V.

De wolf in hem spreekt.

Pierrot had, tot vóór twee jaren, gemeend, dat hij een van de

gelukkigste menschen was in de uitgestrekte wildernis. Dat was vóór

La Mort Rouge—de Roode Ziekte—uitbrak. Hij was een halve Franschman

en had de dochter getrouwd van een opperhoofd der Cree's en in hun

houten hut bij de Grijze Fuut hadden zij vele jaren geleefd in

grooten voorspoed en geluk. Pierrot was trotsch op drie zaken in zijn

onmiddellijke omgeving, hij was ontzaglijk trotsch op Wyola, zijn vrouw

van koninklijken bloede; hij was trotsch op zijn dochter en hij was

trotsch op zijn reputatie als jager. Totdat de Roode Ziekte kwam, was

het leven volmaakt voor hem geweest. Daarna—nu twee jaren geleden—was

zijn vrouw aan de pokken gestorven. Hij bleef wonen in zijn hutje bij

de Grijze Fuut, maar hij was een andere Pierrot geworden. Zijn hart was

zwaar in hem. Hij zou gestorven zijn, als zijn dochter er niet geweest

was, Nepeese. Zijn vrouw had haar Nepeese genoemd, wat beteekent „de

Wilg”. Nepeese was waarlijk opgegroeid als een wilg, slank en buigzaam

als een riet en met al haar moeders wilde schoonheid had zij toch ook

zichtbaar Fransch bloed in de aderen. Zij was bijna zeventien jaar, had

groote, prachtige, donkere oogen en haar zoo weelderig, dat een agent

van een maatschappij uit Montreal, die in hun buurt was gekomen, het

eens had willen koopen. Het viel in twee glanzende vlechten, elk van de

dikte van een manspols, bijna tot aan haar knieën.

„Non, M'sieu,” had Pierrot gezegd, terwijl er iets schitterde in zijn

oogen, toen hij de uitdrukking op het gelaat van den agent gewaar werd.

„Ze zijn niet te koop.”

Baree geraakte op zijn zwerftochten op het gebied, waar Pierrot zijn

vallen uitzette, en bleef daar. Het was een ideale plek om te jagen.

Twee dagen later kwam Pierrot thuis met een bekommerd gezicht.

„Er is een beest in de buurt, dat de jonge bevers doodt.” vertelde

hij in het Fransch aan Nepeese. „Een lynx of een wolf. Morgen....” Hij

haalde zijn magere schouders op en glimlachte tegen haar.

„Wij gaan op de jacht,” lachte Nepeese vroolijk, in haar zacht klinkend

Indiaansch.

Wanneer Pierrot op deze manier tegen haar glimlachte en begon met

„morgen”, beteekende dit altijd, dat zij met hem mee mocht gaan op

avontuur.

Nog een dag later, tegen het eind van den middag, stak Baree de

Grijze Fuut over, over een bruggetje van drijfhout, dat zich gevormd

had tusschen twee boomstammen. Dit lag in noordelijke richting.

Vlak tegenover dit bruggetje was een kleine open vlakte en aan den

rand hiervan bleef Baree stilstaan, om naar de laatste stralen van

de ondergaande zon te kijken. Zooals hij daar bewegingloos stond en

luisterde met gespitste oortjes, hangenden staart en den reuk van het

onbekende gebied opsnuivend, was er geen enkele boschbewoner, die hem

niet voor een wolvejong zou hebben gehouden.

Achter een boschje jonge balsemstruiken, een honderd meter verder,

hadden Pierrot en Nepeese hem het bruggetje over zien gaan. Nu was het

tijd en Pierrot legde zijn geweer aan. Toen pas raakte Nepeese zacht

zijn arm aan. Zij haalde opgewonden adem, terwijl zij fluisterde:

„Nootawe, laat mij schieten. Ik kan hem ook wel raken!” Met een zacht

gegrinnik gaf Pierrot haar zijn geweer over. Hij rekende het jong al

dood. Want Nepeese kon op dezen afstand een kogel zenden in een doelpunt

van een centimeter in het vierkant. En Nepeese, zorgvuldig mikkend op

Baree, trok met haar bruinen wijsvinger stevig aan den trekker.

