Een nacht vol angst.
Wat Papayuchisew betreft, voor hem was, na de eerste gulp water, die hij
binnenkreeg, de stroom bijna even veilig als de lucht, want hij zeilde
over de oppervlakte met de luchtigheid van een meeuw, zich verbazend in
zijn langzaam-werkend brein, waarom hij zich zoo gemakkelijk en prettig
bewoog, zonder dat hij er zelf moeite voor behoefde te doen.
Maar voor Baree was het een andere zaak. Hij zonk naar beneden als
een steen. Een geweldig gebulder vervulde zijn ooren, het was donker,
benauwend, afschuwelijk. Hij werd om en om geworpen. Hij was twintig
voet diep onder water. Toen steeg hij naar de oppervlakte en begon
wanhopig met zijn pooten te slaan. Het hielp hem niet veel. Hij kreeg
alleen maar den tijd om een paar maal met de oogen te knippen en wat
lucht in zijn longen te halen, toen hij in een kolk verdween, die als
een molentocht tusschen twee boomstammen draaide en eenigen tijd lang
konden de scherpste oogen huid noch haar van hem ontdekken. Toen kwam
hij weer boven bij een miniatuur Niagara en vijftig of zestig meter lang
werd hij als een harige bal in het rond geworpen. Daarna werd hij in
een ijskouden poel gesmeten en toen, half dood, krabbelde hij, op een
steenige zandbank, uit het water.
Langen tijd bleef hij daar liggen in een vloed van zonneschijn, zonder
zich te bewegen. Zijn oor deed hem pijn en toen hij eindelijk zijn neus
ophief, was deze heelemaal ontstoken en voelde zoo branderig aan, alsof
hij hem in vuur gestoken had. Zijn pooten en lichaam waren pijnlijk en
toen hij zich over den steenigen zandbodem rond begon te sleepen, was
hij het rampzaligste jonge hondje ter wereld. Hij was ook totaal den weg
kwijt. Tevergeefs keek hij rond naar een herkenningsteeken—naar het
een of ander, dat hem den weg naar huis terug kon wijzen. Maar alles
was hem even vreemd. Hij wist niet, dat het water hem aan land geworpen
had aan den verkeerden kant van de kreek en dat hij, om het hol onder
de omgevallen boomen te bereiken, deze weer zou moeten oversteken. Hij
jankte halfluid om zijn moeder. Wolvin had hem niet kunnen hooren als
hij geblaft had, want haar hol was meer dan twee honderd vijftig meter
stroomopwaarts. Maar het wolveninstinkt legde Baree al vanzelf het
zwijgen op na dit zachte gejank.
Langs den oever loopend, begon hij den stroom te volgen. Elke stap,
dien hij in deze richting deed, bracht hem nu verder van huis. Telkens
bleef hij stilstaan om te luisteren. Het bosch werd dichter. Het
werd hoe langer hoe donkerder en geheimzinniger. De stilte ervan was
schrikaanjagend. Na verloop van een half uur zou hij zelfs Papayuchisew
met blijdschap verwelkomd hebben. En hij zou hem toen niet bevochten
hebben. Hij zou hem, zoo dit mogelijk ware geweest, den weg naar huis
hebben gevraagd.
Hij was volle driekwart mijl van zijn hol gekomen, toen de kreek zich
splitste in twee kanalen. Hij kon er maar één kiezen om te volgen—het
stroompje, dat een weinig zuidoostwaarts liep. Dit gedeelte liep niet
zoo snel. Het was niet gevuld met glinsterende rotsblokken, waardoor
het water zong en schuimde. Het was zoo zwart als het bosch. Het was
geruchtloos en diep. Plotseling bevond Baree zich aan den rand van een
diepen, donkeren poel, waarin het water zoo roerloos lag als olie en
zijn hartje sprong hem naar de keel, toen een sluik, glimmend beest te
voorschijn sprong, bijna vlak onder zijn neus uit en met een geweldig
geplas in het midden van den poel terecht kwam. Het was Nekik, de otter.
Hij had Baree niet gehoord en een oogenblik later werd hij gevolgd
door Napanekik, zijn wijfje, met drie jongen achter zich aan, die vier
sporen achterlieten in het olieachtig-uitziende water. Wat er daarna
voorviel, deed Baree bijna vergeten, dat hij verdwaald was. Nekik was
onder de oppervlakte verdwenen en steeg weer naar boven, vlak onder zijn
nietsvermoedend wijfje, met zoo'n kracht, dat zij half uit het water
gelicht werd. Oogenblikkelijk verdween hij weer en Napanekik zette hem
woedend achterna. Voor Baree zag het er niet uit als spel. Twee van de
jonge otters hadden zich op den derden gestort en het leek, alsof deze
zich wanhopig verweerde. Baree voelde geen kou en geen pijn meer. Zijn
bloed stroomde hem opgewonden door de aderen, hij kon zich niet meer
inhouden en er ontsnapte hem een blaf. In een oogwenk waren de otters
verdwenen. Eenige minuten lang was het water in beroering en dat was
alles. Na een poosje trok Baree zich in de struiken terug en vervolgde
zijn weg.
