VI.

De kreet van het eenzame hart.

Zijn gevecht met Oohoomisew was een goed geneesmiddel voor Baree. Het

gaf hem niet alleen groot zelfvertrouwen, maar deed ook die leelijke

koorts in zijn bloed verdwijnen. Hij gromde en beet niet langer naar de

voorwerpen waarlangs hij heenging. Het was een prachtige nacht. De maan

straalde helder en de hemel was bezaaid met sterren, zoodat het op de

open plekken wel dag leek, alleen was het licht zachter en mooier. Het

was heel stil. Er speelde geen windje door de toppen der boomen en het

scheen Baree toe, dat zijn gehuil wel tot het andere eind der wereld

was doorgedrongen. Nu en dan hoorde hij een geluid—en altijd bleef hij

dan staan, luisterend en oplettend. In de verte hoorde hij het gerekte,

zachte geloei van een wijfjeseland; hij hoorde een groot geplas in het

water van een klein meertje, dat hij naderde, en eens drong het scherpe

gekraak van hoorn tegen hoorn tot hem door—het waren twee bokken,

die een verschil van meening aan het beslechten waren, op een kwart

mijl afstands. Maar het was altijd opnieuw het wolvengehuil dat hem

deed neerzitten en het langste luisteren, terwijl zijn hart klopte met

een vreemde opwinding die hij nog niet ten volle begreep. Het was de

roepstem van zijn eigen geslacht, die hem zoo ontroerde; langzaam, maar

voortdurend drong die tot hem door.

Hij was nog steeds een zwerver—Pupamoo-tao noemen de Indianen dit.

Deze zwerfgeest neemt een tijdlang bezit van elk schepsel, dat in

de wildernis leeft, zoodra het oud genoeg is om voor zichzelf te

zorgen—waarschijnlijk geeft zijn instinkt hem dat in om, wellicht

gevaarlijke, al te nauwe familiebetrekkingen te voorkomen. Baree, die

als een echte jonge wolf een nieuw jachtgebied zocht, zooals de jonge

vos een nieuwe wereld zoekt te ontdekken, redeneerde niet bij deze

zwerftochten. Hij was eenvoudig „aan het reizen”—steeds doortrekkend.

Hij verlangde iets wat hij niet vinden kon. Het wolvengeluid bracht

het hem aan. De sterren en de maan vervulden hem met verlangen ernaar.

De verwijderde geluiden deden hem zijn eenzaamheid beseffen. En zijn

instinkt deed hem begrijpen, dat hij alleen door zoeken vinden kon.

Het was niet zoozeer Kazan en Wolvin die hij miste—niet zoozeer

moederliefde en tehuis, als wel gezelschap. Nu hij de wolfswoede

uitgevochten had in dezen strijd met Oohoomisew, kwam zijn hondennatuur

weer boven. En dit waren zijn liefste eigenschappen. Hij verlangde zich

te nestelen dicht tegen iets levends en bevriends, een klein dier, of

het nu veeren of bont droeg, klauwen of hoeven had.

Hij was pijnlijk na de gevolgen van den kogel van de Wilg, ook was hij

nog pijnlijk van zijn gevecht en tegen den ochtend ging hij liggen onder

de beschutting van eenige elzen aan den rand van een tweede meertje en

rustte daar tot aan den middag. Toen begon hij het riet te onderzoeken

en liep dicht langs de waterlelies aan den kant, om voedsel te vinden.

Hij vond een dooden snoek, gedeeltelijk opgegeten door een wezel, en

verorberde de rest.

Zijn wond deed veel minder pijn in den middag en toen de avond weer

inviel lette hij er nauwelijks meer op. Sedert hij bijna zoo tragisch

aan zijn eind gekomen was door Nepeese's hand, had hij gereisd in een

noordoostelijke richting, instinktmatig den loop van het water volgend,

maar hij had geen groote vorderingen gemaakt en toen de duisternis

neerdaalde was hij niet meer dan acht of tien mijlen verwijderd van het

gat, waarin hij gevallen was, nadat de Wilg op hem geschoten had. Hij

ging dezen nacht ook niet ver. Het feit, dat zijn wond gekomen was tegen

de schemering en zijn gevecht met Oohoomisew nog later, vervulde hem

met voorzorg. De ondervinding had hem geleerd, dat de donkere schaduwen

en zwarte plekken in het bosch hinderlagen konden zijn, waar het gevaar

huisde. Hij was niet bang meer, zooals vroeger, maar hij had voorloopig

genoeg van het vechten en daarom vond hij het wijzer zich van de gevaren

der duisternis te onthouden. Het was een vreemd instinkt, dat hem dreef,

voor dezen nacht zijn leger te zoeken op den top van een groote rots,

die hij met eenige moeite beklom.

