XXI-De Aankondiging Van Het Bombardement

In den morgen van woensdag 7 october, stond er te lezen in de

bladen dat het bombardement der stad aanstaande was en de

burgers konden vluchten langs de eenig overgebleven vrije wegen

van het Noorden en het Noord-Westen.

Ik was reeds vroeg de straat op. Overal stonden de menschen aan

hunne deuren, in groepjes, de noodlottige aankondiging te

bespreken. Het was te zien dat het nieuws algemeene ontzetting

verwekte in de stad. Bij de meeste luidjes gingen immers nu eerst

de oogen met verbazing open. Zonder eenigen overgang werden zij

plotseling gesteld voor het allerschrikkelijkste: het bombardement

hunner huizen, den val hunner stad. Wat wisten zy anders van den

oorlog dan hetgeen zij stil op hunne kamers in hun antwerpsch

krantje hadden gelezen en dat vertelde hun gisteren nog dat de

zaken goed stonden, dat er geen de minste reden was tot

verontrusting, het nachtelijk kanon-gebulder zelfs mocht niemand

beangstigen: het waren proefscheuten met de zware engelsche

marine-stukken.

Toch ontstond er geen paniek. De burgers beoordeelden kalm wat

hen te doen stond. Tot vluchten werd vrij algemeen besloten, maar

de middelen om die vlucht te verwezenlijken bleven een ernstig

vraagstuk. Nagenoeg alle taxi's en de meeste paarden werden

sinds lang voor oorlogsdienst gerekwireerd. Het trein-verkeer over

de twee nog-bruikbare lijnen, Vlaamsch hoofd-Gent en Antwerpen-

Esschen, was onzeker en beperkt en de Vlaamsche lijn bleef dan

nog voorbehouden aan de laatste trekkende soldaten en eerst en

vooral aan de gekwetste en herstellende die nu in een rampzaligen

stoet van alle kanten toekwamen aan de vlotbrug voor het Steen.

Het was deerniswekkend om aan te zien: vele die zich

voortsleepten op krukken met nog dik-omzwachtelde voeten,

andere bleek en zwak met in-witte-windels-gedragen armen of het

hoofd omwonden en die door verpleegsters moederlijk werden

ondersteund, enkele zelfs die, meer dood dan levend, op berrie's

moesten worden aangedragen. Het was als de toevlucht van alle

ziekten en misères op de beroemde ets van Rembrandt, maar zij

kwamen niet naar een Christus die hen zou genezen, zij vluchtten

de dood of de gevangenschap die hen wachtte wanneer zij bleven

in de stad.

Toen ik weer huiswaarts keerde, door een arme volkstraat, zag ik

een van die lange zwarte koolwagens vol stoelen zetten om zoo

een paar buur-gezinnen naar de nederlandsche grens te voeren.

Mijn huisgenooten besloten ook dienzelfden ochtend te vertrekken

naar ons landhuisje te Cappellenbosch, waar het voor 't oogenblik

nog veilig scheen. Zij hadden gelukkig nog een rijtuig kunnen huren

dat hen tot in Cappellen zou voeren. Met verkropt gemoed werd het

oude familie-huis verlaten met niets dan het allernoodigste voor de

onzekere reis. Wij bleven samen tot aan Deurne-poort. Hier moest

afscheid worden genomen... nog de laatste wuiving van een hand

uit het portier en ik zag de zwarte koets voortrijden in den

onafgebroken stoet van allerhande gespannen en te midden een

reeds drukke toeloop van beklagenswaardige vluchtelingen. Ik bleef

alleen van ons gezin achter in het bedreigde Antwerpen.

Ik wilde terug de stad in, maar in de hemel-ruimte, boven het

plein voor de vestingpoort, beschreef eene duitsche Taube

hare reusachtige kringen, heffend en dalend tusschen de

openknarsende schrapnels onzer kanonnen die over de huizen

donderden. De menschen vluchtten ijlings naar alle kanten om

eene beschutting te zoeken onder het rood-steenen gewelf der

poort of achter de muren der omliggende gebouwen. Een zuster,

die waarschijnlijk pas uit de stilte van haar klooster was vertrokken,

bleef alleen achter op het groote plein en stond daar bedremmeld

en hulpeloos. Ik ging haar halen en bracht ze veilig onder de poort.

