De kreet van het eenzame hart.
Zijn gevecht met Oohoomisew was een goed geneesmiddel voor Baree. Het
gaf hem niet alleen groot zelfvertrouwen, maar deed ook die leelijke
koorts in zijn bloed verdwijnen. Hij gromde en beet niet langer naar de
voorwerpen waarlangs hij heenging. Het was een prachtige nacht. De maan
straalde helder en de hemel was bezaaid met sterren, zoodat het op de
open plekken wel dag leek, alleen was het licht zachter en mooier. Het
was heel stil. Er speelde geen windje door de toppen der boomen en het
scheen Baree toe, dat zijn gehuil wel tot het andere eind der wereld
was doorgedrongen. Nu en dan hoorde hij een geluid—en altijd bleef hij
dan staan, luisterend en oplettend. In de verte hoorde hij het gerekte,
zachte geloei van een wijfjeseland; hij hoorde een groot geplas in het
water van een klein meertje, dat hij naderde, en eens drong het scherpe
gekraak van hoorn tegen hoorn tot hem door—het waren twee bokken,
die een verschil van meening aan het beslechten waren, op een kwart
mijl afstands. Maar het was altijd opnieuw het wolvengehuil dat hem
deed neerzitten en het langste luisteren, terwijl zijn hart klopte met
een vreemde opwinding die hij nog niet ten volle begreep. Het was de
roepstem van zijn eigen geslacht, die hem zoo ontroerde; langzaam, maar
voortdurend drong die tot hem door.
Hij was nog steeds een zwerver—Pupamoo-tao noemen de Indianen dit.
Deze zwerfgeest neemt een tijdlang bezit van elk schepsel, dat in
de wildernis leeft, zoodra het oud genoeg is om voor zichzelf te
zorgen—waarschijnlijk geeft zijn instinkt hem dat in om, wellicht
gevaarlijke, al te nauwe familiebetrekkingen te voorkomen. Baree, die
als een echte jonge wolf een nieuw jachtgebied zocht, zooals de jonge
vos een nieuwe wereld zoekt te ontdekken, redeneerde niet bij deze
zwerftochten. Hij was eenvoudig „aan het reizen”—steeds doortrekkend.
Hij verlangde iets wat hij niet vinden kon. Het wolvengeluid bracht
het hem aan. De sterren en de maan vervulden hem met verlangen ernaar.
De verwijderde geluiden deden hem zijn eenzaamheid beseffen. En zijn
instinkt deed hem begrijpen, dat hij alleen door zoeken vinden kon.
Het was niet zoozeer Kazan en Wolvin die hij miste—niet zoozeer
moederliefde en tehuis, als wel gezelschap. Nu hij de wolfswoede
uitgevochten had in dezen strijd met Oohoomisew, kwam zijn hondennatuur
weer boven. En dit waren zijn liefste eigenschappen. Hij verlangde zich
te nestelen dicht tegen iets levends en bevriends, een klein dier, of
het nu veeren of bont droeg, klauwen of hoeven had.
Hij was pijnlijk na de gevolgen van den kogel van de Wilg, ook was hij
nog pijnlijk van zijn gevecht en tegen den ochtend ging hij liggen onder
de beschutting van eenige elzen aan den rand van een tweede meertje en
rustte daar tot aan den middag. Toen begon hij het riet te onderzoeken
en liep dicht langs de waterlelies aan den kant, om voedsel te vinden.
Hij vond een dooden snoek, gedeeltelijk opgegeten door een wezel, en
verorberde de rest.
Zijn wond deed veel minder pijn in den middag en toen de avond weer
inviel lette hij er nauwelijks meer op. Sedert hij bijna zoo tragisch
aan zijn eind gekomen was door Nepeese's hand, had hij gereisd in een
noordoostelijke richting, instinktmatig den loop van het water volgend,
maar hij had geen groote vorderingen gemaakt en toen de duisternis
neerdaalde was hij niet meer dan acht of tien mijlen verwijderd van het
gat, waarin hij gevallen was, nadat de Wilg op hem geschoten had. Hij
ging dezen nacht ook niet ver. Het feit, dat zijn wond gekomen was tegen
de schemering en zijn gevecht met Oohoomisew nog later, vervulde hem
met voorzorg. De ondervinding had hem geleerd, dat de donkere schaduwen
en zwarte plekken in het bosch hinderlagen konden zijn, waar het gevaar
huisde. Hij was niet bang meer, zooals vroeger, maar hij had voorloopig
genoeg van het vechten en daarom vond hij het wijzer zich van de gevaren
der duisternis te onthouden. Het was een vreemd instinkt, dat hem dreef,
voor dezen nacht zijn leger te zoeken op den top van een groote rots,
die hij met eenige moeite beklom.
