De dag ging voorbij en de avond begon te dalen. Nog immer
gonsde het rumoer der vlucht over den steenweg. Ik zag het witte
hoofd van mijn ouden vader uitsteken tusschen de perelaars van
zijn moestuin. Nog wrocht hij met zijn hakje om wat onkruid te
wieden langsheen de groenten-bedden. Hij kon van zijn hof niet
scheiden.
Maar het uur was gekomen. Ik zag vader, na een laatsten oogslag
op zijne boomen naar het huis toewandelen met zijn tragen zekeren
stap. Ik hoorde hem buiten achter den muur nog eenige laatste
aanduidingen geven voor het verzorgen der planten en het bergen
van de bloemknollen. Dan trad hij de kamer binnen.
--"Zijn wij gereed", vroeg hij "en is er niets vergeten? Dan zullen wij
maar optrekken."
Voor de achterdeur van het huis stond een karretje gereed met een
ezel, armelijk gespan dat door de boeren, die den nacht op ons
goed zouden doorbrengen, geleend werd om ons gepak tot aan de
grens te voeren. Alles was reeds opgeladen. Het oud moederken
werd vooraan gezet en liet haar kinderen lijdzaam met haar begaan.
Onze vrienden stonden al buiten te wachten. Een oude benediktijner
monnik uit het nabijgelegen klooster, die ons op 't laatste oogenblik
kwam bezoeken, zou nu meeloopen tot aan Putte. Moeder en mijn
zuster zochten nog iets boven, ik stak nog een boek in mijn zak.
Vader knoopte zijn overjas toe, zette zijn groote, zwarten vilt op
en greep naar zijn wandelstok, den pelgrimstaf voortaan.
Wij waren buiten. Vader sloot de deur en zorgzaam als altijd borg hij
den sleutel alsof hij over een paar weken ons weer behouden terug
ging brengen naar zijn huis.
Hij zou die gesloten deur nooit meer openen weerom....
--"Wij zullen langs den boschkant gaan", zei hij, "dan ontkomen wij 't
gewoel". Hij was de geleider die de wegen kende en hij ging voorop
met zijn nog kloeken, vasten stap. De kleine karavaan volgde.
Wij moesten nog een tijdje langs den steenweg. Het vluchten der
honderdduizenden duurde daar maar aldoor voort. Strompelend
spoedden de menschen den dreigenden avond in. Er reed een
stootkar aan ons voorbij, waarboven, op een matras, een oude man
bewustloos neerlag met een wasgeel onbewogen gelaat en toeë
oogën. Was het een stervende of reeds een lijk dat daar werd
weggevoerd? Uit het duister van een groepje dennen klonken de
snijdende hulpkreten vam eene vrouw in barensnood. Honden
huilden naar den kwijnenden hemel en in de verte ging, zonder
ophouden, het doffe brommen van 't kanon.
Wij namen een zijweg langs den boschkant naast de
Calmpthoutsche heide, die eindelooze heide waar ik zoo dikwijls, in
den vroegen morgen, te paard was doorgedraafd en waar mijn
oogen nu het "Huis ten Heuvel" zochten van mijn vriend Em. de
Bom...
Ik zag een groepje jonge antwerpsche schilders met pak en zak, de
wijde rosse vlakte intrekken, in de richting van de Kambuis. In de
verte staken nog de witte duintoppen omhoog in de laatste klaarte.
Klein en hulpeloos was onze vlucht tegen de lage sparreboomen,
waar de nacht reeds woonde. Soms glom een lichtje daar binnen
van een vuurtje of een kaars en de omzittende menschen deden
aan als roovers uit een angstige vertelling. Wij gingen door het
mulle zand met de knerzelende mastspelden. In den staal-blauwen
koepel, over de heide, ontvonkten de eerste starren. Ik dacht aan
een Kerstnacht... wanneer, langs alle wegen, de volkeren op weg
waren voor de optelling van Caesar Augustus. Reisden wij ook niet
naar eene optelling van alle doolaards door de wijde wereld? De
kleine koewachter had moeite om ons ezelken voort te drijven en
wij moesten duwen soms aan het piepende karretje met onze
pakken en het krankzinnig-lachende oude moederken. De grijze
monnik met zijn zwarte pij en de afhangende kap scheen wel Sint
Jozef, zooals hij ging, ietwat gebogen, onder zijn grooten hoed,
langsheen de diepe grauwe vlakte. De jonge vrouw van een onzer
vrienden droeg een kindje onder haar hart. Zouden wij wel plaats
vinden in een gasthof dezen nacht en in welken verlaten stal ging
dat nieuwe kindje geboren worden?
Wij kwamen aan de nederlandsche grens. Hier liepen wij verloren in
den immer-zwellenden stroom van vluchtelingen, die in dichte
massa's aandrongen op de grens-bareelen. Maar hier waren
soldaten die vriendelijk deden met de menschen. Wij stapten
verademend en haast-gelukkig op nederlanschen bodem.