Baree's rots was niet veel meer dan manshoogte. Zij was niet ver van

den oorsprong van de kreek en het dennenbosch. De eerste uren sliep

hij niet, maar lag met gespitste ooren te luisteren naar elk geluid,

dat er in de duistere wereld rondom hem opsteeg. Er was vannacht in

deze waakzaamheid van hem nog iets anders dan nieuwsgierigheid. Zijn

opvoeding was in een bepaalde richting zeer veel uitgebreid—hij had

geleerd, dat hij maar een heel klein deeltje was van de wonderbaarlijke

wereld, die onder de sterren en de maan lag en de wensch was levendig

in hem, haar beter te leeren kennen zonder verdere gevechten of wonden.

Vannacht begreep hij wat het beteekende, wanneer hij nu en dan grijze

schaduwen geruchtloos vanuit het bosch het maanlicht in zag drijven. Het

waren uilen—monsters van hetzelfde ras als waarmee hij gevochten had.

Hij hoorde het kletteren van hoeven en het vallen van zware lijven in de

struiken. Hij hoorde opnieuw het loeien van elanden. Stemmen drongen tot

hem door, die hij totnogtoe niet gekend had—het scherpe yap, yap, yap

van een vos, de bovenaardsche, lachende kreet van een grooten fuut op

een meer, een halve mijl verder weg het gekrijsch van een lynx, dat uit

de verte kwam aangolven; het zachte gekras van de nachtvalken, tusschen

hemzelf en de sterren. Hij hoorde zonderling gefluister in de toppen der

boomen—het gefluister van den wind en eens temidden van een doodelijke

stilte begon er, vlak achter zijn rots, een bok schel te fluiten, maar

eindigde zoodra hij den wolvenreuk in den neus kreeg in een verschrikten

uithaal en ging er als de wind vandoor.

Al deze geluiden hadden nu hun beteekenis voor Baree. Snel kwam hij

thuis in de wetenschap der wildernis. Zijn oogen glinsterden. Zijn bloed

klopte onstuimig. Soms bewoog hij zich bijna niet, minutenlang. Maar

van al deze geluiden, die tot hem kwamen, ontroerde hem het meest het

wolvengehuil. Steeds opnieuw luisterde hij er aandachtig naar. Soms

was het ver weg, zoo ver, dat het wel een gefluister leek en bijna

weggestorven voor het zijn ooren bereikte en dan weer kwam het tot hem

uit volle borst, heet van jachtadem, hem oproepend tot de roode koorts

van de jacht, tot het woeste festijn van uit elkaar gescheurd vleesch

en stroomend bloed—roepend, roepend, roepend. Dàt was het, het riep

hem tot zijn eigen ras, het was de roepstem van bloed tot bloed—van

de woeste, verscheurende troepen van zijn moeder's stam. Het was de

stem van Wolvin, naar hem zoekend in den nacht—Wolvin's bloed, dat hem

uitnoodigde deel uit te maken van de Broederschap van den Troep. En

hij sidderde terwijl hij er naar luisterde. Hij smoorde een beginnend

gejank. Hij schoof tot aan den steilen rand van de rots. Hij verlangde

erheen te gaan. De natuur spoorde hem aan te gaan. Maar zij stuitte bij

hem op moeielijkheden, want er school veel van den hond in hem, met zijn

geslachten van onderdrukte en sluimerende instinkten—en dien heelen

nacht hield Baree's hondenaard hem gekluisterd aan de rots.

Den volgenden morgen vond Baree veel rivierkreeftjes langs den oever der

rivier en hij smulde van hun sappig vleesch, tot hij het gevoel kreeg

alsof hij nooit van zijn leven meer honger zou kunnen krijgen. Niets had

hem meer zoo lekker gesmaakt, sedert hij dien patrijs opgegeten had,

ontnomen aan Sekoosew den hermelijn.

Later in den middag kwam Baree in een gedeelte van het bosch waar het

heel stil en vredig was. De kreek was dieper geworden. Op sommige

plaatsen was zij buiten haar oevers getreden en had kleine vijvers

gevormd. Twee keer had Baree een vrij grooten omweg moeten maken door

die vijvers. Hij trok nu heel langzaam voort, luisterend en rondkijkend.

Hij had zich, sedert dien noodlottigen dag waarop hij zijn oude hol

verlaten had, nog nergens zoo op zijn gemak gevoeld. Hij verbeeldde

zich, dat hij nu een land betrad dat hij kende en waar hij vrienden zou

aantreffen. Hij had een wonderlijk gevoel. Hij snoof de lucht in, alsof

hij daar bekende geuren rook. Het was maar een zuchtje, een niet te

verklaren belofte, dat hem iets deed verwachten, iets geheimzinnigs.