Baree's rots was niet veel meer dan manshoogte. Zij was niet ver van
den oorsprong van de kreek en het dennenbosch. De eerste uren sliep
hij niet, maar lag met gespitste ooren te luisteren naar elk geluid,
dat er in de duistere wereld rondom hem opsteeg. Er was vannacht in
deze waakzaamheid van hem nog iets anders dan nieuwsgierigheid. Zijn
opvoeding was in een bepaalde richting zeer veel uitgebreid—hij had
geleerd, dat hij maar een heel klein deeltje was van de wonderbaarlijke
wereld, die onder de sterren en de maan lag en de wensch was levendig
in hem, haar beter te leeren kennen zonder verdere gevechten of wonden.
Vannacht begreep hij wat het beteekende, wanneer hij nu en dan grijze
schaduwen geruchtloos vanuit het bosch het maanlicht in zag drijven. Het
waren uilen—monsters van hetzelfde ras als waarmee hij gevochten had.
Hij hoorde het kletteren van hoeven en het vallen van zware lijven in de
struiken. Hij hoorde opnieuw het loeien van elanden. Stemmen drongen tot
hem door, die hij totnogtoe niet gekend had—het scherpe yap, yap, yap
van een vos, de bovenaardsche, lachende kreet van een grooten fuut op
een meer, een halve mijl verder weg het gekrijsch van een lynx, dat uit
de verte kwam aangolven; het zachte gekras van de nachtvalken, tusschen
hemzelf en de sterren. Hij hoorde zonderling gefluister in de toppen der
boomen—het gefluister van den wind en eens temidden van een doodelijke
stilte begon er, vlak achter zijn rots, een bok schel te fluiten, maar
eindigde zoodra hij den wolvenreuk in den neus kreeg in een verschrikten
uithaal en ging er als de wind vandoor.
Al deze geluiden hadden nu hun beteekenis voor Baree. Snel kwam hij
thuis in de wetenschap der wildernis. Zijn oogen glinsterden. Zijn bloed
klopte onstuimig. Soms bewoog hij zich bijna niet, minutenlang. Maar
van al deze geluiden, die tot hem kwamen, ontroerde hem het meest het
wolvengehuil. Steeds opnieuw luisterde hij er aandachtig naar. Soms
was het ver weg, zoo ver, dat het wel een gefluister leek en bijna
weggestorven voor het zijn ooren bereikte en dan weer kwam het tot hem
uit volle borst, heet van jachtadem, hem oproepend tot de roode koorts
van de jacht, tot het woeste festijn van uit elkaar gescheurd vleesch
en stroomend bloed—roepend, roepend, roepend. Dàt was het, het riep
hem tot zijn eigen ras, het was de roepstem van bloed tot bloed—van
de woeste, verscheurende troepen van zijn moeder's stam. Het was de
stem van Wolvin, naar hem zoekend in den nacht—Wolvin's bloed, dat hem
uitnoodigde deel uit te maken van de Broederschap van den Troep. En
hij sidderde terwijl hij er naar luisterde. Hij smoorde een beginnend
gejank. Hij schoof tot aan den steilen rand van de rots. Hij verlangde
erheen te gaan. De natuur spoorde hem aan te gaan. Maar zij stuitte bij
hem op moeielijkheden, want er school veel van den hond in hem, met zijn
geslachten van onderdrukte en sluimerende instinkten—en dien heelen
nacht hield Baree's hondenaard hem gekluisterd aan de rots.
Den volgenden morgen vond Baree veel rivierkreeftjes langs den oever der
rivier en hij smulde van hun sappig vleesch, tot hij het gevoel kreeg
alsof hij nooit van zijn leven meer honger zou kunnen krijgen. Niets had
hem meer zoo lekker gesmaakt, sedert hij dien patrijs opgegeten had,
ontnomen aan Sekoosew den hermelijn.
Later in den middag kwam Baree in een gedeelte van het bosch waar het
heel stil en vredig was. De kreek was dieper geworden. Op sommige
plaatsen was zij buiten haar oevers getreden en had kleine vijvers
gevormd. Twee keer had Baree een vrij grooten omweg moeten maken door
die vijvers. Hij trok nu heel langzaam voort, luisterend en rondkijkend.
