nu onder de rots. De

schittering van haar oogen was dicht bij Baree. Hij jankte. Een groot,

naderend gevaar maakte hem onrustig. En toen—

Op dit oogenblik voelde Nepeese de drukking van de rots op haar

schouders en een blik van ontzetting kwam in haar oogen. En toen stiet

zij een kreet uit, die niet geleek op eenig geluid, dat Baree ooit in

de wildernis gehoord had—een woesten kreet, doordringend, van vrees

bezeten. Pierrot hoorde dien eersten kreet niet. Maar hij hoorde den

tweeden en derden en daarna het aanhoudende geschreeuw, toen het teere

lichaam van de Wilg langzaam verpletterd werd onder de verschuivende

massa. Hij vloog er naar toe, snel als de wind.

De kreten werden zwakker, begonnen weg te sterven. Hij zag Baree van

onder de rotsen uit komen worstelen en de kloof in rennen en op

hetzelfde oogenblik zag hij een stukje van de japon van de Wilg en haar

in mocassins gestoken voeten. De rest van haar lichaam was gevangen in

deze doodsval. Als een krankzinnige begon Pierrot te graven. Toen hij

Nepeese eenige oogenblikken later van onder de rotsblokken te voorschijn

haalde, was zij wit en doodelijk stil. Haar oogen waren gesloten. Zijn

hand kon niet ontdekken of zij nog leefde en een gekerm van angst steeg

op uit zijn ziel. Maar hij wist hoe men vechten moest om iemands leven.

Hij rukte haar japon open en bemerkte dat zij niet gekneusd was, zooals

hij gevreesd had. Toen snelde hij weg om water te halen. Toen hij

terugkwam, had de Wilg haar oogen geopend en snakte zij naar adem.

„Allen Heiligen zij dank!” snikte Pierrot, op zijn knieën naast haar

vallend. „Nepeese, mijn Nepeese—”

Zij glimlachte tegen hem met haar beide handen op haar bloote borst

en Pierrot drukte haar tegen zich aan, heelemaal het water vergetend,

waarom hij zoo hard geloopen had.

Nog later, toen hij op zijn knieën ging liggen en onder de rots tuurde,

werd hij doodsbleek en zeide:

„_Mon Dieu_, als die kleine holte in de aarde er niet geweest was,

Nepeese—”

Hij huiverde en ging niet verder. Maar Nepeese, gelukkig over haar

redding, maakte een beweging met haar hand en zeide glimlachend:

„Dan zou ik—_zóó_—geweest zijn. Ah, _mon père_, ik hoop, dat ik nooit

een minnaar zal hebben, zooals die rots!”

Pierrot's gelaat werd somber, terwijl hij zich over haar heenboog.

„Neen!” zeide hij ontstuimig. „Neen! Nooit!”

Hij dacht weer aan Mc Taggart, den agent van Lac Bain, en hij balde zijn

vuisten, terwijl zijn lippen het haar van zijn dochter aanraakten.

De zoon van Kazan · 第 11 / 34 题