De Taube dreef weer af naar het Noorden, als het ware om de

burgers op hunne vlucht te volgen en schrik aan te jagen, want

bommen werden toen niet geworpen.

Op de Turnhoutsche baan zag ik menschen hunne keldermonden

met kolen, zand of aarde dichtsluiten. Er was groote ontsteltenis

overal, maar velen die nog aarzelden of zij wel trekken zouden,

velen ook die niet weg konnen of zich geen volle rekenschap gaven

van 't gevaar.

De antwerpsche historie telt meer dan een bombardement. Dat van

Baron Chassé in het jaar '30 lag nog zoo ver niet in 't verleden en

ieder had er in zijn familie, door grootvader of grootmoeder, wel

eens hooren van vertellen. De sinjoren zouden dat nu ook wel

doorkomen en zij hielden eerst en vooral van hun huis.

In 't voorbijgaan, trok ik even het centraal-station binnen. Alle

winketten waren gesloten. De reizigers liepen vrij de groote hal

binnen langs de hooge marmeren trappen. Ik volgde den drang en

zag een trein bestormen die, reeds volgepropt, op vertrekken stond

naar Holland. De menschen klauterden tot op de daken en hielden

zich vast op de stijgplanken. Het werd hier een zinnelooze vlucht die

op paniek geleek.

Ik ging van daar naar de Kipdorp-vest, waar het bestuur gevestigd

was waarvan ik door mijn nieuwe bezigheden afhing. Al de bureelen

waren met de regeering reeds naar Oostende vertrokken. Geene

verplichting weerhield mij langer nog in de stad. Ik was vrij maar nog

besluiteloos.

Toen ik weer in mijn buurt kwam zag ik hoe nog maar steeds alle

menschen aan hunne deuren stonden en, als om raad of hulp of

een bemoedigend woord, uitkeken naar de voorbijgangers. Luidjes

die mij vroeger niet schenen te kennen groetten mij nu als met een

innigheid. "Die is nog hier en rustig in 't gevaar!" zoo blikten hunne

vertrouwende oogen mij hartelijk te gemoet.

Over de andere stoep kwam burgemeester Jan de Vos aangestapt,

op zijn dagelijksche gang naar het stadhuis. Hij liep verstrooid in zijn

donker-grijze redingote, de licht-grijze girondin op het hoofd, ietwat

gebogen, zwaar van kommer en verantwoordelijkheden, in deze

hachelijke uren. Hij beantwoordde geen enkelen groet van de vele

lieden die hem eerbiedig nakeken en nu eerst recht gevoelden hoe

hij was de burgervader waarop men rekenen mocht. De innerlijke

overweging volgend, keken star de afwezige oogen van achter de

glimmende lorgnonglazen, waarvan het zijden koordje argeloos

neerhing langs zijn zwart en witte snor en zijn rood gerimpeld

gelaat. Ik had den indruk van een man die eenvoudig een held zou

zijn als 't noodig was en het eigen leven niet zou achten in 't gevaar.

In den namiddag ging ik een vriend opzoeken om te vernemen wat

hij zinnens was te doen.

--"Wat zijt ge bleek!" zoo was de bezorgde vraag die mij begroette

"Uw gelaat draagt de sporen van ontzetting. Voelt ge u niet wel of is

het angst?"