Het was ongeveer drie uur in den namiddag en de zon behoorde nog hoog
aan den hemel te staan. Maar het werd gestadig donkerder en het vreemde
hiervan en de angst gaf aan Baree's pooten grooter spoed. Hij bleef
telkens stilstaan om te luisteren en bij een van deze tusschenpoozen
hoorde hij een geluid, dat hem een vroolijk jankend antwoord ontlokte.
Het was een verwijderd gehuil—een wolvengehuil, recht voor hem uit.
Baree dacht niet aan wolven, maar aan Kazan en hij bleef door het
sombere bosch rennen, tot hij buiten adem was. Het wolvengehuil werd
echter niet meer hoorbaar.
In plaats daarvan rolde er van uit het westen een somber gerommel
aan. Door de toppen der boomen flitste een heftige bliksemstraal. Een
kreunend gefluister van den wind deed dienst als voorrijder van den
storm en een tweede bliksemstraal scheen Baree's schuilplaats te willen
uitvorschen, terwijl hij daar stond te huiveren onder een baldakijn
van hooge sparren. Dit was zijn tweede storm. De eerste had hem een
vreeselijken angst aangejaagd en hij was weggekropen tot in den versten
hoek van het hol. Het beste wat hij nu kon vinden, was een kuil onder
een grooten boomwortel en daar kroop hij in en begon zachtjes te huilen.
Het was een kinderlijk huilen om zijn moeder, om zijn tehuis, om
warmte, om iets zachts en beschermends, waartegen hij zich zou kunnen
aannestelen en terwijl hij daar lag te huilen, barstte de storm los over
het woud.
Baree had nooit tevoren zooveel lawaai gehoord en hij had nooit het
weerlicht in zulke stralen zien neerschieten, zooals bij dit noodweer
in Juni gebeurde. Het leek van tijd tot tijd wel, of de heele wereld
in brand stond en de aarde scheen te trillen onder de geweldige
donderslagen. Hij hield op met jammeren en maakte zich zoo klein
mogelijk onder den boomwortel, die hem gedeeltelijk beschermde tegen den
striemenden regen, die in stroomen neerviel. Het was nu zoo pikdonker,
dat, behalve wanneer het hemelvuur groote lichtgaten in de lucht reet,
hij de boomstammen op twintig voet afstands niet kon onderscheiden.
Een veertig voet van Baree af stond een groote, doode boomstronk, die
elken keer, wanneer de bliksemstralen door de lucht kliefden, daartegen
afstak met de somberheid van een geest, alsof hij die vlammende handen
daarboven uitdaagde om toe te slaan—en eindelijk sloeg er een toe!
Een blauwe tong van knetterend vuur gleed langs den ouden stam en toen
hij de aarde aanraakte, ontstond er een geweldige ontploffing boven de
boomtoppen. De massieve stronk sidderde en brak toen door, als geveld
door een reusachtige bijl. Hij smakte neer, zoo dicht bij Baree, dat er
aarde en takjes bovenop hem vielen en hij uitte een heftigen schreeuw
van schrik en trachtte zich nog dieper in het nauwe holletje onder den
boomwortel te wringen.
Met de verwoesting van den ouden ceder schenen donder en bliksem hun
kwaadwilligheid botgevierd te hebben. De donder trok verder, naar het
zuiden en oosten, met het gerommel van tienduizend zware karrenwielen
over het bladerdak en de bliksem volgde hem. De regen viel gestadig.
Nog wel een uur, nadat Baree den laatsten bliksemstraal gezien had,
bleef hij onafgebroken neervallen. Het gat, waarin hij een schuilplaats
gezocht had, was drijfnat. Hij was geheel doorweekt. Zijn tanden
klapperden, terwijl hij afwachtte wat er verder gebeuren zou.
Hij kreeg een langen wachttijd. Toen de regen opgehouden was en de lucht
wat opgeklaard, viel de nacht in. Door de toppen der boomen heen zou
Baree de sterren hebben kunnen zien, als hij naar boven had gekeken.