Terwijl zij dit deed, maakte Baree een luchtsprong. Hij voelde de kracht

van den kogel, nog vóór hij het geweer hoorde afgaan. Hij viel ervan

om en rolde door alsof hij een verschrikkelijken slag met een knuppel

ontvangen had. In 't eerste oogenblik voelde hij geen pijn. Toen sneed

zij door hem heen als een mes van vuur en door die pijn overheerschte

zijn hondenhart al zijn overige gevoelens en hij liet een klagelijk

jongehondjesgejank hooren terwijl hij om en om tuimelde.

Pierrot en Nepeese waren van achter de balsemstruiken te voorschijn

gekomen. De mooie oogen van de Wilg straalden van trots over de

juistheid van haar schot. Maar plotseling hield zij haar adem in.

Krampachtig omklemde zij den loop van haar geweer. Het gegrinnik van

voldoening bestierf Pierrot op de lippen, toen Baree's jammerkreten de

lucht vervulden.

„Uchi Moosis!” hijgde Nepeese in haar eigen taal.

Pierrot nam zijn geweer terug.

„Wat! Een hond! Een jong hondje!” riep hij uit.

Hij zette Baree achterna. Maar in hun verbazing hadden zij een paar

sekonden verloren laten gaan en Baree's verdoofde zintuigen hadden

zich hersteld. Hij zag hen duidelijk zooals zij daar over de vlakte

kwamen—een nieuw soort bosch-monsters! Met een afscheidsjank sprong hij

in de schaduw van de boomen.

De zon was nu bijna onder en hij haastte zich naar het donkere bosch

in de nabijheid van de kreek. Hij had gerild bij het gezicht van

den beer en den eland, maar voor de eerste maal begreep hij nu de

werkelijke beteekenis van het gevaar. En het was hem op de hielen. Hij

hoorde het gedruisch, dat die tweepootige dieren maakten, terwijl zij

hem achtervolgden; vreemde kreten klonken vlak achter hem—en toen

plofte hij onverwachts in een gat. Het gaf hem een schok toen hij zoo

plotseling den grond onder zich voelde wegglijden, maar hij jankte niet.

Hij was nu weer geheel en al wolf. Hij kreeg de aandrift zich niet te

bewegen, geen geluid te geven, ternauwernood te ademen. Hij hoorde de

stemmen nu vlak boven zich, de vreemde voeten trapten bijna in het gat

waar hij lag. Uitkijkend uit zijn donkeren schuilhoek kon hij een van

zijn vijanden zien. Het was Nepeese, de Wilg. Zij stond zoo, dat de

laatste zonnestralen op haar gelaat vielen. Baree kon zijn oogen niet

van haar afhouden. Hij werd, ondanks zijn pijn, wonderlijk geboeid.

En toen bracht het meisje de beide handen aan den mond en met een stem

die zacht en klagelijk en wonderlijk troostend was voor zijn verschrikt

hartje riep zij:

„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”

En toen hoorde hij een andere stem en ook deze was lang zoo

verschrikkelijk niet als de meeste geluiden, die hij in het bosch

gehoord had.

„Wij kunnen hem niet vinden, Nepeese,” zeide hij. „Hij is weggekropen om

te sterven. Hij is zwaar gewond. Kom maar mee.”

Op de plek waar zij Baree hadden zien staan hield Pierrot even stil

en wees naar een berkeboompje, waarvan de stam doorboord was door het

schot van de Wilg. Nepeese begreep hem. Het stammetje, niet dikker dan

haar duim, had de richting van den kogel een weinig doen veranderen en

daardoor Baree gered van een onmiddellijken dood.

Zij keerde zich nochmaals om en riep:

„Uchimoo—Uchimoo—Uchimoo!”

In haar oogen stond nu geen moordlust meer te lezen.

„Hij zou dat toch niet begrijpen,” zeide Pierrot, doorloopende. „Hij is

verwilderd—stamt van de wolven af. Misschien is hij wel een jong van

die teef van Koomo, die verleden winter weg is geloopen om met de wolven

mee op jacht te gaan.”

„En nu zal hij sterven—”

„Ayetun—ja, hij zal sterven.”

