De wolf in hem spreekt.
Pierrot had, tot vóór twee jaren, gemeend, dat hij een van de
gelukkigste menschen was in de uitgestrekte wildernis. Dat was vóór
La Mort Rouge—de Roode Ziekte—uitbrak. Hij was een halve Franschman
en had de dochter getrouwd van een opperhoofd der Cree's en in hun
houten hut bij de Grijze Fuut hadden zij vele jaren geleefd in
grooten voorspoed en geluk. Pierrot was trotsch op drie zaken in zijn
onmiddellijke omgeving, hij was ontzaglijk trotsch op Wyola, zijn vrouw
van koninklijken bloede; hij was trotsch op zijn dochter en hij was
trotsch op zijn reputatie als jager. Totdat de Roode Ziekte kwam, was
het leven volmaakt voor hem geweest. Daarna—nu twee jaren geleden—was
zijn vrouw aan de pokken gestorven. Hij bleef wonen in zijn hutje bij
de Grijze Fuut, maar hij was een andere Pierrot geworden. Zijn hart was
zwaar in hem. Hij zou gestorven zijn, als zijn dochter er niet geweest
was, Nepeese. Zijn vrouw had haar Nepeese genoemd, wat beteekent „de
Wilg”. Nepeese was waarlijk opgegroeid als een wilg, slank en buigzaam
als een riet en met al haar moeders wilde schoonheid had zij toch ook
zichtbaar Fransch bloed in de aderen. Zij was bijna zeventien jaar, had
groote, prachtige, donkere oogen en haar zoo weelderig, dat een agent
van een maatschappij uit Montreal, die in hun buurt was gekomen, het
eens had willen koopen. Het viel in twee glanzende vlechten, elk van de
dikte van een manspols, bijna tot aan haar knieën.
„Non, M'sieu,” had Pierrot gezegd, terwijl er iets schitterde in zijn
oogen, toen hij de uitdrukking op het gelaat van den agent gewaar werd.
„Ze zijn niet te koop.”
Baree geraakte op zijn zwerftochten op het gebied, waar Pierrot zijn
vallen uitzette, en bleef daar. Het was een ideale plek om te jagen.
Twee dagen later kwam Pierrot thuis met een bekommerd gezicht.
„Er is een beest in de buurt, dat de jonge bevers doodt.” vertelde
hij in het Fransch aan Nepeese. „Een lynx of een wolf. Morgen....” Hij
haalde zijn magere schouders op en glimlachte tegen haar.
„Wij gaan op de jacht,” lachte Nepeese vroolijk, in haar zacht klinkend
Indiaansch.
Wanneer Pierrot op deze manier tegen haar glimlachte en begon met
„morgen”, beteekende dit altijd, dat zij met hem mee mocht gaan op
avontuur.
Nog een dag later, tegen het eind van den middag, stak Baree de
Grijze Fuut over, over een bruggetje van drijfhout, dat zich gevormd
had tusschen twee boomstammen. Dit lag in noordelijke richting.
Vlak tegenover dit bruggetje was een kleine open vlakte en aan den
rand hiervan bleef Baree stilstaan, om naar de laatste stralen van
de ondergaande zon te kijken. Zooals hij daar bewegingloos stond en
luisterde met gespitste oortjes, hangenden staart en den reuk van het
onbekende gebied opsnuivend, was er geen enkele boschbewoner, die hem
niet voor een wolvejong zou hebben gehouden.
Achter een boschje jonge balsemstruiken, een honderd meter verder,
hadden Pierrot en Nepeese hem het bruggetje over zien gaan. Nu was het
tijd en Pierrot legde zijn geweer aan. Toen pas raakte Nepeese zacht
zijn arm aan. Zij haalde opgewonden adem, terwijl zij fluisterde:
„Nootawe, laat mij schieten. Ik kan hem ook wel raken!” Met een zacht
gegrinnik gaf Pierrot haar zijn geweer over. Hij rekende het jong al
dood. Want Nepeese kon op dezen afstand een kogel zenden in een doelpunt
van een centimeter in het vierkant. En Nepeese, zorgvuldig mikkend op
Baree, trok met haar bruinen wijsvinger stevig aan den trekker.
