XXIII-De Vlucht Der Honderd-Duizend

De nacht was over ons landhuis, de groote, heilige nacht, waarin

geen arbeid meer verricht wordt, zegt het Evangelie. Maar de

werklieden der duisternissen waren bezig. Rond middernacht, het

verschrikkelijk uur, begon het en de slapende aarde schokte van 't

geweld.

De ramen van mijn slaapvertrek stonden open en ik lag te luisteren

met een kloppend hart.

Het was of de donkere koepel van den nacht op een ontzettend

rythme geramd werd en de doffe bonzen nadreunden door de

ledige ruimte. En telkens volgde de stilte, zoeter na 't geweld, en

door het zwijgen van de lucht ging het gemurmel van de dennen,

het knerzelend schuren van twee takken op elkaar, het gorgelend

gekwaak van een late puid in den vijver... Ik zag de nachtelijke

blauwte met sterren boven de zwart-fluweelige boomkruinen... tot

weer klonk de mokerslag, almachtig, en de nachtkoepel trilde van

den donderenden schok.

Ik lag te druilen en te droomen en wanneer ik soms toch

indommelde vernam ik na een poos weerom het brommend geluid,

alsof het nader was gekomen, alsof een geweldige man nu

dringend op de zware huisdeur bonsde, zoodat de gang galmde als

een klok en de muren daverden.

En weer gewekt, ging mijn gedacht naar de verre stad. Elke schok

die hier werd gevoeld deed ginder een huis of een kerk misschien

instorten of opbranden in den nacht. Werd er mogelijk nog

gevochten, een radeloos tweegevecht door de laatste bres

tusschen de duitsche en de engelsche kanonnen. Ik luisterde en

wilde de donders onderscheiden van elkaar. Neen het was niet

mogelijk nog te blijven hopen. Het was telkens de zelfde slag,

dezelfde davering, dezelfde bons, als vernomen door dikke muren,

boemmm... boemmm... regelmatig, zonder ophouden, zonder

genade.

Toen de morgen klaarde, hoorde ik over den steenweg, voor ons

hof, het honderdvoudige gerucht van massa's in beweging: wagens

rolden over de kasseien, paardenhoeven stampten, honden blaften,

koeien loeiden lang en klagend, als riepen zij de weiden, en aldoor

ging het moede slepende geluid van duizenden voetzolen. Het was

het groot tumult van een heel volk dat verhuizde. Het was

aangekomen van ver uit de deemstering van den ochtend en het

zwol als het geruisch van vele waters, als de vloed van een zee

door een dijkbreuk en erbovenuit klonk, onverbiddelijk, het

ontzettend rythme van de verre losbrandingen boemmm...boemmm...

Wij waren allen vroeg op en zaten sprakeloos rond de groote tafel

ons morgenbrood te breken. Wij dachten aan Antwerpen dat

geen stad meer was maar een vuurpoel, wij dachten aan de

honderduizenden die vluchtten over alle wegen naar het Noorden.

Het oud moederken van onze vrienden lachtte krankzinnig met haar

oud doorrimpelde gezichtje en prevelde schietgebeden.

Ik liep den hof door, naar den straatweg toe en zag nu den

onafgebroken stoet van vluchtelingen trekken, ellendig! Paarden en

wagens, stootkarren en fietsen spoedden voorbij, als voortgezweept

onder de dreiging van een ijselijk onweer; kudden van beurelende

runders en kudden van angstige menschen; moeders die huilende

kinders voortsleepten aan beide handen, zonen die een lammen of

zieken vader op een kruiwagen vervoerden, luidjes die, met

vereende krachten, trokken of stieten aan karretjes, volgestapeld

met een paar stoelen, een tafel, een matras, een kacheltje, een

vogelkooi, mannen met afgetrapte zolen en barvoets, vrouwen met

krom-geloopen hooge hakken en een bebloemden en bepluimden

zomerhoed die afhing op hare losgeraakte haren, absurd.

Ik bleef staan kijken, als aan den grond genageld en de tranen

braken uit mijn oogen. Het was mijn volk dat vluchtte en die

duizenden joegen voort, als zinneloos en verloren, met rood-

vlammende gezichten, zij ijlden als verjaagde dieren die de dood

ontvluchten, alsof uhlanen met gevelde speer hun op de hielen

zaten; zij gingen met starre blikken en gebogen hoofden alsof de

zoldering van den hemel ging instorten bij 't gedaver van de aarde.

Want door den grond, onder de voeten der rampzaligen, ging, maar

aldoor voort, het sidderend gedreun der verre losbrandingen...

boemmm... boemmm... als een aanhoudend dreigement dat vloekte

door de lucht.

Het was een visioen van Isaïas! Het was een Dies irae vol

verschrikking, de Godsteistering van een heel volk.