Toen blikten wij terug naar het Zuiden. Boven de vlakke landen, aan
den einder, waaierde wijd, den hoogen hemel in, een ontzaglijke
aureool die, frambozig-roos, naar alle kanten den lucht-koepel
begloorde. Antwerpen brandde achter de kim en onze verbijsterde
gezichten zagen rood van het verre vuur.
Wij namen afscheid van den goeden ouden pater en hij trok met
den koewachter, het ezelken en het piepende karretje weer terug
naar het donkere van kanon-gebulder doorvloekte land.
Nergens was er nog plaats, zelfs maar een stoel te vinden in de
dorpsherbergen. Zoo zat er alles volgepropt. Onder het borstbeeld
van Jordaens--den vlammenden schilder der vlaamsche vreugde,
die vroeger zoo gemoedelijk lachend neerzag op de luidruchtige
kermissen van Putte en de rondedansen van boeren en stedelingen,
onder het gewaai der vlaggen en bij het gespeel der zinderende
muziek--lagen nu de moede kudden van de ontelbare dakloozen,
neergehurkt in stomme lijdzaamheid.
Een jonge luitenant van de hollandsche grenswacht, die van den
kerktoren kwam daarover, vertelde ons wat hij gezien had van de
verre gloeiende stad.
--"Staat O. L. V. toren nog recht?" vroeg mijn zuster.
Waarachtig het was het eenige dat ons nog bekommerde van al
wat wij ginder achter lieten.
--"Ja, goddank, geen enkele toren werd getroffen, maar het brandt
schier overal, groote rookwolken gaan op ten zuiden van de stad"
zoo zei de luitenant en hij ging vriendelijk voort met ons te praten.
Hij moest met zijn motocyclette naar Bergen-op-Zoom. Hij zou een
auto voor ons doen komen. Onze vrienden vonden bij hunne
Putsche familie een onderkomen voor den nacht. Wij bleven daar
wachten ook tot de beloofde auto kwam, die ons veilig voerde naar
het eerste hollandsche stadje.
Wij keken door de ramen naar den verren gloed aan den einder, het
ontzettend vreugdevuur bij den triomf der vijanden van ons land.
Vader en moeder die over ons zaten, kwamen mij plots veel ouder
voor, nu die ontwortelde menschen schommelend reden door den
nacht, op den weg der ballingschap, het onbekende te gemoet.
Dienzelfden avond konden wij nog vertrekken met den trein naar
Middelburg en, diep in den nacht, werden wij daar onthaald door
hartelijke menschen die ons brachten naar een gastvrij huisje, in de
Lange Delft.
's Anderdaags werden wij wakker bij de klingelende muziek van
vele klokjes op den toren van 't Stadhuis. Dat geluid van vrede
stemde ons weemoedig, na al wat wij ondervonden van den oorlog.
Wij bleven daar tot zondag ochtend eer wij weg konnen naar
Londen. De rust van het aardige schilderachtige stadje, de genegen
goedheid van de menschen die ons herbergden, waren een troost
voor onze pijnlijk-geschokte harten. Ik liep te dwalen langs de oude
straatjes met de lachende glimmende huizekens. Ik zag de oude
ruime kerk als een schilderij van Saenredam,--van bleek ivoor
schenen de zware zuilen en de hooge wanden met paarse schaduwen
hier en daar, blauw en rozig lagen de vlakke plavuizen, lichtblauw was
de hemel door de in-lood-gevatte ruitjes van de spitsboogramen,
huisnokken en roode daken schemerden daar door en heldere dag
gleed langs de koperen kroonluchters en de kleurige schilden in de
zwarte lijsten. Ik wandelde langs de rechte kanalen van het eiland
Walcheren. Vlak en vreedzaam lagen, beneden de dijken, de groene
weiden vol grazend vee. Ik wilde weer rustig worden, den oorlog
vergeten. Het kon niet lang meer duren toch...
Zaterdag avond, 10 October, had ik te mijmeren gezeten op het
rustige binnenhof met de roode klinksteenen van de oude abdij
waar de najaarsblaren rezen, waar de beiaard-liedekens en de
vrome zware stem van de kerkklok klonken als rustige stemmen uit
den hoogen hemel boven de karteling van huizen en gekanteelde
muren.
Ik ging weer aankloppen in de Lange Delft. Onze gastvrouw stak mij
sprakeloos een kranten-buletin toe: Antwerpen was overgegeven!
De Duitschers hadden hunne intree gedaan binnen onze stad. Ik
liep naar boven. Vader stond sprakeloos door het venster te turen.
Moeder en zuster weenden.
Antwerpen was gevallen!
Neuilly-sur-Seine, Lente 1917.