Hij had zich, sedert dien noodlottigen dag waarop hij zijn oude hol
verlaten had, nog nergens zoo op zijn gemak gevoeld. Hij verbeeldde
zich, dat hij nu een land betrad dat hij kende en waar hij vrienden zou
aantreffen. Hij had een wonderlijk gevoel. Hij snoof de lucht in, alsof
hij daar bekende geuren rook. Het was maar een zuchtje, een niet te
verklaren belofte, dat hem iets deed verwachten, iets geheimzinnigs.
Het bosch werd dichter. Het werd wonderlijk mooi. Er groeiden hier geen
lage struiken en op deze wijze onder de boomen te loopen was alsof hij
in een uitgestrekt hol liep, vol geheimenissen, terwijl van boven hier
en daar zacht het daglicht doorsijpelde, nu en dan schitterend door een
gouden straal van de zon. Een mijl lang trok Baree zoo stilletjes door
het bosch. Hij zag niets dan een paar gevleugelde insekten of vogels;
bijna geen geluid was hoorbaar. Toen kwam hij aan een nieuwen vijver,
die tamelijk groot was. Rondom dezen vijver was een dicht gewas van
elzen en wilgen. De groote boomen waren schaarscher geworden. Hij zag
de namiddagzon in het water weerspiegeld—en toen hoorde hij plotseling
leven.
De oude Gebroken Tand lag te dommelen op den grooten dam van modder en
rijshout, waarvan hij de voornaamste aanlegger geweest was, toen Baree
zachtjes een hooge zandbank beklom, dertig of veertig voet van hem af.
Zoo geruchtloos had hij dit gedaan, dat geen van de bevers hem gehoord
of gezien had. Hij ging plat op zijn buik liggen, verborgen achter een
bos gras, en keek met gretige belangstelling toe. Gebroken Tand was
wakker geworden. Hij bleef een oogenblik staan op zijn korte pootjes,
daarna zette hij zich, stram en schrap als een soldaat in positie, op
zijn breeden, platten staart rechtop en dook met een plotseling gefluit
en met veel geplas in den vijver.
In een oogwenk scheen het Baree toe, dat de vijver wemelde van bevers.
Koppen en lijven verschenen en verdwenen en schoten door het water op
een manier, die Baree verbaasde en nieuwsgierig maakte. Dit was het
avondpretje van de kolonie. Staarten sloegen op het water of het planken
waren. Vreemd gefluit steeg op temidden van al het geplas—en toen,
even plotseling als het begonnen was, eindigde het spelletje. Er waren
misschien twintig bevers bijeen, de jongen niet meegerekend, en, alsof
zij een gemeenschappelijk signaal gekregen hadden—Baree had niets
gehoord—werden zij plotseling zoo stil, dat er bijna geen geluid meer
uit den vijver opsteeg. Een paar van hen zonken onder water en verdwenen
totaal, maar de meesten kon Baree zien, toen zij aan land klommen.
Zonder tijd verloren te laten gaan trokken zij aan het werk en Baree
sloeg hen gade, zonder zelfs maar een sprietje te bewegen van het gras,
dat hem verborg.
Hij probeerde te begrijpen. Hij trachtte deze vreemde en
gemoedelijk-uitziende dieren te rangschikken onder een categorie die hij
kende. Zij hadden hem geen vrees aangejaagd. Hij was niet verontrust
door hun aantal of grootte. Dat hij zich zoo stilhield was geen uiting
van takt, maar een verlangen beter bekend te raken met deze vreemde,
vierpootige broeders van hem, in den vijver. Zij hadden het groote bosch
al minder eenzaam voor hem gemaakt. En toen, vlak onder hem—niet verder
dan tien voet waar hij lag—zag hij iets, wat bijna zijn smachtend
verlangen naar gezelschap vervulde.
Daar, onder hem, op een effen gedeelte van den oever, waggelde de
dikke kleine Umisk en drie van zijn speelmakkers. Umisk was ongeveer
van Baree's leeftijd, misschien een paar weken jonger. Maar hij was
zeker even zwaar en bijna zoo breed als hij lang was. Er bestaat geen
aardiger viervoetig diertje dan een jong bevertje—of het zou een jonge
beer moeten zijn—en Umisk zou zeker den eersten prijs behaald hebben
op elke jonge bevertentoonstelling ter wereld. Zijn drie makkertjes
waren wat kleiner. Zij kwamen aanwaggelen achter een lagen wilg uit,
zonderling klokkende geluidjes makend en hun kleine platte staartjes
als sleetjes achter zich aan sleepend. Zij waren dik en goed in hun
bont en zagen er voor Baree's oogen heel goedaardig uit en zijn hartje
begon sneller te hameren van blijdschap. Maar hij bewoog zich niet. Hij
ademde ternauwernood. En toen wierp Umisk zich onverwachts op een van
zijn vriendjes en deed hem omver rollen. Oogenblikkelijk lagen de twee
anderen boven op Umisk en de vier kleine bevers tuimelden om en om,
schoppend met hun korte pootjes en slaande met hun staartjes, terwijl
zij voortdurend kleine, piepende geluiden uitstieten. Baree voelde,
dat dit geen vechten was, maar spelen. Hij ging overeind staan. Hij
vergat waar hij was—vergat alles in de wereld behalve, die donzige,
stoeiende ballen. Al de lessen die hij van de natuur ontvangen had, was
hij plotseling kwijt. Hij was geen vechtersbaas meer. Ook geen jager.