Het bosch werd dichter. Het werd wonderlijk mooi. Er groeiden hier geen

lage struiken en op deze wijze onder de boomen te loopen was alsof hij

in een uitgestrekt hol liep, vol geheimenissen, terwijl van boven hier

en daar zacht het daglicht doorsijpelde, nu en dan schitterend door een

gouden straal van de zon. Een mijl lang trok Baree zoo stilletjes door

het bosch. Hij zag niets dan een paar gevleugelde insekten of vogels;

bijna geen geluid was hoorbaar. Toen kwam hij aan een nieuwen vijver,

die tamelijk groot was. Rondom dezen vijver was een dicht gewas van

elzen en wilgen. De groote boomen waren schaarscher geworden. Hij zag

de namiddagzon in het water weerspiegeld—en toen hoorde hij plotseling

leven.

De oude Gebroken Tand lag te dommelen op den grooten dam van modder en

rijshout, waarvan hij de voornaamste aanlegger geweest was, toen Baree

zachtjes een hooge zandbank beklom, dertig of veertig voet van hem af.

Zoo geruchtloos had hij dit gedaan, dat geen van de bevers hem gehoord

of gezien had. Hij ging plat op zijn buik liggen, verborgen achter een

bos gras, en keek met gretige belangstelling toe. Gebroken Tand was

wakker geworden. Hij bleef een oogenblik staan op zijn korte pootjes,

daarna zette hij zich, stram en schrap als een soldaat in positie, op

zijn breeden, platten staart rechtop en dook met een plotseling gefluit

en met veel geplas in den vijver.

In een oogwenk scheen het Baree toe, dat de vijver wemelde van bevers.

Koppen en lijven verschenen en verdwenen en schoten door het water op

een manier, die Baree verbaasde en nieuwsgierig maakte. Dit was het

avondpretje van de kolonie. Staarten sloegen op het water of het planken

waren. Vreemd gefluit steeg op temidden van al het geplas—en toen,

even plotseling als het begonnen was, eindigde het spelletje. Er waren

misschien twintig bevers bijeen, de jongen niet meegerekend, en, alsof

zij een gemeenschappelijk signaal gekregen hadden—Baree had niets

gehoord—werden zij plotseling zoo stil, dat er bijna geen geluid meer

uit den vijver opsteeg. Een paar van hen zonken onder water en verdwenen

totaal, maar de meesten kon Baree zien, toen zij aan land klommen.

Zonder tijd verloren te laten gaan trokken zij aan het werk en Baree

sloeg hen gade, zonder zelfs maar een sprietje te bewegen van het gras,

dat hem verborg.

Hij probeerde te begrijpen. Hij trachtte deze vreemde en

gemoedelijk-uitziende dieren te rangschikken onder een categorie die hij

kende. Zij hadden hem geen vrees aangejaagd. Hij was niet verontrust

door hun aantal of grootte. Dat hij zich zoo stilhield was geen uiting

van takt, maar een verlangen beter bekend te raken met deze vreemde,

vierpootige broeders van hem, in den vijver. Zij hadden het groote bosch

al minder eenzaam voor hem gemaakt. En toen, vlak onder hem—niet verder

dan tien voet waar hij lag—zag hij iets, wat bijna zijn smachtend

verlangen naar gezelschap vervulde.

Daar, onder hem, op een effen gedeelte van den oever, waggelde de

dikke kleine Umisk en drie van zijn speelmakkers. Umisk was ongeveer

van Baree's leeftijd, misschien een paar weken jonger. Maar hij was

zeker even zwaar en bijna zoo breed als hij lang was. Er bestaat geen

aardiger viervoetig diertje dan een jong bevertje—of het zou een jonge

beer moeten zijn—en Umisk zou zeker den eersten prijs behaald hebben

op elke jonge bevertentoonstelling ter wereld. Zijn drie makkertjes

waren wat kleiner. Zij kwamen aanwaggelen achter een lagen wilg uit,

zonderling klokkende geluidjes makend en hun kleine platte staartjes

als sleetjes achter zich aan sleepend. Zij waren dik en goed in hun

bont en zagen er voor Baree's oogen heel goedaardig uit en zijn hartje

begon sneller te hameren van blijdschap. Maar hij bewoog zich niet. Hij

ademde ternauwernood. En toen wierp Umisk zich onverwachts op een van

zijn vriendjes en deed hem omver rollen. Oogenblikkelijk lagen de twee

anderen boven op Umisk en de vier kleine bevers tuimelden om en om,

schoppend met hun korte pootjes en slaande met hun staartjes, terwijl

zij voortdurend kleine, piepende geluiden uitstieten. Baree voelde,

dat dit geen vechten was, maar spelen. Hij ging overeind staan. Hij

vergat waar hij was—vergat alles in de wereld behalve, die donzige,

stoeiende ballen. Al de lessen die hij van de natuur ontvangen had, was

hij plotseling kwijt. Hij was geen vechtersbaas meer. Ook geen jager.

