XXIV-Op Den Weg Der Ballingschap

De dag ging voorbij en de avond begon te dalen. Nog immer

gonsde het rumoer der vlucht over den steenweg. Ik zag het witte

hoofd van mijn ouden vader uitsteken tusschen de perelaars van

zijn moestuin. Nog wrocht hij met zijn hakje om wat onkruid te

wieden langsheen de groenten-bedden. Hij kon van zijn hof niet

scheiden.

Maar het uur was gekomen. Ik zag vader, na een laatsten oogslag

op zijne boomen naar het huis toewandelen met zijn tragen zekeren

stap. Ik hoorde hem buiten achter den muur nog eenige laatste

aanduidingen geven voor het verzorgen der planten en het bergen

van de bloemknollen. Dan trad hij de kamer binnen.

--"Zijn wij gereed", vroeg hij "en is er niets vergeten? Dan zullen wij

maar optrekken."

Voor de achterdeur van het huis stond een karretje gereed met een

ezel, armelijk gespan dat door de boeren, die den nacht op ons

goed zouden doorbrengen, geleend werd om ons gepak tot aan de

grens te voeren. Alles was reeds opgeladen. Het oud moederken

werd vooraan gezet en liet haar kinderen lijdzaam met haar begaan.

Onze vrienden stonden al buiten te wachten. Een oude benediktijner

monnik uit het nabijgelegen klooster, die ons op 't laatste oogenblik

kwam bezoeken, zou nu meeloopen tot aan Putte. Moeder en mijn

zuster zochten nog iets boven, ik stak nog een boek in mijn zak.

Vader knoopte zijn overjas toe, zette zijn groote, zwarten vilt op

en greep naar zijn wandelstok, den pelgrimstaf voortaan.

Wij waren buiten. Vader sloot de deur en zorgzaam als altijd borg hij

den sleutel alsof hij over een paar weken ons weer behouden terug

ging brengen naar zijn huis.

Hij zou die gesloten deur nooit meer openen weerom....

--"Wij zullen langs den boschkant gaan", zei hij, "dan ontkomen wij 't

gewoel". Hij was de geleider die de wegen kende en hij ging voorop

met zijn nog kloeken, vasten stap. De kleine karavaan volgde.

Wij moesten nog een tijdje langs den steenweg. Het vluchten der

honderdduizenden duurde daar maar aldoor voort. Strompelend

spoedden de menschen den dreigenden avond in. Er reed een

stootkar aan ons voorbij, waarboven, op een matras, een oude man

bewustloos neerlag met een wasgeel onbewogen gelaat en toeë

oogën. Was het een stervende of reeds een lijk dat daar werd

weggevoerd? Uit het duister van een groepje dennen klonken de

snijdende hulpkreten vam eene vrouw in barensnood. Honden

huilden naar den kwijnenden hemel en in de verte ging, zonder

ophouden, het doffe brommen van 't kanon.

Wij namen een zijweg langs den boschkant naast de

Calmpthoutsche heide, die eindelooze heide waar ik zoo dikwijls, in

den vroegen morgen, te paard was doorgedraafd en waar mijn

oogen nu het "Huis ten Heuvel" zochten van mijn vriend Em. de

Bom...

Ik zag een groepje jonge antwerpsche schilders met pak en zak, de

wijde rosse vlakte intrekken, in de richting van de Kambuis. In de

verte staken nog de witte duintoppen omhoog in de laatste klaarte.

Klein en hulpeloos was onze vlucht tegen de lage sparreboomen,

waar de nacht reeds woonde. Soms glom een lichtje daar binnen

van een vuurtje of een kaars en de omzittende menschen deden

aan als roovers uit een angstige vertelling. Wij gingen door het

mulle zand met de knerzelende mastspelden. In den staal-blauwen

koepel, over de heide, ontvonkten de eerste starren. Ik dacht aan

een Kerstnacht... wanneer, langs alle wegen, de volkeren op weg

waren voor de optelling van Caesar Augustus. Reisden wij ook niet

naar eene optelling van alle doolaards door de wijde wereld? De

kleine koewachter had moeite om ons ezelken voort te drijven en

wij moesten duwen soms aan het piepende karretje met onze

pakken en het krankzinnig-lachende oude moederken. De grijze

monnik met zijn zwarte pij en de afhangende kap scheen wel Sint

Jozef, zooals hij ging, ietwat gebogen, onder zijn grooten hoed,

langsheen de diepe grauwe vlakte. De jonge vrouw van een onzer

vrienden droeg een kindje onder haar hart. Zouden wij wel plaats

vinden in een gasthof dezen nacht en in welken verlaten stal ging

dat nieuwe kindje geboren worden?

Wij kwamen aan de nederlandsche grens. Hier liepen wij verloren in

den immer-zwellenden stroom van vluchtelingen, die in dichte

massa's aandrongen op de grens-bareelen. Maar hier waren

soldaten die vriendelijk deden met de menschen. Wij stapten

verademend en haast-gelukkig op nederlanschen bodem.

