In den morgen van woensdag 7 october, stond er te lezen in de
bladen dat het bombardement der stad aanstaande was en de
burgers konden vluchten langs de eenig overgebleven vrije wegen
van het Noorden en het Noord-Westen.
Ik was reeds vroeg de straat op. Overal stonden de menschen aan
hunne deuren, in groepjes, de noodlottige aankondiging te
bespreken. Het was te zien dat het nieuws algemeene ontzetting
verwekte in de stad. Bij de meeste luidjes gingen immers nu eerst
de oogen met verbazing open. Zonder eenigen overgang werden zij
plotseling gesteld voor het allerschrikkelijkste: het bombardement
hunner huizen, den val hunner stad. Wat wisten zy anders van den
oorlog dan hetgeen zij stil op hunne kamers in hun antwerpsch
krantje hadden gelezen en dat vertelde hun gisteren nog dat de
zaken goed stonden, dat er geen de minste reden was tot
verontrusting, het nachtelijk kanon-gebulder zelfs mocht niemand
beangstigen: het waren proefscheuten met de zware engelsche
marine-stukken.
Toch ontstond er geen paniek. De burgers beoordeelden kalm wat
hen te doen stond. Tot vluchten werd vrij algemeen besloten, maar
de middelen om die vlucht te verwezenlijken bleven een ernstig
vraagstuk. Nagenoeg alle taxi's en de meeste paarden werden
sinds lang voor oorlogsdienst gerekwireerd. Het trein-verkeer over
de twee nog-bruikbare lijnen, Vlaamsch hoofd-Gent en Antwerpen-
Esschen, was onzeker en beperkt en de Vlaamsche lijn bleef dan
nog voorbehouden aan de laatste trekkende soldaten en eerst en
vooral aan de gekwetste en herstellende die nu in een rampzaligen
stoet van alle kanten toekwamen aan de vlotbrug voor het Steen.
Het was deerniswekkend om aan te zien: vele die zich
voortsleepten op krukken met nog dik-omzwachtelde voeten,
andere bleek en zwak met in-witte-windels-gedragen armen of het
hoofd omwonden en die door verpleegsters moederlijk werden
ondersteund, enkele zelfs die, meer dood dan levend, op berrie's
moesten worden aangedragen. Het was als de toevlucht van alle
ziekten en misères op de beroemde ets van Rembrandt, maar zij
kwamen niet naar een Christus die hen zou genezen, zij vluchtten
de dood of de gevangenschap die hen wachtte wanneer zij bleven
in de stad.
Toen ik weer huiswaarts keerde, door een arme volkstraat, zag ik
een van die lange zwarte koolwagens vol stoelen zetten om zoo
een paar buur-gezinnen naar de nederlandsche grens te voeren.
Mijn huisgenooten besloten ook dienzelfden ochtend te vertrekken
naar ons landhuisje te Cappellenbosch, waar het voor 't oogenblik
nog veilig scheen. Zij hadden gelukkig nog een rijtuig kunnen huren
dat hen tot in Cappellen zou voeren. Met verkropt gemoed werd het
oude familie-huis verlaten met niets dan het allernoodigste voor de
onzekere reis. Wij bleven samen tot aan Deurne-poort. Hier moest
afscheid worden genomen... nog de laatste wuiving van een hand
uit het portier en ik zag de zwarte koets voortrijden in den
onafgebroken stoet van allerhande gespannen en te midden een
reeds drukke toeloop van beklagenswaardige vluchtelingen. Ik bleef
alleen van ons gezin achter in het bedreigde Antwerpen.
Ik wilde terug de stad in, maar in de hemel-ruimte, boven het
plein voor de vestingpoort, beschreef eene duitsche Taube
hare reusachtige kringen, heffend en dalend tusschen de
openknarsende schrapnels onzer kanonnen die over de huizen
donderden. De menschen vluchtten ijlings naar alle kanten om
eene beschutting te zoeken onder het rood-steenen gewelf der
poort of achter de muren der omliggende gebouwen. Een zuster,
die waarschijnlijk pas uit de stilte van haar klooster was vertrokken,
bleef alleen achter op het groote plein en stond daar bedremmeld
en hulpeloos. Ik ging haar halen en bracht ze veilig onder de poort.