Hij was een jong hondje en er groeide een verlangen in hem, sterker

dan honger. Hij verlangde af te dalen naar de plek waar Umisk en zijn

vriendjes waren en mee te ravotten. Hij verlangde hun te vertellen—als

dit mogelijk ware—dat hij zijn moeder kwijt geraakt was en zijn tehuis

en dat hij daarna een heeleboel narigheid gehad had en dat hij nu zoo

erg graag bij hen zou willen blijven en bij hun vaders en moeders als

dat mocht.

Hij jankte héél even, maar zoo zacht, dat Umisk en zijn speelmakkers het

niet hoorden. Zij hadden het veel te druk met elkaar.

Voorzichtig deed Baree een stap in hun richting. En toen nog een—en

eindelijk stond hij niet meer dan zes voet van hen af. Zijn puntige

oortjes stonden naar voren en hij kwispelstaartte zoo hard hij maar kon

en elke spier in zijn lijfje trilde van spanning.

Toen pas zag Umisk hem en hij werd plotseling zoo onbeweeglijk als een

steen.

„Hallo!” zeide Baree, zijn heele lijfje heen en weer wiegelend en zoo

duidelijk sprekend als een menschentong maar zou kunnen doen. „Vinden

jullie het goed, dat ik meedoe?”

Umisk gaf geen antwoord. Zijn drie kameraadjes hadden nu ook Baree in

het oog gekregen. Zij maakten geen enkele beweging. Zij waren verstijfd

van verbazing. Vier paar stralende, verbaasde oogen waren op den

vreemdeling gevestigd.

Baree wendde een nieuwe poging aan. Hij strekte zijn voorpooten uit,

steeds met staart en achterlijf wiegelend en, in de lucht snuivend,

greep hij een stokje met zijn tanden vast.

„Kom—laat me meedoen,” drong hij aan. „Ik kan goed spelen!”

Hij wierp den stok in de lucht als om te bewijzen wat hij gezegd had en

gaf een kort blafje.

De vier bevertjes leken wel opgezet.

En toen kreeg plotseling nog een ander Baree in 't oog. Het was een

groote bever, die den vijver doorzwom met een stuk berkestam, dat voor

den aanleg van een nieuwen dam moest dienst doen. Oogenblikkelijk

liet hij zijn last vallen en toen, alsof er een geweer afging, volgde

de knal van zijn grooten, platten staart, op het water slaande—het

waarschuwingssignaal van den bever, dat bij stillen nacht wel een halve

mijl in het rond gehoord kan worden.

„Gevaar!” waarschuwde het. „Gevaar—gevaar—gevaar!”

Nauwelijks was dit signaal weggestorven, toen er aan alle kanten

staarten begonnen te knallen, in den vijver, in hun verborgen kanalen en

tusschen de wilgen en elzen. Voor Umisk en zijn makkertjes beteekende

dit:

„Loop wat je loopen kunt!”

Baree stond nu op zijn beurt verstijfd en bewegingloos. In verbazing zag

hij de vier bevertjes in den vijver plonsen en verdwijnen. Hij hoorde

het geluid van nog zwaardere bevers, die in het water doken. En daarop

volgde een vreemde en verontrustende stilte. Zachtjes begon Baree te

janken en het was bijna een gesnik. Waarom waren Umisk en zijn vriendjes

van hem weggeloopen? Wat had hij toch misdaan, dat zij geen vriendschap

met hem wilden sluiten? Een groote eenzaamheid wierp zich op hem—nog

grooter eenzaamheid dan hij gevoeld had dien eersten nacht dat hij van

zijn moeder was weggeloopen. De laatste stralen, van de zon vervaagden

terwijl hij daar zoo stond. Donkerder schaduwen gleden over den vijver.

Hij keek naar het bosch, waar de nacht aansloop—en met een laatsten

smartelijken kreet ging hij er binnen. Hij had de vriendschap niet

gevonden. Hij had geen speelmakkers kunnen krijgen. En zijn hartje was

gebroken.

De zoon van Kazan · 第 10 / 34 题