XXII-De Laatste Uren

Ik lag in mijn zetel, keek mijn kamer rond en peinsde.

Hier heb ik zoo vele dagen van mijn leven hard gewerkt. Hier heb ik

eindelijk klaarte gezien in mijn jonge droomen. Hier ben ik uit de

onbewustheid losgeworsteld en heb ik geestdrift gekend tot groote

daden.

Langs de wanden stonden de vele boeken die mij lief waren, hingen

de prenten en de schilderijtjes die bij mijn leven hoorden en bij de

bewegingen van mijnen geest. Ik keek naar de ronding en de

kleuren van een vaasje; ik zag het slanke gebaar van de

tanagrabeeldjes boven mijn boekenkast; aan den donkeren wand

naast het venster was de bittere mondplooi van een Beethoven-

masker.

Ik voelde weemoed naar boven komen.

--Er valt nu niets meer te doen dan kalm van alles te scheiden. Hoe

nutteloos is al ons gehaast, heel onze zenuwachtige bedrijvigheid

het was een waan. Wij meenen soms tot iets noodzakelijk te zijn en

alles gaat voort als wij verdwijnen. Hoe ijdel blijken nu al de

gewichtige gesprekken die hier werden gevoerd! De werken waar ik

met heel mijn ziel aan hing zullen voor jaren moeten rusten en

misschien nooit meer hernomen worden. Een andere tijd begint en

een nieuw leven. Al het oude wordt als een versleten kleed afgelegd

en daargelaten.

--Daar in die schuiven liggen brieven van geliefde wezens die ik op

mijn zwerftochten door de wereld heb ontmoet en die uit de

millioenen onbekenden naar mij zijn toegekomen en boven alles lief

geweest. Die brieven bevatten de uitspraak van hun hart, van hun

innigste denken, van hun beste geloof, van hun vurigste betrachting

en verlangens.

Ik trok de schuiven open.

--Zou ik ze meenemen? Neen er viel niet aan te denken. Wat zou ik

kunnen dragen op een tocht, te voet misschien naar de grenzen,

niets dan mijn eigen noodzakelijkste goed. Zou ik ze verbranden?

Neen dat mocht niet, 't was onmogelijk al het teerste en schoonste

te vernietigen, dat in momenten van hoogste zielestemming was

ontloken of geklaagd werd van uit afgronden van smart. Ik zou

misschien alles eens terug vinden, wie weet?

Ik sloot de schuiven en borg den sleutel.

Ik liep het huis af, een laatsten keer, alle kamers door, waar wij

zoovele jaren hadden geleefd en vreugde en droefheid gekend en

gedeeld. Mijn voorzaten keken mij aan van uit hunne oude vergulde

kaders, al die stille en verre menschen die geleefd hadden in tijden

van rust en onverstoorbaren vrede: grootvader met zijne

bakkebaarden en de roze hand op den hecht van zijn krommigen

officierssabel uit den tijd van Leopold I; Grootmoeder uit Holland,

met haar strak-gesloten mond vol stil-verbeten droefheid, haar

vader vocht in 't verre Indië en zij was vroeg verlaten en alleen;

Overgrootmoeder met de witte muts en de zware gouden halsketting

en de gouden horlogie op het blinkend zwart zijden kleed; een vroeg

gestorven tante uit Haspengouw, als een meisje, met een roode

roos in haar hand en een fijn juweeltje dat van uit de haarschijding

neerhing op haar maagdelijk voorhoofd tusschen de platgestreken

bandeaux. Ik was de eenige die hier overbleef om een laatste blik te

wisselen met hunne onveranderbare oogen, een laatste blik voor

dat die oude en vertrouwde gestalten voor eeuwig zouden vergaan

misschien in de verwoesting dezer stad!

Overal stonden of lagen voorwerpen die herinneringen opwekten

aan blijde en droeve dagen, aan verre reizen. Ik nam een

geciseleerde dolk in mijn handen dien ik eens meebracht uit een

duisteren juweelenwinkel van den Arminski Bazar te Tiflis. Mijne

vingers gleden langs een poolsch tapijt dat ik kocht in de oude

hallen van Krakow.

Ik bleef staan droomen voor een schilderij van mijn vriend Lefebvre,

een groot landschap dat in de voorkamer een heele wand bedekte.

Het was de Lente, de kerzelaars stonden in de bloem, een witte

weelde zoover de oogen gingen en heel kleintjes aan den einder

was daar een kerktorentje en wat huizen van Mortsel-dorp, waar

ik vroeger eens woonde. De zon speelde door die witte maagdelijkheid

en deed de purpere anemonen in de weiden tintelen van glans.