Maar Baree dacht er niet over om dood te gaan. Hij was veel te taai om

doodelijk gewond te worden door een kogel, die het zachte vleesch van

zijn voorpoot doorboorde. Want dat was gebeurd. De kogel was tot op het

been toe doorgedrongen, maar het been zelf was niet geraakt. Hij wachtte

tot de maan was opgekomen voor hij het gat uitkroop.

Zijn poot was nu stijf geworden; hij bloedde niet meer, maar zijn heele

lijf werd gemarteld door een vreeselijke pijn. Bij elke beweging die

hij maakte, flitste die door hem heen en toch bleef hij zich bewegen.

Instinktmatig begreep hij, dat hij door uit deze streek weg te gaan

buiten gevaar raakte. En het was maar goed ook, dat hij dit deed, want

een tijdje later kwam er een stekelvarken langs, op zijn dwaze manier

tegen zichzelf babbelend en viel met een harden plof in het gat. Als

Baree erin gelegen had, zou hij zóó vol stekelvarkenspennen geraakt

zijn, dat hij er zeker aan gestorven was.

En in een ander opzicht was de beweging goed voor hem. Het gaf zijn

wond geen gelegenheid om te „ustao”, zooals Pierrot het zou hebben

uitgedrukt, want in waarheid was zij meer pijnlijk dan gevaarlijk.

Gedurende de eerste honderd meter hobbelde hij op drie pooten voort en

naderhand bemerkte hij, dat hij den vierden ook wel kon gebruiken als

hij er wat voorzichtig mee was. Hij volgde een halve mijl lang de kreek.

Wanneer er een struik of plant langs zijn wond schuurde, grauwde hij

daar woedend tegen en wanneer hij weer zoo'n pijnscheut kreeg, begon hij

te grommen en te tandenknarsen in plaats van te janken, zooals in het

begin. Nu hij uit het gat was gekropen, had het schot van de Wilg elken

droppel van zijn wolvenbloed in beroering gebracht. Er groeide iets in

hem—een gevoel van woede, niet tegen een voorwerp in het bizonder,

maar tegen alles. Het was niet de sensatie, waarmee hij Papayuchisew,

den jongen uil, bevochten had, dien dag, dat hij er voor het eerst

alleen op uit getrokken was. Dezen nacht was zijn hondennatuur geheel

ingesluimerd. Een opeenstapeling van ongelukken was over hem gekomen

en door deze ongelukken—waarbij de pijn, die hij nu had, kwam—was de

wolf in hem opgestaan, woest en wraakzuchtig. Het was voor het eerst

dat hij bij nacht reisde. Hij was, op dit oogenblik bang voor niets,

wat er uit de duisternis te voorschijn zou kunnen komen. De zwartste

schaduwen hadden hun griezeligheid verloren. Zijn eerste groote gevecht

tusschen de twee naturen, die in hem waren, den hond en den wolf, was

geleverd en de wolf had overwonnen. Nu en dan bleef hij stilstaan om

zijn wond te likken en onder het likken gromde hij, alsof hij die wond

een persoonlijken wrok toedroeg. Als Pierrot hem had kunnen zien zou hij

spoedig begrepen hebben wat dit beteekende en hij zou gezegd hebben:

„Laat hem maar doodgaan. De knuppel zal er dien duivel bij hem toch

niet uitkrijgen.”

