IV.

Een hongerig zwerver.

Toen Baree zich bij het aanbreken van den volgenden dag van onder zijn

rots uit waagde, was hij een heel wat ouder wolfshondje dan toen hij

Papayuchisew, den jongen uil, op zijn pad ontmoet had, dicht bij zijn

oude hol. Als ondervinding de plaats van ouderdom in kan nemen, was

hij gedurende de vier en twintig uur maanden ouder geworden. Het is

een feit, dat hij nu bijna volwassen was geworden. Hij ontwaakte met

een nieuwe en veel duidelijker voorstelling van de wereld. Het was een

uitgestrekte plaats. Zij was vol voorwerpen, waaronder Kazan en Wolvin

lang niet de eerste plaats innamen.

De monsters, die hij op dat door de maan verlichte zandplekje gezien

had, hadden een nieuwe voorzorg in hem gewekt en een van de grootste

en eerste instinkten—het begrip, dat de sterke aast op den zwakke.

Totnogtoe had hij, wat zeer natuurlijk was, kracht gemeten naar

lichaamsgrootte en ook den omvang van het gevaar schatte hij daarnaar.

En zoo was de beer dus schrik-aanjagender voor hem dan Kazan en de

elandstier was weer vreeselijker dan de beer. Het was maar heel gelukkig

voor hem, dat zijn instinkt nog niet dadelijk tot aan de grenzen ging en

hem duidelijk maakte, dat zijn eigen ras—de wolf—het meest gevreesde

dier was in de wildernis, van alle gehoefde, geklauwde en gevederde

schepselen, die er huisden. Anders zou het hem wel eens hebben kunnen

vergaan als den kleinen jongen, die zich verbeeldde te kunnen zwemmen

nog vóór hij den slag te pakken had, te diep dook en er het leven bij

liet.

Heel opmerkzaam, terwijl al het haar van zijn rug overeind stond en

onderdrukt grommende, berook hij de groote voetsporen van den beer

en den eland, die hij gisteren op zijn zwerftochten ontmoet had. Dat

berenspoor maakte hem aan het brommen. Hij volgde het tot aan den oever

van de kreek. Daarna vervolgde hij zijn tocht en ook zijn jacht op

voedsel.

Twee uren lang was zijn zoeken vergeefsch, hij vond niets, zelfs geen

rivierkreeft. Daarna kwam hij van het groene bosch uit aan den zoom van

een verbrand gedeelte. Hier was alles zwart. De boomstammen leken wel

verkoolde stokken. Het was een groote boschbrand geweest, die op deze

plaats gewoed had, den vorigen herfst, en de asch was nog zacht onder

Baree's pooten. Recht door deze verbrande streek stroomde de kreek en er

boven stond de blauwe lucht, waarin de zon scheen.

Het was een heele verzoeking voor Baree. De vos, de wolf, de eland en

de kariboe zouden teruggekeerd zijn uit dit doode land. Over een jaar

zou het een goed jachtveld zijn, maar nu was het volkomen levenloos.

Zelfs de uilen zouden hier niets eetbaars hebben kunnen vinden. Maar

het waren de blauwe hemel en de zon en de zachte grond onder zijn

pooten, die Baree verlokten. Het was hier prettig reizen, na zijn

pijnlijke ondervindingen van den vorigen dag. Hij ging voort, den

stroom te volgen, ofschoon er weinig kans was, dat hij er iets van

voedsel vond. Het water was donker en modderig geworden en hier en daar

versperd door houtafval, die er in was geraakt en de oevers waren ook

modderig en week. Na een poosje, toen Baree stilstond om eens rond te

kijken, zag hij het groene bosch niet langer. Hij was geheel alleen in

die troostelooze wildernis van verkoolde boomlijken. Er heerschte ook

doodsche stilte. Geen vogelgetjilp verbrak de stilte. In de zachte asch

kon hij zijn eigen bewegingen niet hooren. Maar hij was niet bang. Hij

voelde de rust hier van veiligheid.

Als hij maar iets eetbaars kon vinden! Dit was de hoofdgedachte, die hem

beheerschte. Zijn instinkt had hem nog niet meegedeeld, dat alles, wat

hij om zich heen zag, de dood was. Hij liep voort, vol hoop naar voedsel

zoekend. Maar ten laatste, terwijl de uren verstreken, begon de moed hem

te begeven. De zon zonk in het westen. De hemel werd minder blauw, een

zachte wind begon over de toppen van de boomen te rijden en nu en dan

viel er een met veel gekraak.