Terwijl zij dit deed, maakte Baree een luchtsprong. Hij voelde de kracht
van den kogel, nog vóór hij het geweer hoorde afgaan. Hij viel ervan
om en rolde door alsof hij een verschrikkelijken slag met een knuppel
ontvangen had. In 't eerste oogenblik voelde hij geen pijn. Toen sneed
zij door hem heen als een mes van vuur en door die pijn overheerschte
zijn hondenhart al zijn overige gevoelens en hij liet een klagelijk
jongehondjesgejank hooren terwijl hij om en om tuimelde.
Pierrot en Nepeese waren van achter de balsemstruiken te voorschijn
gekomen. De mooie oogen van de Wilg straalden van trots over de
juistheid van haar schot. Maar plotseling hield zij haar adem in.
Krampachtig omklemde zij den loop van haar geweer. Het gegrinnik van
voldoening bestierf Pierrot op de lippen, toen Baree's jammerkreten de
lucht vervulden.
„Uchi Moosis!” hijgde Nepeese in haar eigen taal.
Pierrot nam zijn geweer terug.
„Wat! Een hond! Een jong hondje!” riep hij uit.
Hij zette Baree achterna. Maar in hun verbazing hadden zij een paar
sekonden verloren laten gaan en Baree's verdoofde zintuigen hadden
zich hersteld. Hij zag hen duidelijk zooals zij daar over de vlakte
kwamen—een nieuw soort bosch-monsters! Met een afscheidsjank sprong hij
in de schaduw van de boomen.
De zon was nu bijna onder en hij haastte zich naar het donkere bosch
in de nabijheid van de kreek. Hij had gerild bij het gezicht van
den beer en den eland, maar voor de eerste maal begreep hij nu de
werkelijke beteekenis van het gevaar. En het was hem op de hielen. Hij
hoorde het gedruisch, dat die tweepootige dieren maakten, terwijl zij
hem achtervolgden; vreemde kreten klonken vlak achter hem—en toen
plofte hij onverwachts in een gat. Het gaf hem een schok toen hij zoo
plotseling den grond onder zich voelde wegglijden, maar hij jankte niet.
Hij was nu weer geheel en al wolf. Hij kreeg de aandrift zich niet te
bewegen, geen geluid te geven, ternauwernood te ademen. Hij hoorde de
stemmen nu vlak boven zich, de vreemde voeten trapten bijna in het gat
waar hij lag. Uitkijkend uit zijn donkeren schuilhoek kon hij een van
zijn vijanden zien. Het was Nepeese, de Wilg. Zij stond zoo, dat de
laatste zonnestralen op haar gelaat vielen. Baree kon zijn oogen niet
van haar afhouden. Hij werd, ondanks zijn pijn, wonderlijk geboeid.
En toen bracht het meisje de beide handen aan den mond en met een stem
die zacht en klagelijk en wonderlijk troostend was voor zijn verschrikt
hartje riep zij:
„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”
En toen hoorde hij een andere stem en ook deze was lang zoo
verschrikkelijk niet als de meeste geluiden, die hij in het bosch
gehoord had.
„Wij kunnen hem niet vinden, Nepeese,” zeide hij. „Hij is weggekropen om
te sterven. Hij is zwaar gewond. Kom maar mee.”
Op de plek waar zij Baree hadden zien staan hield Pierrot even stil
en wees naar een berkeboompje, waarvan de stam doorboord was door het
schot van de Wilg. Nepeese begreep hem. Het stammetje, niet dikker dan
haar duim, had de richting van den kogel een weinig doen veranderen en
daardoor Baree gered van een onmiddellijken dood.
Zij keerde zich nochmaals om en riep:
„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”
In haar oogen stond nu geen moordlust meer te lezen.
„Hij zou dat toch niet begrijpen,” zeide Pierrot, doorloopende. „Hij is
verwilderd—stamt van de wolven af. Misschien is hij wel een jong van
die teef van Koomo, die verleden winter weg is geloopen om met de wolven
mee op jacht te gaan.”
„En nu zal hij sterven—”
„Ayetun—ja, hij zal sterven.”