Maar hij kwam zijn hol niet uit. Uur na uur verstreek. Uitgeput, half
verdronken, pijnlijk en hongerig bleef hij onbeweeglijk liggen. Ten
laatste viel hij in een onrustigen slaap, een slaap, waarin hij telkens
droevig jankte om zijn moeder. Toen hij zich eindelijk buiten zijn
schuilhoek waagde, was het morgen en de zon scheen.
Eerst kon Baree ternauwernood staan. Hij had kramp in zijn pooten, elke
pees in zijn lichaam scheen verrekt, zijn oor was stijf van geronnen
bloed en toen hij probeerde, zijn gewonden neus te rimpelen, gaf hij
een scherp blafje van pijn. Als zoo iets mogelijk ware, zag hij er nog
ellendiger uit dan hij zich voelde. Zijn haar was gedroogd in modderige
klonters, hij was vuil van kop tot staart en terwijl hij gisteren nog
mollig en glanzend van huid was geweest, zag hij er nu zoo mager en
ongelukkig uit als het noodlot maar had kunnen bewerken. En hij was zoo
hongerig daarenboven. Hij had nooit tevoren geweten, wat het beteekende,
werkelijk honger te hebben.
Toen hij verder ging, in dezelfde richting loopend als den vorigen dag,
bewoog hij zich ontmoedigd voort. Kop en ooren liet hij hangen en hij
was heelemaal niet nieuwsgierig meer. Hij was niet alleen hongerig naar
voedsel. Hij hongerde bovenal naar moederliefde. Hij verlangde naar zijn
moeder, zooals hij nog nooit naar iets verlangd had. Hij verlangde zijn
huiverend lijfje tegen haar aan te kunnen vlijen en haar liefkoozende
tong te voelen. Hij verlangde naar haar liefkoozend moederlijk geteem.
Ook verlangde hij naar Kazan en het oude hol onder de omgevallen boomen
en die groote blauwe plek in den hemel, recht er boven. Hij zeurde er
om als een klein kind, dat pruilt en hij begon weer den oever van de
kreek te volgen.
Het bosch werd na eenigen tijd minder dicht en dit wekte hem een beetje
op. En de warmte der zon deed de pijn uit zijn lichaam verdwijnen. Hij
werd hoe langer hoe hongeriger. Hij was totnogtoe ten opzichte van
voedsel geheel afhankelijk geweest van Wolvin en Kazan.
Baree's ouders hadden hem, in sommige opzichten, te veel als een
onmondig jong behandeld. Voor een deel was Wolvin's blindheid hiervan
de oorzaak; sedert Baree's geboorte was zij niet meer met Kazan op de
jacht gegaan en het was dus heel natuurlijk, dat Baree zich het meeste
aan haar gehecht had, ofschoon hij meer dan eens een vurig verlangen
had gevoeld om Kazan te volgen. De natuur deed nu al haar best, deze
nadeelige eigenschap te verbeteren. Zij deed al haar best, Baree aan
zijn verstand te brengen, dat hij nu voortaan zelf voor zijn voedsel
moest gaan zorgen. Dit feit drong langzaam maar zeker tot hem door
en hij begon te denken aan de drie of vier oesters, die hij eens bij
de kreek, in de nabijheid van het ouderlijk hol, verorberd had. Hij
herinnerde zich ook de open mossel, die hij gevonden had en hoe heerlijk
van smaak het zachte beetje daar binnenin geweest was. Een nieuwe
opwinding maakte zich van hem meester. Hij werd, van den beginne af aan,
een jager.
Naarmate het bosch minder dicht werd, versmalde zich ook de kreek.
Zij begon weer over zandplaten en steenen te stroomen en Baree ging
langs den oever snuffelen. Een tijdlang had hij hiermee geen succes.
De weinige oesters, die hij ontdekte, waren buitengewoon goed in
leven en gesloten en al de mosselen hielden hun schelpen zóó vast op
elkaar geklemd, dat zelfs Kazan's geweldige kaken moeite zouden gehad
hebben, ze te verpletteren. Het was bijna middag, toen hij zijn eerste
rivierkreeftje ving, een beestje ongeveer zoo groot als de voorvinger
van een man. Hij verslond het met woede. De smaak van voedsel gaf hem
nieuwen moed. Hij ving nog twee van deze kreeftjes, in den loop van den
middag. De schemering begon al in te vallen, toen hij een jong konijn
opjoeg van uit zijn schuilplaats onder het hooge gras. Als hij een maand
ouder geweest was, had hij het kunnen vangen. Hij had nog steeds ergen
honger, want drie rivierkreeftjes, verdeeld over een heelen dag, hadden
er niet veel toe bijgedragen, de leegte te vullen, die er in zijn maag
gestadig begon aan te groeien.