Baree kon niet verder loopen. Een uur voor het donker was, lag hij in de

vlakte uitgestrekt, zwak en uitgeput. De zon verdween achter het bosch.

De maan klom naar boven, vanuit het oosten. De hemel glinsterde van

sterren en gedurende dien heelen nacht lag Baree zoo roerloos alsof hij

dood was. Toen de morgen aanbrak, sleepte hij zich naar den stroom, om

eens te drinken. Met zijn laatste krachten liep hij nog wat verder. Het

was zijn wolvenbloed, dat hem dwong, te worstelen voor zijn leven. Zijn

hondenhart zou hem aangedreven hebben te gaan liggen en te sterven. Maar

de wolf was het sterkst in hem. En dit gedeelte van zijn karakter won

het. Een halve mijl verder bereikte hij het groote groene bosch weer.

In het bosch, zoowel als in de groote steden, heeft het lot vele

grillen. Als Baree zich een half uur later het bosch in had gesleept,

zou hij dood geweest zijn. Hij was al veel te ver weg om naar een

rivierkreeft te visschen of zelfs maar den zwaksten vogel te dooden.

Maar hij kwam juist op het oogenblik, waarop Sekoosew, de hermelijn—de

meest bloeddorstige kleine vrijbuiter ter wereld—zijn prooi aan 't

bespringen was.

Dit gebeurde ruim honderd meter van de plek af, waar Baree onder een

sparreboom lag uitgestrekt, gereed om den geest te geven. Sekoosew was

een machtig jager in zijn soort. Zijn lichaam was zoowat anderhalven

decimeter lang, zijn klein staartje eindigde in een zwarte punt en hij

woog misschien vijf ons. Een klein-kinderhandje had hem overal tusschen

zijn vier pooten kunnen omsluiten en zijn scherp kopje met zijn zwarte

kraaloogjes kon gemakkelijk door het kleinste gaatje. Eeuwen lang had

Sekoosew meegeholpen, de geschiedenis te vormen. Hij was het, die—toen

zijn huid honderd dollars in het goud des Konings waard was—de eerste

scheepslading van Heeren Avonturiers over zee lokte, met Prins Rupert

aan het hoofd; het was de kleine Sekoosew, die de aanleiding werd van

de vorming van de groote Hudson Baai Compagnie en de ontdekking van

half een werelddeel; bijna drie eeuwen lang had hij om zijn bestaan

gevochten met den strikkenzetter. Hij was de slimste, de meest woeste en

onbarmhartigste van alle dieren, waaruit zijn wereld bestond.

Terwijl Baree daar onder zijn boom lag, was Sekoosew bezig zijn prooi

te besluipen. Zijn doel was een flink, vet patrijshoen, dat onder een

wilden kruisbessenstruik stond. Geen levend schepsel had eenig geluid

kunnen hooren van Sekoosew's bewegingen. Hij leek wel een schaduw—nu

eens een grijs hoopje bont hier, dan een voorbijschietend streepje

daar—nu eens was hij verborgen achter een stok, niet dikker dan

een manspols, kwam het eene oogenblik voor den dag, om het volgend

oogenblik te verdwijnen alsof hij nooit bestaan had. Op deze manier

was hij van vijftig tot drie voet genaderd. Dit was zijn geliefde

mik-afstand. Zonder mis te rekenen wierp hij zich aan de keel van

den slaperigen patrijs en zijn naaldfijne tandjes zonken door de

veeren in zijn vleesch. Sekoosew was voorbereid op wat er nu volgde.

Het gebeurde altijd, wanneer hij Napanao, den woudpatrijs aanviel.

Hij bezat machtige vleugels en zijn eerste aandrift, wanneer hij

hem aanviel, was te vluchten. Hij steeg nu recht naar boven met een

geweldig vleugelgedonder. Sekoosew klemde zich stevig vast, zijn

tandjes begroeven zich diep in zijn vleesch en zijn kleine klauwtjes

omsloten hem als handen. Door de lucht snorde hij met hem, steeds dieper

doorbijtend, totdat Napanao, honderd meter vanaf de plek, waar dat

verschrikkelijke moordwerktuig zich aan zijn keel had vastgeklemd, weer

op den grond neersmakte.