Maar Baree dacht er niet over om dood te gaan. Hij was veel te taai om
doodelijk gewond te worden door een kogel, die het zachte vleesch van
zijn voorpoot doorboorde. Want dat was gebeurd. De kogel was tot op het
been toe doorgedrongen, maar het been zelf was niet geraakt. Hij wachtte
tot de maan was opgekomen voor hij het gat uitkroop.
Zijn poot was nu stijf geworden; hij bloedde niet meer, maar zijn heele
lijf werd gemarteld door een vreeselijke pijn. Bij elke beweging die
hij maakte, flitste die door hem heen en toch bleef hij zich bewegen.
Instinktmatig begreep hij, dat hij door uit deze streek weg te gaan
buiten gevaar raakte. En het was maar goed ook, dat hij dit deed, want
een tijdje later kwam er een stekelvarken langs, op zijn dwaze manier
tegen zichzelf babbelend en viel met een harden plof in het gat. Als
Baree erin gelegen had, zou hij zóó vol stekelvarkenspennen geraakt
zijn, dat hij er zeker aan gestorven was.
En in een ander opzicht was de beweging goed voor hem. Het gaf zijn
wond geen gelegenheid om te „ustao”, zooals Pierrot het zou hebben
uitgedrukt, want in waarheid was zij meer pijnlijk dan gevaarlijk.
Gedurende de eerste honderd meter hobbelde hij op drie pooten voort en
naderhand bemerkte hij, dat hij den vierden ook wel kon gebruiken als
hij er wat voorzichtig mee was. Hij volgde een halve mijl lang de kreek.
Wanneer er een struik of plant langs zijn wond schuurde, grauwde hij
daar woedend tegen en wanneer hij weer zoo'n pijnscheut kreeg, begon hij
te grommen en te tandenknarsen in plaats van te janken, zooals in het
begin. Nu hij uit het gat was gekropen, had het schot van de Wilg elken
droppel van zijn wolvenbloed in beroering gebracht. Er groeide iets in
hem—een gevoel van woede, niet tegen een voorwerp in het bizonder,
maar tegen alles. Het was niet de sensatie, waarmee hij Papayuchisew,
den jongen uil, bevochten had, dien dag, dat hij er voor het eerst
alleen op uit getrokken was. Dezen nacht was zijn hondennatuur geheel
ingesluimerd. Een opeenstapeling van ongelukken was over hem gekomen
en door deze ongelukken—waarbij de pijn, die hij nu had, kwam—was de
wolf in hem opgestaan, woest en wraakzuchtig. Het was voor het eerst
dat hij bij nacht reisde. Hij was, op dit oogenblik bang voor niets,
wat er uit de duisternis te voorschijn zou kunnen komen. De zwartste
schaduwen hadden hun griezeligheid verloren. Zijn eerste groote gevecht
tusschen de twee naturen, die in hem waren, den hond en den wolf, was
geleverd en de wolf had overwonnen. Nu en dan bleef hij stilstaan om
zijn wond te likken en onder het likken gromde hij, alsof hij die wond
een persoonlijken wrok toedroeg. Als Pierrot hem had kunnen zien zou hij
spoedig begrepen hebben wat dit beteekende en hij zou gezegd hebben:
„Laat hem maar doodgaan. De knuppel zal er dien duivel bij hem toch
niet uitkrijgen.”