Ik ging stroomopwaarts van de vliedende menigte. Hier en daar lag

een groepje te rusten aan den boord van den weg. Zij konnen niet

verder meer van ochtend. Er waren er die kwamen van Lier, van

Heijst-op-dea Berg, van Kessel... Er waren er die reeds acht volle

dagen vluchtten en onder den blooten hemel hadden geslapen.

Twee natiewagens van Antwerpen rolden nu traag voorbij met

trossen van mannen, vrouwen en kinders. Ik begon stilaan in de

vlucht enkele bekende gezichten te ontmoeten. Ja die menschen

had ik nog meer gezien. Die kwamen voorzeker reeds uit Antwerpen.

Ik hield ze staan praten. Zij woonden "op het Zuid". Zij waren van vier

uur in den morgen reeds op weg. Rond middernacht was het

bombardement begonnen. Het was om krankzinnig te worden in

de kelders, waar zij gevlucht hadden gezeten.

Uur na uur klonken de donders der ontploffingen en tusschenin

floten de bommen door de lucht, het was als een gehuil van katten

in den nacht, als het geklaag van moegemartelde kinderen en dan

weer ging de knal van een doeltreffend projectiel of smolten de

losbrandingen in elkaar tot een gebrom van onbeschrijfelijk geweld.

Door de keldermonden zagen zij den rooden gloed, door de

brandende huizen geprojecteerd, op den zwarten hemel der in

volledigste duisternissen gedompelde stad. De trompen der

brandweer-motorwagens gingen gillend door de straten, maar

alleen de stoomspuiten konden gebezigd worden in de nabij-de-

dokken-gelegen wijken, want iedereen wist dat, sedert den val van

Waelhem, de stad zonder water was. Verlaten honden huilden

jammerklagend en dan dreunde weer een bons, gevolgd door het

gekraak van honderden ruiten en het gekletter van den scherven-

regen op de kasseien. Er waren menschen die een Zeppelin

hadden zien drijven boven de stad, donker en afschuwelijk, als een

ontzaglijk monster dat het vernielingswerk bestuurde. Zij waren

eindelijk, vol angst en vrees uit hunne kelders gekropen en langs de

boulevards gevlucht. Het liep er toen reeds vol van volk. Over de

Zuiderlei, de Nijverheidslei, de Kunstlei, de Handelslei dreef de

onafgebroken stroom van allerlei rijtuigen, wagens en menschen in

de richting van het Noorden. Het was eene begankenis, eene

boetprocessie van rampzaligen; uit alle straten kwamen zij toe,

geladen met pakken en korven, met het allernoodigste of het

kostbaarste en meestbeminde dat zij hadden willen redden. Toen

brandden reeds vele huizen op het Zuid. In de Kasteelpleinstraat, in

de Tolstraat waren heele rijen, vlammend in elkaar gestort.

Bommen vielen dien nacht op het Gerechtshof en de Bank. Het

Museum stond in brand vertelde mij iemand en heel Berchem en

Zurenborg "lagen al plat".

Een oude dokwerker uit het schipperskwartier vertelde mij van de

vlucht die hij gezien had langs de Schelde. Trekschuiten,

mosselbakken, slepers, roeibooten, zeilschepen, al wat maar varen

kon werd gebruikt, om de verschrikking der beschoten en

brandende stad te ontkomen. De menschen sprongen van op de

hooge kaaimuren in de tot-zinkens-toe volgeladen vaartuigen. Het

was een wemeling van zwarte booten op de vlakte van den

breeden stroom in den rooden gloed der petroleum-tanks die

brandden in de richting van Hoboken.

Met een zwaar hart kwam ik weer op ons landhuis. De groote weide

rond den vijver lag vol grazende koeien. Eene witte huifkar was

tot voor de huistrappen gereden en twee boeren-gezinnen

kampeerden onder onze vensters. Zij kwamen van Berlaer en

hadden gevraagd om den nacht in onzen hof door te brengen. De

beesten konnen niet verder meer en de menschen waren dood-

vermoeid.

Ik vond mijn huisgenooten besloten van naar Engeland te trekken.

De pakken waren reeds gemaakt. De vlucht der honderdduizenden

werkte aanstekelijk. Het werd als een nood ons te mengen in den

naren aftocht, ons deel te nemen in het droeve lot van ons wreed-

geteisterde volk. Maar al die laatste handelingen gebeurden als in

slaapwandel terwijl, ginder ver, maar aldoor ging het doffe geblaf

der zware duitsche kanonnen.

Ik dacht aan de duizenden vluchtelingen die op dat zelfde oogenblik

op weg moesten zijn door Vlaanderen, langs alle wegen, naar de

zee. Een half millioen menschen zonder dak te midden der herrie

van een aftrekkend leger van afgebeulde soldaten en moeizaam

voortrollende oorlogswagens.

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 24 / 26 题