Bij het aanbreken van den nacht keerden zijn angsten en zijn gevoel van
eenzaamheid terug. Vóór het daglicht geheel was weggestorven, had hij
een schuilplaats gevonden onder een groote rots, waar een warm, zacht
bedje van zand lag. Sedert zijn gevecht met Papayuchisew had hij een
heel eind gereisd en de rots, waar hij zich voor dien nacht legerde,
was ten minste acht of negen mijlen verwijderd van het hol onder de
omgevallen boomen. Het was dicht bij den oorsprong van de kreek, met
het donkere bosch van sparren en ceders aan weerszijden en toen de
maan opkwam en de sterren den hemel vulden, kon Baree uitkijken en
het water van den stroom in den maneglans zien glinsteren, alsof het
helder dag was. Vlak tegenover hem, afgaande naar den oever, lag een
breed karpet van wit zand. Over dit zand trad een half uur later een
groote zwarte beer. Voor Baree de otters in de kreek had zien spelen,
was zijn voorstellingsvermogen omtrent de afmetingen der dieren niet
verder gegaan dan die van zijn eigen ras en zulke kleinere wezens
als uilen, konijnen en kleine vogels. De otters hadden hem niet veel
vrees aangejaagd, omdat hij nog steeds alles beoordeelde volgens de
grootte en Nekik was niet half zoo groot als Kazan. Maar de beer was
een monster, waarbij vergeleken Kazan een dwerg was. Hij _was_ dan ook
groot. Als de natuur het noodzakelijk vond, Baree te doen begrijpen, dat
er dieren in het bosch huisden van grooter belang dan wolven en honden
en uilen en rivierkreeften, legde zij er wel wat al te erg den nadruk
op. Want Wakayoo, de beer, woog zeshonderd pond, zoo zeker als wat. Hij
was dik en rond, na een maand lang van visch gesmuld te hebben. Zijn
glanzende huid leek wel zwart fluweel in het maanlicht en hij liep met
een zonderlingen, waggelenden gang, zijn kop hing laag bij den grond.
Het vreeselijkste van alles was, dat hij staan bleef midden op het
zandtapijt, niet meer dan tien voet van de rots verwijderd, waaronder
Baree lag te rillen, alsof hij de koorts had.
Klaarblijkelijk had Wakayoo hem geroken. Baree kon hem hooren snuiven,
hij kon hem hooren ademen; hij zag het sterrenlicht schitteren in zijn
roodbruine oogjes, toen deze argwanend naar de groote rots gekeerd
werden. Als Baree had kunnen weten, dat _hij_—zijn eigen onbeduidend
persoontje—dit monster hevig zenuwachtig maakte, zou hij een luiden
blaf van blijdschap gegeven hebben. Want Wakayoo was, in weerwil van
zijn lichaamsgrootte, tamelijk laf, als het op wolven aankwam. _En
Baree verspreidde den wolvenreuk!_ Deze drong sterker in Wakayoo's
neusgaten en juist op dit oogenblik, als om de onrust in hem nog te doen
aangroeien, kwam er van uit de bosschen achter hem een lang en klagelijk
gehuil. Met een hoorbaar geknor ging Wakayoo er van door. Wolven waren
een ware plaag, redeneerde hij. Zij wilden niet behoorlijk vechten. Zij
bleven uren aan een stuk achter je aan janken en naar je hielen happen
en waren zoo vlug als de wind buiten je bereik, wanneer je je naar hen
omdraaide. Waarom hier te blijven rondhangen als er wolven in de buurt
waren op zulk een mooien avond? Hij ging er vastberaden vandoor. Baree
kon hem zwaar door het water van de kreek hooren plassen.
Toen eerst waagde hij het, adem te halen. Het was bijna een verzuchting.
Maar de avonturen waren voor dien nacht nog niet geëindigd. Baree had
zijn bed uitgekozen op een plek, waar de dieren gewoon waren te komen
drinken en waar zij elkaar kruisten op hun wegen. Niet lang nadat de
beer verdwenen was, hoorde hij het zand zwaar kraken en hoefgekletter
tegen de steenen en een elandstier, met een geweldig vertakt gewei,
trad over een open vlakte in het maanlicht. Baree's oogen puilden hem
haast uit den kop, want wanneer Wakayoo zeshonderd pond gewogen had, dit
reusachtige dier, welks pooten zoo lang waren, dat het op stelten scheen
te loopen, woog zeker tweemaal zooveel. Een wijfjeseland volgde. En
daarop een jong. Dit jong scheen enkel en alleen uit pooten te bestaan.
Dit was te veel voor Baree en hij kroop hoe langer hoe verder weg onder
de rots, totdat hij eindelijk in elkaar gerold lag als een sardine in
een blikje. En daar bleef hij liggen tot aan den morgen.