De Taube dreef weer af naar het Noorden, als het ware om de
burgers op hunne vlucht te volgen en schrik aan te jagen, want
bommen werden toen niet geworpen.
Op de Turnhoutsche baan zag ik menschen hunne keldermonden
met kolen, zand of aarde dichtsluiten. Er was groote ontsteltenis
overal, maar velen die nog aarzelden of zij wel trekken zouden,
velen ook die niet weg konnen of zich geen volle rekenschap gaven
van 't gevaar.
De antwerpsche historie telt meer dan een bombardement. Dat van
Baron Chassé in het jaar '30 lag nog zoo ver niet in 't verleden en
ieder had er in zijn familie, door grootvader of grootmoeder, wel
eens hooren van vertellen. De sinjoren zouden dat nu ook wel
doorkomen en zij hielden eerst en vooral van hun huis.
In 't voorbijgaan, trok ik even het centraal-station binnen. Alle
winketten waren gesloten. De reizigers liepen vrij de groote hal
binnen langs de hooge marmeren trappen. Ik volgde den drang en
zag een trein bestormen die, reeds volgepropt, op vertrekken stond
naar Holland. De menschen klauterden tot op de daken en hielden
zich vast op de stijgplanken. Het werd hier een zinnelooze vlucht die
op paniek geleek.
Ik ging van daar naar de Kipdorp-vest, waar het bestuur gevestigd
was waarvan ik door mijn nieuwe bezigheden afhing. Al de bureelen
waren met de regeering reeds naar Oostende vertrokken. Geene
verplichting weerhield mij langer nog in de stad. Ik was vrij maar nog
besluiteloos.
Toen ik weer in mijn buurt kwam zag ik hoe nog maar steeds alle
menschen aan hunne deuren stonden en, als om raad of hulp of
een bemoedigend woord, uitkeken naar de voorbijgangers. Luidjes
die mij vroeger niet schenen te kennen groetten mij nu als met een
innigheid. "Die is nog hier en rustig in 't gevaar!" zoo blikten hunne
vertrouwende oogen mij hartelijk te gemoet.
Over de andere stoep kwam burgemeester Jan de Vos aangestapt,
op zijn dagelijksche gang naar het stadhuis. Hij liep verstrooid in zijn
donker-grijze redingote, de licht-grijze girondin op het hoofd, ietwat
gebogen, zwaar van kommer en verantwoordelijkheden, in deze
hachelijke uren. Hij beantwoordde geen enkelen groet van de vele
lieden die hem eerbiedig nakeken en nu eerst recht gevoelden hoe
hij was de burgervader waarop men rekenen mocht. De innerlijke
overweging volgend, keken star de afwezige oogen van achter de
glimmende lorgnonglazen, waarvan het zijden koordje argeloos
neerhing langs zijn zwart en witte snor en zijn rood gerimpeld
gelaat. Ik had den indruk van een man die eenvoudig een held zou
zijn als 't noodig was en het eigen leven niet zou achten in 't gevaar.
In den namiddag ging ik een vriend opzoeken om te vernemen wat
hij zinnens was te doen.
--"Wat zijt ge bleek!" zoo was de bezorgde vraag die mij begroette
"Uw gelaat draagt de sporen van ontzetting. Voelt ge u niet wel of is
het angst?"
