Ik lag in mijn zetel, keek mijn kamer rond en peinsde.
Hier heb ik zoo vele dagen van mijn leven hard gewerkt. Hier heb ik
eindelijk klaarte gezien in mijn jonge droomen. Hier ben ik uit de
onbewustheid losgeworsteld en heb ik geestdrift gekend tot groote
daden.
Langs de wanden stonden de vele boeken die mij lief waren, hingen
de prenten en de schilderijtjes die bij mijn leven hoorden en bij de
bewegingen van mijnen geest. Ik keek naar de ronding en de
kleuren van een vaasje; ik zag het slanke gebaar van de
tanagrabeeldjes boven mijn boekenkast; aan den donkeren wand
naast het venster was de bittere mondplooi van een Beethoven-
masker.
Ik voelde weemoed naar boven komen.
--Er valt nu niets meer te doen dan kalm van alles te scheiden. Hoe
nutteloos is al ons gehaast, heel onze zenuwachtige bedrijvigheid
het was een waan. Wij meenen soms tot iets noodzakelijk te zijn en
alles gaat voort als wij verdwijnen. Hoe ijdel blijken nu al de
gewichtige gesprekken die hier werden gevoerd! De werken waar ik
met heel mijn ziel aan hing zullen voor jaren moeten rusten en
misschien nooit meer hernomen worden. Een andere tijd begint en
een nieuw leven. Al het oude wordt als een versleten kleed afgelegd
en daargelaten.
--Daar in die schuiven liggen brieven van geliefde wezens die ik op
mijn zwerftochten door de wereld heb ontmoet en die uit de
millioenen onbekenden naar mij zijn toegekomen en boven alles lief
geweest. Die brieven bevatten de uitspraak van hun hart, van hun
innigste denken, van hun beste geloof, van hun vurigste betrachting
en verlangens.
Ik trok de schuiven open.
--Zou ik ze meenemen? Neen er viel niet aan te denken. Wat zou ik
kunnen dragen op een tocht, te voet misschien naar de grenzen,
niets dan mijn eigen noodzakelijkste goed. Zou ik ze verbranden?
Neen dat mocht niet, 't was onmogelijk al het teerste en schoonste
te vernietigen, dat in momenten van hoogste zielestemming was
ontloken of geklaagd werd van uit afgronden van smart. Ik zou
misschien alles eens terug vinden, wie weet?
Ik sloot de schuiven en borg den sleutel.
Ik liep het huis af, een laatsten keer, alle kamers door, waar wij
zoovele jaren hadden geleefd en vreugde en droefheid gekend en
gedeeld. Mijn voorzaten keken mij aan van uit hunne oude vergulde
kaders, al die stille en verre menschen die geleefd hadden in tijden
van rust en onverstoorbaren vrede: grootvader met zijne
bakkebaarden en de roze hand op den hecht van zijn krommigen
officierssabel uit den tijd van Leopold I; Grootmoeder uit Holland,
met haar strak-gesloten mond vol stil-verbeten droefheid, haar
vader vocht in 't verre Indië en zij was vroeg verlaten en alleen;
Overgrootmoeder met de witte muts en de zware gouden halsketting
en de gouden horlogie op het blinkend zwart zijden kleed; een vroeg
gestorven tante uit Haspengouw, als een meisje, met een roode
roos in haar hand en een fijn juweeltje dat van uit de haarschijding
neerhing op haar maagdelijk voorhoofd tusschen de platgestreken
bandeaux. Ik was de eenige die hier overbleef om een laatste blik te
wisselen met hunne onveranderbare oogen, een laatste blik voor
dat die oude en vertrouwde gestalten voor eeuwig zouden vergaan
misschien in de verwoesting dezer stad!
Overal stonden of lagen voorwerpen die herinneringen opwekten
aan blijde en droeve dagen, aan verre reizen. Ik nam een
geciseleerde dolk in mijn handen dien ik eens meebracht uit een
duisteren juweelenwinkel van den Arminski Bazar te Tiflis. Mijne
vingers gleden langs een poolsch tapijt dat ik kocht in de oude
hallen van Krakow.
Ik bleef staan droomen voor een schilderij van mijn vriend Lefebvre,
een groot landschap dat in de voorkamer een heele wand bedekte.
Het was de Lente, de kerzelaars stonden in de bloem, een witte
weelde zoover de oogen gingen en heel kleintjes aan den einder
was daar een kerktorentje en wat huizen van Mortsel-dorp, waar
ik vroeger eens woonde. De zon speelde door die witte maagdelijkheid
en deed de purpere anemonen in de weiden tintelen van glans.