In deze stemming bereikte Baree een uur later, uit het donkere bosch bij

de kreek komend, het meer open gedeelte van een kleine vlakte, die langs

een heuvelrug liep. In deze vlakte jaagde Oohoomisew. Oohoomisew was

een groote sneeuwuil. Hij was de patriarch van alle uilen in Pierrot's

vallengebied. Hij was zoo oud, dat hij zoo goed als blind was. Daarom

ging hij niet op de jacht zooals andere uilen dat doen. Hij verborg zich

niet in de toppen der donkere dennen of balsemstruiken, noch dreef hij

zachtjes door de nachtlucht, gereed in een oogwenk neer te schieten op

zijn prooi. Zijn gezicht was zoo armzalig, dat hij uit den top van een

boom een konijn heelemaal niet zou hebben kunnen zien en hij zou een vos

voor een muis gehouden hebben. Daarom verschanste de oude Oohoomisew,

door ondervinding wijs geworden, zich in een hinderlaag. Hij placht op

den grond neer te hurken, met Jobsgeduld te wachten tot er iets zijn

kant uitkwam, dat hem als voedsel kon dienen. Nu en dan beging hij een

fout. Twee keer had hij een lynx aangezien voor een konijn en in den

tweeden aanval had hij er een poot bij verspeeld, zoodat hij, wanneer

hij overdag te dommelen zat, zich met één poot aan zijn tak vast moest

klemmen. Hoewel kreupel, bijna blind en zoo oud, dat hij al lang geleden

de bosjes veeren over zijn ooren verloren had, was Oohoomisew toch nog

een reus van kracht en wanneer hij boos was, was het snappen van zijn

snavel op twintig meter afstand te hooren.

Drie nachten lang was hij onfortuinlijk geweest en vannacht al

buitengewoon. Twee konijnen waren langs hem gekomen en hij had beiden

aangevallen. Het eerste had hij heelemaal niet te pakken kunnen krijgen;

het tweede was hem ontsnapt, na hem een snavelvol haar achter te hebben

gelaten—en dat was al. Hij was totaal uitgehongerd en scherpte in een

allerslechtst humeur zijn snavel toen hij Baree hoorde naderen. Zelfs

al had Baree onder den struik kunnen kijken en Oohoomisew in zijn

schuilhoek zien loeren, valt het te betwijfelen of hij wel veel opzij

gegaan zou zijn. Zijn eigen vechtlust was ontwaakt. Hij, eveneens, was

bereid tot den strijd, zoo hij zijn vijand maar even aan kon.

Heel onduidelijk zag Oohoomisew hem door de kleine vlakte naderkomen.

Hij kromp in elkaar. Zijn veeren gingen overeind staan tot hij een bal

geleek. Zijn bijna lichtlooze oogen gloeiden als twee blauwachtige

vuurpoelen. Tien voet van hem af stond Baree stil om zijn wond te

likken. Oohoomisew wachtte, uit voorzorg. Baree liep door en ging bijna

rakelings den struik langs. Met een snel gehuppel en een plotseling

gedonder van zijn machtige wieken was de groote uil boven op hem.

Ditmaal gaf Baree geen geluid van pijn of schrik. De wolf is

„kipichimao”, zooals de Indianen zeggen. Geen jager heeft ooit een in de

val geraakten wolf om genade hooren huilen als hij den kogel ontving of

met den knuppel werd afgemaakt. Hij sterft, terwijl hij zijn slagtanden

toont. Oohoomisew viel dezen nacht het jong van een wolf aan en geen

hondenjong. De eerste aanval van den uil deed Baree omver tuimelen en

een oogenblik werd hij half gesmoord onder de uitgespreide, groote

vleugels, terwijl Oohoomisew, hem onder houdend, al zijn best deed

hem met zijn eenigen goeden klauw te pakken te krijgen en er met zijn

snavel heftig op los hakte. Eén houw van dien snavel ergens in zijn kop

en een konijn zou dood geweest zijn, maar Oohoomisew kwam al dadelijk

tot de ontdekking, dat het geen konijn was, dat hij daar onder zijn

vleugels hield. Een snauw, die hem het bloed deed verstijven, was het

antwoord, dat hij kreeg en Oohoomisew herinnerde zich den lynx, zijn

verloren poot en de moeite, die hij gehad had om te ontkomen. De oude

vrijbuiter had den aftocht kunnen blazen, maar Baree was niet langer de

onervaren kleine Baree van toen hij Papayuchisew bevocht. Ondervinding

en ontberingen hadden hem gehard en wijzer gemaakt: zijn kaken en tanden

waren snel van den been-likleeftijd tot den been-vermorzelleeftijd

gegroeid—en vóór Oohoomisew er vandoor kon gaan (zoo hij er al over

dacht) sloten Baree's kaken zich met een geduchten knauw om zijn eenigen

goeden poot.