De plek waar hij viel was geen tien voet van Baree af. Een paar

oogenblikken lang bleef hij kijken naar die worstelende veerenmassa,

nog niet volkomen begrijpend, dat er eindelijk en ten laatste voedsel

binnen zijn bereik kwam. Napanao lag te sterven, maar hij worstelde

nog steeds krampachtig met de vleugels. Baree stond omzichtig op en, na

een oogenblik, waarin hij al zijn nog overgebleven krachten verzamelde,

rende hij op hem toe. Hij begroef zijn tanden in zijn borst—en toen

ontdekte hij Sekoosew pas. De hermelijn had zijn kopje opgeheven, na den

doodelijken greep in Napanao's keel te hebben losgelaten en zijn woeste

roode oogjes staarden één oogenblik lang in die van Baree. Hier zag hij

iets, te groot voor hem om te dooden en met een woedenden schreeuw ging

hij er van door. Napanao's vleugels vielen neer en hij gaf een laatsten

snik. Hij was dood. Baree hield hem stijf vast, totdat hij daar volkomen

zeker van was. Toen begon hij zijn festijn.

Met moordlust in zijn hartje bleef Sekoosew in de buurt, overal

rondsnorrend, maar nooit naderbij komend dan een half dozijn voet tot de

plaats, waar Baree lag. Zijn oogjes waren rooder dan ooit.

Baree at een derde deel van den patrijs op en de overblijvende twee

derden verborg hij heel zorgvuldig aan den voet van een grooten spar.

Toen haastte hij zich naar de kreek om te drinken. De wereld had nu

een heel ander aanzien voor hem gekregen. Alles bijeengenomen hangt

iemand's geschiktheid om geluk te voelen veel af van de diepte van het

ongeluk, dat hij tevoren gehad heeft. Zoo ging het met Baree. Acht en

veertig uur tevoren zou een volle maag hem geen tiende part zoo gelukkig

gemaakt hebben als hij nu was. Toen was zijn grootste verlangen naar

zijn moeder geweest. Sedert dien tijd had een veel grooter begeerte hem

vervuld—de begeerte naar voedsel. In zeker opzicht was het gelukkig

voor hem, dat hij bijna van uitputting en honger was omgekomen, want

deze ondervinding had meegeholpen om een man van hem te maken—of een

volwassen wolfshond—al naar men het noemen wil. Hij zou nog langen

tijd zijn moeder blijven missen. Maar hij zou haar nooit meer zoo hevig

missen als deze laatste twee dagen.

Dien middag deed hij een flinken dut, vlak bij zijn bewaarplaats. Daarna

groef hij den patrijs weer op en deed zijn avondmaal. Toen voor de

vierde maal de nacht aanbrak, verborg hij zich niet, zooals hij de drie

vorige nachten gedaan had. Hij was wonderlijk goed wakker. Onder de maan

en de sterren dwaalde hij rond bij den zoom van het bosch en in het

sombere zwarte gedeelte er van. Hij luisterde met een nieuwe opwinding

naar het wolvengehuil, dat in de verte weerklonk. Het was een troep, die

op jacht was.

Nog een dag en een nacht bleef Baree in de nabijheid van zijn

bewaarplaats. Toen het laatste been was af gekloven, trok hij verder.

Hij betrad nu een streek, waar zijn levensonderhoud geen raadsel meer

voor hem was. Hier hielden de lynxen huis en waar er lynxen rondzwerven,

daar zijn ook veel konijnen. Wanneer de konijnen schaarscher worden,

verhuizen de lynxen naar een beter terrein. Daar het sneeuwschoenkonijn

het heele jaar door jongen werpt, bevond Baree zich in een land van

belofte. Het kostte hem geen moeite, de jonge konijnen te vangen en te

dooden. Een week lang deed hij zich te goed en werd met den dag dikker

en sterker. Maar al dien tijd trok hij, gedreven door dien zoekenden,

onrustigen geest, nog steeds hopend zijn vroeger tehuis en zijn moeder

te vinden, naar het noorden en oosten.

Hij had het heimwee en voelde zich alleen en zijn hartje dorstte naar

de warmte van gezelschap en den troost van moederliefde. Alleen in de

wereld te zijn was allerminst een gewenschte staat van zaken. Soms

beving Baree zoo'n heimwee naar het gezicht van Wolvin's grijzen snoet

en Kazan's prachtig lichaam, dat het _pijn deed_.

Op dit oogenblik werd de wolf in hem overheerscht door den hond. Hij was

alleen maar een bedroefd klein hondje. En zijn tehuis, met Wolvin en

Kazan, leek ver, ver weg.

Wanhopig dwaalde hij verder, het Onbekende in....

De zoon van Kazan · 第 8 / 34 题