Het was een feest van kleuren en van licht. Het werd zoo dwaas

in dit angstig uur, het was om te huilen dat die kunst zoo onbewogen

bleef, vol paradijs-geluk, wanneer alles over enkele uren in elkaar kon

storten en de flarden van dit schilderij niet meer zouden te vinden

zijn onder de puinen en het stof of de verkoolde balken van dit huis.

Het is de tijd om aan alles vaarwel te zeggen. Het is de tijd om uit

zich zelf alleen te leven, om te weten, eens voor goed, dat niets

belang heeft dan onze eigen denkende, voelende, onsterfelijke ziel.

Wat heeft dit stoffelijk leven te beduiden? Waarom, als de bode van

de dood nu tijgend aan de deur staat, nog willen talmen en

uitrekenen dat het beter straks dan nu, over een jaar dan dezen

nacht zou zijn. Het ware laf een stond daarover te dubben of even

maar te aarzelen.

Wat is het zelfs dat deze schoone stad ten onder gaat wanneer

haar lot beslist is?

De historie moet haar verloop hebben. Daar is niets tegen te doen.

De O.L.V. Toren zal instorten wanneer zijn uur gekomen is. Rome

en Athene en Carthago zijn ook verwoest door overwinnende

legers. Andere steden zijn vergaan voor eeuwig. Het was noodig

om een nieuwe orde in de wereld.

Er gebeuren dingen waar wij of niemand op deze aarde de regeling

van bezitten. Wij zijn niet meester van het Lot. Zijn wij meester zelfs

over ons zelf? Alles is ijdel, alles is waan. God alleen bestaat en

regeert de wereld. Al wat gebeurt is aanbiddelijk en goed.

Er kwam berusting in mijn hart. Ik voelde geen haast meer, geene

drift, geene eigenliefde, geen verwijt tegen het lot. Ik sloeg mijn

mantel om, stak mijn tasch onder den arm, sloot de deur en trok de

straat op.

Het was omtrent acht uur. De stad lag doodsch en grijs alsof een

vroege nacht er reeds begon te dolen. Er waren bijna geen

menschen meer op de baan. De huizen al gesloten. Hier en daar

werd nog haastig een kelder met aarde en assche toegestampt,

bangelijk en geniepig. De winkelramen waren dicht gemaakt met

geel houten planken, andere die haastig nog de luiken voor kregen.

Het was tragisch die stad te zien liggen in de angstige verwachting

van hetgeen te gebeuren stond. Zij was gaaf nog en heel, maar

over een paar uren moesten de bommen, als een regen van vuur,

over haar nederkomen en de roode haan zou kraaien over hare

torens en huizen. Zij zou den inval kennen der Barbaren. Langs

hare straten en op hare pleinen zouden misschien de moorderijen

en de slachtingen herhaald worden van Aerschot, Dinant, Andenne,

Tamines, Leuven en Dendermonde. Dezen langen weerstand zou

de vijand doen uitboeten in een bad van bloed. De groote markt zou

de orgieën zien van vreugde-dronken overwinnaars, die Deutschland

ueber alles, brallend zouden zingen in den rossen gloed der oude

gildehuizen, als roode toortsen opbrandend naar den hemel.

Werktuiglijk stapte ik het centraal station binnen, als wilde ik weer,

lijk vroeger, de trein gaan vinden die mij, na de dagtaak, elken

avond voerde naar de verre rust der mastebosschen. Alle bareelen

stonden open, geen toezicht nergens meer. Het was geen uur om

nog een trein te treffen en toch ik vond er een die op vertrekken

stond naar Esschen. Ik kreeg een plaatsje in de volgepropte

wagens, De menschen waren zenuwachtig opgeruimd. Alles ging

zoo broederlijk gemeenzaam toe. De angst van 't oogenblik werd

als geloochend door de onverschillig en drukdoende tongen. Have

en goed werd weliswaar verlaten, maar 't was immers maar voor

korten tijd, en 't leek zoo aardig dat kosteloos reisje naar Holland.

De trein was in beweging gekomen, traag van de over groote

vracht. Ik zocht door de vensters een laatste glimp van O. L. V.

Toren die wit-grijs uitstak boven de daken op de sombere

avondlucht; de slanke naalden van Sint Josef spietsten boven de

duistere boomen van het park. Het stadszicht gleed voorbij en was

verzwonden, wij reden de donkere velden in.

Rond half tien was ik te Cappellenbosch. Hoe gelukkig scheen het

gele lamplicht mij tegen van uit het verre vaderhuis in den van-

geuren-loomen avondtuin. Ik vond mijn gezin weer gezeten rond de

wijde tafel met vrienden, die uit samenhoorigheidsgevoel, in deze

bange tijden, nu kwamen huizen onder ons dak.

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 23 / 26 题