In de stilte van den nacht weerklonk er een nog veel krachtiger

vleugelgedonder en eenige oogenblikken moest Baree de oogen dichthouden

om niet verblind te worden door Oohoomisew's woedende slagen. Maar hij

hield stevig vast en toen zijn tanden in het vleesch sneden van den

ouden vrijbuiter leek zijn nijdig gegrom Oohoomisew een onheilspellende

uitdaging toe. Een gelukkig toeval had gemaakt, dat hij dien poot te

pakken had gekregen en Baree wist, dat overwinning of nederlaag ervan

afhing of hij dien wist vast te houden.

De oude uil had geen anderen klauw om hem mee in bedwang te

houden en het was hem onmogelijk—door de wijze waarop hij werd

vastgehouden—Baree met zijn snavel te wonden. Daarom bleef hij maar

steeds doorslaan met zijn vleugels, die vier voet spanning hadden.

Zij maakten wel veel lawaai, maar deden Baree geen pijn. Hij beet nog

dieper door. Hij begon hoe langer hoe nijdiger te grommen, toen hij

Oohoomisew's bloed proefde en meer en meer groeide de begeerte in hem,

dit monster van den nacht te dooden, alsof hij door de vernietiging van

dit dier de gelegenheid kreeg zich te wreken voor al de pijn en al de

ontberingen, die hij geleden had nadat hij zijn moeder verloren had. En

het was merkwaardig, dat Oohoomisew nooit tevoren zoo'n grooten angst

gevoeld had. De lynx had maar eens naar hem gehapt en had hem met één

poot achtergelaten. Maar de lynx had niet op zoo'n wolvenmanier tegen

hem gegromd en had zich niet aan hem vastgeklemd. Duizend en één nacht

had Oohoomisew geluisterd naar het wolvengehuil en zijn instinkt had hem

de beteekenis ervan verteld. Hij had den troep snel voort zien glijden

in de duisternis en altijd wanneer zij langs kwamen had hij zich in de

zwartste schaduwen verborgen. Voor hem, evenals voor alle andere wilde

schepselen, stond dat wolvengehuil gelijk met den dood. Maar nu, nu

Baree's tanden om zijn poot geklemd waren, begreep hij pas ten volle den

angst voor den wolf. Die had jaren noodig gehad om in zijn dommen suffen

kop door te dringen—maar nu hij begreep, was hij erdoor bezeten als

nooit tevoren door iets in zijn leven. Plotseling hield hij op met zijn

geklapwiek en wierp zich de lucht in. Als reusachtige waaiers sloegen

zijn machtige vleugels door de lucht en Baree voelde zich plotseling de

hoogte ingaan.

Maar hij hield vast en een oogenblik later kwam hij met een smak weer

neer.

Oohoomisew probeerde het nog eens. Ditmaal slaagde hij beter en steeg

volle zes voet op met Baree. Zij vielen opnieuw terug. Een derde maal

trachtte de oude bandiet zich te bevrijden van Baree's greep en daarna,

uitgeput, bleef hij liggen, met zijn reusachtige vleugels uitgespreid,

sissend en klappend met zijn snavel. Onder deze vleugels werkte Baree's

brein met het snelle instinkt van den moordenaar. Plotseling veranderde

hij van taktiek en begroef zijn tanden in het onderlijf van Oohoomisew.

Zij zonken diep in de veeren. Behendig als Baree geweest was, Oohoomisew

was er even snel bij, om gebruik te maken van zijn voordeel. In een

oogwenk steeg hij opwaarts. Een hevige ruk, veeren, die naar alle kanten

neervielen—en Baree bleef alleen op het slagveld achter.

Hij had niet gedood, maar hij had toch de overwinning behaald. Zijn

eerste groote dag—of nacht—was gekomen. De wereld was vol beloften

voor hem. En na een oogenblik ging hij rechtop zitten, snoof den reuk

in van zijn verslagen vijand en toen—als om het gevederde monster, dat

hij zoo goed zijn deel gegeven had, uit te dagen terug te komen en het

gevecht voort te zetten tot den dood toe—hief hij zijn spits snuitje op

naar de sterren en zond zijn eerste baby-wolfsgehuil den nacht in.

De zoon van Kazan · 第 9 / 34 题