Hij was een jong hondje en er groeide een verlangen in hem, sterker
dan honger. Hij verlangde af te dalen naar de plek waar Umisk en zijn
vriendjes waren en mee te ravotten. Hij verlangde hun te vertellen—als
dit mogelijk ware—dat hij zijn moeder kwijt geraakt was en zijn tehuis
en dat hij daarna een heeleboel narigheid gehad had en dat hij nu zoo
erg graag bij hen zou willen blijven en bij hun vaders en moeders als
dat mocht.
Hij jankte héél even, maar zoo zacht, dat Umisk en zijn speelmakkers het
niet hoorden. Zij hadden het veel te druk met elkaar.
Voorzichtig deed Baree een stap in hun richting. En toen nog een—en
eindelijk stond hij niet meer dan zes voet van hen af. Zijn puntige
oortjes stonden naar voren en hij kwispelstaartte zoo hard hij maar kon
en elke spier in zijn lijfje trilde van spanning.
Toen pas zag Umisk hem en hij werd plotseling zoo onbeweeglijk als een
steen.
„Hallo!” zeide Baree, zijn heele lijfje heen en weer wiegelend en zoo
duidelijk sprekend als een menschentong maar zou kunnen doen. „Vinden
jullie het goed, dat ik meedoe?”
Umisk gaf geen antwoord. Zijn drie kameraadjes hadden nu ook Baree in
het oog gekregen. Zij maakten geen enkele beweging. Zij waren verstijfd
van verbazing. Vier paar stralende, verbaasde oogen waren op den
vreemdeling gevestigd.
Baree wendde een nieuwe poging aan. Hij strekte zijn voorpooten uit,
steeds met staart en achterlijf wiegelend en, in de lucht snuivend,
greep hij een stokje met zijn tanden vast.
„Kom—laat me meedoen,” drong hij aan. „Ik kan goed spelen!”
Hij wierp den stok in de lucht als om te bewijzen wat hij gezegd had en
gaf een kort blafje.
De vier bevertjes leken wel opgezet.
En toen kreeg plotseling nog een ander Baree in 't oog. Het was een
groote bever, die den vijver doorzwom met een stuk berkestam, dat voor
den aanleg van een nieuwen dam moest dienst doen. Oogenblikkelijk
liet hij zijn last vallen en toen, alsof er een geweer afging, volgde
de knal van zijn grooten, platten staart, op het water slaande—het
waarschuwingssignaal van den bever, dat bij stillen nacht wel een halve
mijl in het rond gehoord kan worden.
„Gevaar!” waarschuwde het. „Gevaar—gevaar—gevaar!”
Nauwelijks was dit signaal weggestorven, toen er aan alle kanten
staarten begonnen te knallen, in den vijver, in hun verborgen kanalen en
tusschen de wilgen en elzen. Voor Umisk en zijn makkertjes beteekende
dit:
„Loop wat je loopen kunt!”
Baree stond nu op zijn beurt verstijfd en bewegingloos. In verbazing zag
hij de vier bevertjes in den vijver plonsen en verdwijnen. Hij hoorde
het geluid van nog zwaardere bevers, die in het water doken. En daarop
volgde een vreemde en verontrustende stilte. Zachtjes begon Baree te
janken en het was bijna een gesnik. Waarom waren Umisk en zijn vriendjes
van hem weggeloopen? Wat had hij toch misdaan, dat zij geen vriendschap
met hem wilden sluiten? Een groote eenzaamheid wierp zich op hem—nog
grooter eenzaamheid dan hij gevoeld had dien eersten nacht dat hij van
zijn moeder was weggeloopen. De laatste stralen, van de zon vervaagden
terwijl hij daar zoo stond. Donkerder schaduwen gleden over den vijver.
Hij keek naar het bosch, waar de nacht aansloop—en met een laatsten
smartelijken kreet ging hij er binnen. Hij had de vriendschap niet
gevonden. Hij had geen speelmakkers kunnen krijgen. En zijn hartje was
gebroken.