Toen blikten wij terug naar het Zuiden. Boven de vlakke landen, aan

den einder, waaierde wijd, den hoogen hemel in, een ontzaglijke

aureool die, frambozig-roos, naar alle kanten den lucht-koepel

begloorde. Antwerpen brandde achter de kim en onze verbijsterde

gezichten zagen rood van het verre vuur.

Wij namen afscheid van den goeden ouden pater en hij trok met

den koewachter, het ezelken en het piepende karretje weer terug

naar het donkere van kanon-gebulder doorvloekte land.

Nergens was er nog plaats, zelfs maar een stoel te vinden in de

dorpsherbergen. Zoo zat er alles volgepropt. Onder het borstbeeld

van Jordaens--den vlammenden schilder der vlaamsche vreugde,

die vroeger zoo gemoedelijk lachend neerzag op de luidruchtige

kermissen van Putte en de rondedansen van boeren en stedelingen,

onder het gewaai der vlaggen en bij het gespeel der zinderende

muziek--lagen nu de moede kudden van de ontelbare dakloozen,

neergehurkt in stomme lijdzaamheid.

Een jonge luitenant van de hollandsche grenswacht, die van den

kerktoren kwam daarover, vertelde ons wat hij gezien had van de

verre gloeiende stad.

--"Staat O. L. V. toren nog recht?" vroeg mijn zuster.

Waarachtig het was het eenige dat ons nog bekommerde van al

wat wij ginder achter lieten.

--"Ja, goddank, geen enkele toren werd getroffen, maar het brandt

schier overal, groote rookwolken gaan op ten zuiden van de stad"

zoo zei de luitenant en hij ging vriendelijk voort met ons te praten.

Hij moest met zijn motocyclette naar Bergen-op-Zoom. Hij zou een

auto voor ons doen komen. Onze vrienden vonden bij hunne

Putsche familie een onderkomen voor den nacht. Wij bleven daar

wachten ook tot de beloofde auto kwam, die ons veilig voerde naar

het eerste hollandsche stadje.

Wij keken door de ramen naar den verren gloed aan den einder, het

ontzettend vreugdevuur bij den triomf der vijanden van ons land.

Vader en moeder die over ons zaten, kwamen mij plots veel ouder

voor, nu die ontwortelde menschen schommelend reden door den

nacht, op den weg der ballingschap, het onbekende te gemoet.

Dienzelfden avond konden wij nog vertrekken met den trein naar

Middelburg en, diep in den nacht, werden wij daar onthaald door

hartelijke menschen die ons brachten naar een gastvrij huisje, in de

Lange Delft.

's Anderdaags werden wij wakker bij de klingelende muziek van

vele klokjes op den toren van 't Stadhuis. Dat geluid van vrede

stemde ons weemoedig, na al wat wij ondervonden van den oorlog.

Wij bleven daar tot zondag ochtend eer wij weg konnen naar

Londen. De rust van het aardige schilderachtige stadje, de genegen

goedheid van de menschen die ons herbergden, waren een troost

voor onze pijnlijk-geschokte harten. Ik liep te dwalen langs de oude

straatjes met de lachende glimmende huizekens. Ik zag de oude

ruime kerk als een schilderij van Saenredam,--van bleek ivoor

schenen de zware zuilen en de hooge wanden met paarse schaduwen

hier en daar, blauw en rozig lagen de vlakke plavuizen, lichtblauw was

de hemel door de in-lood-gevatte ruitjes van de spitsboogramen,

huisnokken en roode daken schemerden daar door en heldere dag

gleed langs de koperen kroonluchters en de kleurige schilden in de

zwarte lijsten. Ik wandelde langs de rechte kanalen van het eiland

Walcheren. Vlak en vreedzaam lagen, beneden de dijken, de groene

weiden vol grazend vee. Ik wilde weer rustig worden, den oorlog

vergeten. Het kon niet lang meer duren toch...

Zaterdag avond, 10 October, had ik te mijmeren gezeten op het

rustige binnenhof met de roode klinksteenen van de oude abdij

waar de najaarsblaren rezen, waar de beiaard-liedekens en de

vrome zware stem van de kerkklok klonken als rustige stemmen uit

den hoogen hemel boven de karteling van huizen en gekanteelde

muren.

Ik ging weer aankloppen in de Lange Delft. Onze gastvrouw stak mij

sprakeloos een kranten-buletin toe: Antwerpen was overgegeven!

De Duitschers hadden hunne intree gedaan binnen onze stad. Ik

liep naar boven. Vader stond sprakeloos door het venster te turen.

Moeder en zuster weenden.

Antwerpen was gevallen!

Neuilly-sur-Seine, Lente 1917.

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 25 / 26 题