In deze stemming bereikte Baree een uur later, uit het donkere bosch bij
de kreek komend, het meer open gedeelte van een kleine vlakte, die langs
een heuvelrug liep. In deze vlakte jaagde Oohoomisew. Oohoomisew was
een groote sneeuwuil. Hij was de patriarch van alle uilen in Pierrot's
vallengebied. Hij was zoo oud, dat hij zoo goed als blind was. Daarom
ging hij niet op de jacht zooals andere uilen dat doen. Hij verborg zich
niet in de toppen der donkere dennen of balsemstruiken, noch dreef hij
zachtjes door de nachtlucht, gereed in een oogwenk neer te schieten op
zijn prooi. Zijn gezicht was zoo armzalig, dat hij uit den top van een
boom een konijn heelemaal niet zou hebben kunnen zien en hij zou een vos
voor een muis gehouden hebben. Daarom verschanste de oude Oohoomisew,
door ondervinding wijs geworden, zich in een hinderlaag. Hij placht op
den grond neer te hurken, met Jobsgeduld te wachten tot er iets zijn
kant uitkwam, dat hem als voedsel kon dienen. Nu en dan beging hij een
fout. Twee keer had hij een lynx aangezien voor een konijn en in den
tweeden aanval had hij er een poot bij verspeeld, zoodat hij, wanneer
hij overdag te dommelen zat, zich met één poot aan zijn tak vast moest
klemmen. Hoewel kreupel, bijna blind en zoo oud, dat hij al lang geleden
de bosjes veeren over zijn ooren verloren had, was Oohoomisew toch nog
een reus van kracht en wanneer hij boos was, was het snappen van zijn
snavel op twintig meter afstand te hooren.
Drie nachten lang was hij onfortuinlijk geweest en vannacht al
buitengewoon. Twee konijnen waren langs hem gekomen en hij had beiden
aangevallen. Het eerste had hij heelemaal niet te pakken kunnen krijgen;
het tweede was hem ontsnapt, na hem een snavelvol haar achter te hebben
gelaten—en dat was al. Hij was totaal uitgehongerd en scherpte in een
allerslechtst humeur zijn snavel toen hij Baree hoorde naderen. Zelfs
al had Baree onder den struik kunnen kijken en Oohoomisew in zijn
schuilhoek zien loeren, valt het te betwijfelen of hij wel veel opzij
gegaan zou zijn. Zijn eigen vechtlust was ontwaakt. Hij, eveneens, was
bereid tot den strijd, zoo hij zijn vijand maar even aan kon.
Heel onduidelijk zag Oohoomisew hem door de kleine vlakte naderkomen.
Hij kromp in elkaar. Zijn veeren gingen overeind staan tot hij een bal
geleek. Zijn bijna lichtlooze oogen gloeiden als twee blauwachtige
vuurpoelen. Tien voet van hem af stond Baree stil om zijn wond te
likken. Oohoomisew wachtte, uit voorzorg. Baree liep door en ging bijna
rakelings den struik langs. Met een snel gehuppel en een plotseling
gedonder van zijn machtige wieken was de groote uil boven op hem.
Ditmaal gaf Baree geen geluid van pijn of schrik. De wolf is
„kipichimao”, zooals de Indianen zeggen. Geen jager heeft ooit een in de
val geraakten wolf om genade hooren huilen als hij den kogel ontving of
met den knuppel werd afgemaakt. Hij sterft, terwijl hij zijn slagtanden
toont. Oohoomisew viel dezen nacht het jong van een wolf aan en geen
hondenjong. De eerste aanval van den uil deed Baree omver tuimelen en
een oogenblik werd hij half gesmoord onder de uitgespreide, groote
vleugels, terwijl Oohoomisew, hem onder houdend, al zijn best deed
hem met zijn eenigen goeden klauw te pakken te krijgen en er met zijn
snavel heftig op los hakte. Eén houw van dien snavel ergens in zijn kop
en een konijn zou dood geweest zijn, maar Oohoomisew kwam al dadelijk
tot de ontdekking, dat het geen konijn was, dat hij daar onder zijn
vleugels hield. Een snauw, die hem het bloed deed verstijven, was het
antwoord, dat hij kreeg en Oohoomisew herinnerde zich den lynx, zijn
verloren poot en de moeite, die hij gehad had om te ontkomen. De oude
vrijbuiter had den aftocht kunnen blazen, maar Baree was niet langer de
onervaren kleine Baree van toen hij Papayuchisew bevocht. Ondervinding
en ontberingen hadden hem gehard en wijzer gemaakt: zijn kaken en tanden
waren snel van den been-likleeftijd tot den been-vermorzelleeftijd
gegroeid—en vóór Oohoomisew er vandoor kon gaan (zoo hij er al over
dacht) sloten Baree's kaken zich met een geduchten knauw om zijn eenigen
goeden poot.