Het was een feest van kleuren en van licht. Het werd zoo dwaas
in dit angstig uur, het was om te huilen dat die kunst zoo onbewogen
bleef, vol paradijs-geluk, wanneer alles over enkele uren in elkaar kon
storten en de flarden van dit schilderij niet meer zouden te vinden
zijn onder de puinen en het stof of de verkoolde balken van dit huis.
Het is de tijd om aan alles vaarwel te zeggen. Het is de tijd om uit
zich zelf alleen te leven, om te weten, eens voor goed, dat niets
belang heeft dan onze eigen denkende, voelende, onsterfelijke ziel.
Wat heeft dit stoffelijk leven te beduiden? Waarom, als de bode van
de dood nu tijgend aan de deur staat, nog willen talmen en
uitrekenen dat het beter straks dan nu, over een jaar dan dezen
nacht zou zijn. Het ware laf een stond daarover te dubben of even
maar te aarzelen.
Wat is het zelfs dat deze schoone stad ten onder gaat wanneer
haar lot beslist is?
De historie moet haar verloop hebben. Daar is niets tegen te doen.
De O.L.V. Toren zal instorten wanneer zijn uur gekomen is. Rome
en Athene en Carthago zijn ook verwoest door overwinnende
legers. Andere steden zijn vergaan voor eeuwig. Het was noodig
om een nieuwe orde in de wereld.
Er gebeuren dingen waar wij of niemand op deze aarde de regeling
van bezitten. Wij zijn niet meester van het Lot. Zijn wij meester zelfs
over ons zelf? Alles is ijdel, alles is waan. God alleen bestaat en
regeert de wereld. Al wat gebeurt is aanbiddelijk en goed.
Er kwam berusting in mijn hart. Ik voelde geen haast meer, geene
drift, geene eigenliefde, geen verwijt tegen het lot. Ik sloeg mijn
mantel om, stak mijn tasch onder den arm, sloot de deur en trok de
straat op.
Het was omtrent acht uur. De stad lag doodsch en grijs alsof een
vroege nacht er reeds begon te dolen. Er waren bijna geen
menschen meer op de baan. De huizen al gesloten. Hier en daar
werd nog haastig een kelder met aarde en assche toegestampt,
bangelijk en geniepig. De winkelramen waren dicht gemaakt met
geel houten planken, andere die haastig nog de luiken voor kregen.
Het was tragisch die stad te zien liggen in de angstige verwachting
van hetgeen te gebeuren stond. Zij was gaaf nog en heel, maar
over een paar uren moesten de bommen, als een regen van vuur,
over haar nederkomen en de roode haan zou kraaien over hare
torens en huizen. Zij zou den inval kennen der Barbaren. Langs
hare straten en op hare pleinen zouden misschien de moorderijen
en de slachtingen herhaald worden van Aerschot, Dinant, Andenne,
Tamines, Leuven en Dendermonde. Dezen langen weerstand zou
de vijand doen uitboeten in een bad van bloed. De groote markt zou
de orgieën zien van vreugde-dronken overwinnaars, die Deutschland
ueber alles, brallend zouden zingen in den rossen gloed der oude
gildehuizen, als roode toortsen opbrandend naar den hemel.
Werktuiglijk stapte ik het centraal station binnen, als wilde ik weer,
lijk vroeger, de trein gaan vinden die mij, na de dagtaak, elken
avond voerde naar de verre rust der mastebosschen. Alle bareelen
stonden open, geen toezicht nergens meer. Het was geen uur om
nog een trein te treffen en toch ik vond er een die op vertrekken
stond naar Esschen. Ik kreeg een plaatsje in de volgepropte
wagens, De menschen waren zenuwachtig opgeruimd. Alles ging
zoo broederlijk gemeenzaam toe. De angst van 't oogenblik werd
als geloochend door de onverschillig en drukdoende tongen. Have
en goed werd weliswaar verlaten, maar 't was immers maar voor
korten tijd, en 't leek zoo aardig dat kosteloos reisje naar Holland.
De trein was in beweging gekomen, traag van de over groote
vracht. Ik zocht door de vensters een laatste glimp van O. L. V.
Toren die wit-grijs uitstak boven de daken op de sombere
avondlucht; de slanke naalden van Sint Josef spietsten boven de
duistere boomen van het park. Het stadszicht gleed voorbij en was
verzwonden, wij reden de donkere velden in.
Rond half tien was ik te Cappellenbosch. Hoe gelukkig scheen het
gele lamplicht mij tegen van uit het verre vaderhuis in den van-
geuren-loomen avondtuin. Ik vond mijn gezin weer gezeten rond de
wijde tafel met vrienden, die uit samenhoorigheidsgevoel, in deze
bange tijden, nu kwamen huizen onder ons dak.