Ik keek verwonderd op doch stelde mijn vriend gerust:
--"Ik voel mij wel, goddank, mijn huisgenooten zijn weg, in veiligheid
en 'k ben van dien kant zonder kommer. Voor mij zelf ken ik geen
vrees en, indien ik angst gevoel, dan is 't voor deze stad en alles
wat hier kan vergaan. Voelt gij het ook niet, beste, er is iets nieuws
over ons gekomen, onze weelderige vrede is voor goed verstoord,
al de trotsche kooplui dezer stad zijn geschokt in hunne ikzuchtige
genieting, de koffers worden geledigd, de fortuinen storten in elkaar,
een rukwind waait alle vensters open en jaagt zelfs oude en zieke
menschen op de straat langs alle wegen van de wereld. Ons volk
lijdt, wij gaan nu lijden met ons volk, wij gaan ons deel hebben in de
moorderijen, in de brandstichting, in de vermorzeling van dit
geslacht, heel het grootsche gebouw van onze voorvaders stort in
puin. Ja ik weet het, door onze kleinheid tegenover het almachtige
Duitschland heeft onze strijd eene glorie verworen, die aan de
antieke tijden denken doet. Als wij uit dien oorlog vrij en
onafhankelijk weer eens te voorschijn komen, dan is er met ons in
de geschiedenis iets gebeurd, dan hebben wij een roem verworven
die van geslacht tot geslacht zal voortgegeven worden als de
kostbaarste schat onzer nationale fierheid. De gemakzucht en de
zinnelijkheid die alle zedelijke energie gingen sloopen, die alle
enthousiasme verzwakten hebben van de zweep gekregen en
komen zoo gauw niet meer weerom. Er overkomt ons iets dat ons
diepste wezen moet veranderen en ons tot een volk maken dat
eerbied afdwingt voor heel de wereld. Maar nu, nu op dit oogenblik,
nu lijden wij, nu voelen wij alleen de gruwelen van dezen tijd en hoe
de ijzeren hand van den dwingeland reeds op ons weegt, wij lijden
omdat wij voor lang niet meer volledig zullen kunnen leven, wij lijden
om alles wat vergaat voor eeuwig in het aanschijn van ons lieve
land. Die pijnlijke ondervinding mag te lezen staan op ons gelaat.
Het is niet te verwonderen dat wij er de sporen van dragen, ik zou
mij eer schamen moest het anders wezen."
Mijn vriend aanhoorde geduldig mijn ietwat zenuwachtige uitval, die
zijn kijk op mijn innerlijk gemoed bij mij had uitgelokt. Wij gingen
kalmtjes voort met praten over de mogelijkheden die nog in de lucht
hingen. Hij wilde weg, maar aarzelde zijn mooi huis, met de
schilderijen, de boeken, de zeldzaamheden die hem lief waren te
verlaten. Ik werd gewaar dat in die uiterste oogenblikken niet slechts
de wil en de koele redeneering--te veel onbekenden kwamen in het
vraagstuk voor--maar wel de omstandigheden, een onvoorzien
voorval, een luim, de beslissende daad uitlokten van te blijven of te
gaan en wij namen nog geen besluit.
Ik ging weer naar mijn huis. Over de Schoenmarkt reed er een
grijze auto aan mij voorbij. Ik erkende den Koning. Het was
ongeveer drie uur in den namiddag. Hij reed langs de Koornmarkt
naar de Schelde toe, Ik kende die richting, zij was voor dagen reeds
de baan van allen aftocht. Onze vorst verliet dus ook de stad! Onze
ministers en de vreemde gezanten waren vertrokken, ons leger was
nagenoeg geheel over den stroom en op weg door Vlaanderen,
Winston Churchill was weg in een auto naar Oostende. Mijn besluit
stond vast. Ik zou vertrekken. Deze stad ging in de handen van den
vijand vallen, ik zou moeten de gehate soldaten en de trotsche
officieren door mijn straat en aan mijn huis zien voorbij gaan. Wij
zouden ons aan den willekeur van een glorie-dronken overwinnaar
moeten onderwerpen. Wat waren geld en goed en alle duurbaarste
herinneringen, vergeleken bij de vrijheid daarbuiten, met alle
mogeijlkheden om naar mijn beste krachten voor het vaderland te
werken?