In de stilte van den nacht weerklonk er een nog veel krachtiger
vleugelgedonder en eenige oogenblikken moest Baree de oogen dichthouden
om niet verblind te worden door Oohoomisew's woedende slagen. Maar hij
hield stevig vast en toen zijn tanden in het vleesch sneden van den
ouden vrijbuiter leek zijn nijdig gegrom Oohoomisew een onheilspellende
uitdaging toe. Een gelukkig toeval had gemaakt, dat hij dien poot te
pakken had gekregen en Baree wist, dat overwinning of nederlaag ervan
afhing of hij dien wist vast te houden.
De oude uil had geen anderen klauw om hem mee in bedwang te
houden en het was hem onmogelijk—door de wijze waarop hij werd
vastgehouden—Baree met zijn snavel te wonden. Daarom bleef hij maar
steeds doorslaan met zijn vleugels, die vier voet spanning hadden.
Zij maakten wel veel lawaai, maar deden Baree geen pijn. Hij beet nog
dieper door. Hij begon hoe langer hoe nijdiger te grommen, toen hij
Oohoomisew's bloed proefde en meer en meer groeide de begeerte in hem,
dit monster van den nacht te dooden, alsof hij door de vernietiging van
dit dier de gelegenheid kreeg zich te wreken voor al de pijn en al de
ontberingen, die hij geleden had nadat hij zijn moeder verloren had. En
het was merkwaardig, dat Oohoomisew nooit tevoren zoo'n grooten angst
gevoeld had. De lynx had maar eens naar hem gehapt en had hem met één
poot achtergelaten. Maar de lynx had niet op zoo'n wolvenmanier tegen
hem gegromd en had zich niet aan hem vastgeklemd. Duizend en één nacht
had Oohoomisew geluisterd naar het wolvengehuil en zijn instinkt had hem
de beteekenis ervan verteld. Hij had den troep snel voort zien glijden
in de duisternis en altijd wanneer zij langs kwamen had hij zich in de
zwartste schaduwen verborgen. Voor hem, evenals voor alle andere wilde
schepselen, stond dat wolvengehuil gelijk met den dood. Maar nu, nu
Baree's tanden om zijn poot geklemd waren, begreep hij pas ten volle den
angst voor den wolf. Die had jaren noodig gehad om in zijn dommen suffen
kop door te dringen—maar nu hij begreep, was hij erdoor bezeten als
nooit tevoren door iets in zijn leven. Plotseling hield hij op met zijn
geklapwiek en wierp zich de lucht in. Als reusachtige waaiers sloegen
zijn machtige vleugels door de lucht en Baree voelde zich plotseling de
hoogte ingaan.
Maar hij hield vast en een oogenblik later kwam hij met een smak weer
neer.
Oohoomisew probeerde het nog eens. Ditmaal slaagde hij beter en steeg
volle zes voet op met Baree. Zij vielen opnieuw terug. Een derde maal
trachtte de oude bandiet zich te bevrijden van Baree's greep en daarna,
uitgeput, bleef hij liggen, met zijn reusachtige vleugels uitgespreid,
sissend en klappend met zijn snavel. Onder deze vleugels werkte Baree's
brein met het snelle instinkt van den moordenaar. Plotseling veranderde
hij van taktiek en begroef zijn tanden in het onderlijf van Oohoomisew.
Zij zonken diep in de veeren. Behendig als Baree geweest was, Oohoomisew
was er even snel bij, om gebruik te maken van zijn voordeel. In een
oogwenk steeg hij opwaarts. Een hevige ruk, veeren, die naar alle kanten
neervielen—en Baree bleef alleen op het slagveld achter.
Hij had niet gedood, maar hij had toch de overwinning behaald. Zijn
eerste groote dag—of nacht—was gekomen. De wereld was vol beloften
voor hem. En na een oogenblik ging hij rechtop zitten, snoof den reuk
in van zijn verslagen vijand en toen—als om het gevederde monster, dat
hij zoo goed zijn deel gegeven had, uit te dagen terug te komen en het
gevecht voort te zetten tot den dood toe—hief hij zijn spits snuitje op
naar de sterren en zond zijn eerste baby-wolfsgehuil den nacht in.