Ik keek verwonderd op doch stelde mijn vriend gerust:

--"Ik voel mij wel, goddank, mijn huisgenooten zijn weg, in veiligheid

en 'k ben van dien kant zonder kommer. Voor mij zelf ken ik geen

vrees en, indien ik angst gevoel, dan is 't voor deze stad en alles

wat hier kan vergaan. Voelt gij het ook niet, beste, er is iets nieuws

over ons gekomen, onze weelderige vrede is voor goed verstoord,

al de trotsche kooplui dezer stad zijn geschokt in hunne ikzuchtige

genieting, de koffers worden geledigd, de fortuinen storten in elkaar,

een rukwind waait alle vensters open en jaagt zelfs oude en zieke

menschen op de straat langs alle wegen van de wereld. Ons volk

lijdt, wij gaan nu lijden met ons volk, wij gaan ons deel hebben in de

moorderijen, in de brandstichting, in de vermorzeling van dit

geslacht, heel het grootsche gebouw van onze voorvaders stort in

puin. Ja ik weet het, door onze kleinheid tegenover het almachtige

Duitschland heeft onze strijd eene glorie verworen, die aan de

antieke tijden denken doet. Als wij uit dien oorlog vrij en

onafhankelijk weer eens te voorschijn komen, dan is er met ons in

de geschiedenis iets gebeurd, dan hebben wij een roem verworven

die van geslacht tot geslacht zal voortgegeven worden als de

kostbaarste schat onzer nationale fierheid. De gemakzucht en de

zinnelijkheid die alle zedelijke energie gingen sloopen, die alle

enthousiasme verzwakten hebben van de zweep gekregen en

komen zoo gauw niet meer weerom. Er overkomt ons iets dat ons

diepste wezen moet veranderen en ons tot een volk maken dat

eerbied afdwingt voor heel de wereld. Maar nu, nu op dit oogenblik,

nu lijden wij, nu voelen wij alleen de gruwelen van dezen tijd en hoe

de ijzeren hand van den dwingeland reeds op ons weegt, wij lijden

omdat wij voor lang niet meer volledig zullen kunnen leven, wij lijden

om alles wat vergaat voor eeuwig in het aanschijn van ons lieve

land. Die pijnlijke ondervinding mag te lezen staan op ons gelaat.

Het is niet te verwonderen dat wij er de sporen van dragen, ik zou

mij eer schamen moest het anders wezen."

Mijn vriend aanhoorde geduldig mijn ietwat zenuwachtige uitval, die

zijn kijk op mijn innerlijk gemoed bij mij had uitgelokt. Wij gingen

kalmtjes voort met praten over de mogelijkheden die nog in de lucht

hingen. Hij wilde weg, maar aarzelde zijn mooi huis, met de

schilderijen, de boeken, de zeldzaamheden die hem lief waren te

verlaten. Ik werd gewaar dat in die uiterste oogenblikken niet slechts

de wil en de koele redeneering--te veel onbekenden kwamen in het

vraagstuk voor--maar wel de omstandigheden, een onvoorzien

voorval, een luim, de beslissende daad uitlokten van te blijven of te

gaan en wij namen nog geen besluit.

Ik ging weer naar mijn huis. Over de Schoenmarkt reed er een

grijze auto aan mij voorbij. Ik erkende den Koning. Het was

ongeveer drie uur in den namiddag. Hij reed langs de Koornmarkt

naar de Schelde toe, Ik kende die richting, zij was voor dagen reeds

de baan van allen aftocht. Onze vorst verliet dus ook de stad! Onze

ministers en de vreemde gezanten waren vertrokken, ons leger was

nagenoeg geheel over den stroom en op weg door Vlaanderen,

Winston Churchill was weg in een auto naar Oostende. Mijn besluit

stond vast. Ik zou vertrekken. Deze stad ging in de handen van den

vijand vallen, ik zou moeten de gehate soldaten en de trotsche

officieren door mijn straat en aan mijn huis zien voorbij gaan. Wij

zouden ons aan den willekeur van een glorie-dronken overwinnaar

moeten onderwerpen. Wat waren geld en goed en alle duurbaarste

herinneringen, vergeleken bij de vrijheid daarbuiten, met alle

mogeijlkheden om naar mijn beste krachten voor het vaderland te

werken?

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 22 / 26 题