Zaterdag, 3 october, is wel voor mij de meest nare dag geweest van
het beleg van Antwerpen.
Het gerucht liep, in den morgen, dat de regeering en de vreemde
gezanten gingen vertrekken naar Oostende en al de hospitalen
moesten worden ontruimd. Dat viel te verwachten, het einde was
nabij, maar hoe droef die harde zekerheden te ondervinden!
Ik ontving het bezoek van een vrijwilliger-kanonnier, uit het fort van
Wijneghem, die met verlof in stad was. Hij vertelde mij uit zekere
bron vernomen te hebben dat de tegenaanvallen die ons leger
waagde op de Nethe, vruchteloos gebleven waren en aan ons volk
verschrikkelijke verliezen hadden gekost. De stille kempische rivier
lag vol lijken en vloeide rood van bloed. Het fort van Dorpsveld was
in de lucht gesprongen met zijn bevelvoerder en laatste
verdedigers. Te Koningshoyckt was een munitie-magazijn ontploft
en het fort onbruikbaar geworden. Tallaert lag vernield, Lier werd
verlaten en ons leger was nu bepaald heelemaal achter de Nethe
teruggeweken. "Onze forten zijn van karton" zoo voer mijn
zegsman voort, met een bitteren lach van spijt en radeloosheid om
de lippen, "van karton, zeg ik je, tegen die monsterkanonnen waar
Brialmont nooit op gerekend had. Het is de eeuwige strijd tusschen
het pantser en de bom en de bom moest onvermijdelijk overwinnen.
Indien je geen duitsche pinhelmen als overwinnaars over enkele
dagen in je straat wil ontmoeten, dan raad ik je stellig aan zoo haast
mogelijk te vertrekken. De val van Antwerpen is beslist. Het is
slechts een kwestie van dagen nog, wat zeg ik, van uren
misschien."
Ik beproefde, zwakjes moet ik zeggen, die stellige verklaringen in
twijfel te trekken, gesteund als ik was door den algemeenen geest
die nog in de stad bleef heerschen en op eene onmogelijke
verlossing wachtte, maar mijn vriend lachtte, ietwat medelijdend,
alsof hij te zeker wist wat ons te wachten stond.
Toen ik weer alleen zat in mijn werkvertrek, werd ik voor 't eerst ten
volle bewust van het onwederroepelijke. Het was hartverscheurend!
Ik voelde mij in de stemming vaneen man, wien de dokter de
ongeneesbaarheid en het aanstaande einde van een geliefd wezen
heeft aangekondigd. Hij staat machteloos bij de sponde, nog gaat
de ademhaling, nog klopt het hart heel zwakjes, maar de
oogenblikken zijn geteld en vallen een voor een in de eeuwigheid
als de laatste korrels van den Zandlooper.
Er was niets meer aan te doen!
O bitterheid der herinnering! Voor twee maanden leefden wij hier
nog in gelukzaligen vrede, waren er schepen op de Schelde uit alle
werelddeelen, klonk de beiaard uit O. L. V. Toren, bewogen de
menschen blij en feestelijk langs de straten, stonden al die oude
huizen en groote kerken daar met hun onveranderbaar gelaat vol
oude rust en zekerheid.
De overweldigers die reeds Luik hadden ingenomen en Leuven en
Brussel en Mechelen en zoovele steden en dorpen op onzen
vadergrond, zouden ook Anwerpen binnenrukken met het hoonend
geluid hunner gillende pijpers, Antwerpen, de stad van Rubens, de
trotsche, blijde stad van stoeten en landjuweelen vol ongeziene
pracht en schittering.
De val dezer stad had een tragischer beteekenis dan die van
andere steden in het land. Zij was ons laatste toevluchtsoord en zij
is gekend over heel de wereld. De waterbanen uit alle zeeën loopen
er henen. De schepen uit Bombay en Calcutta, uit Melbourne en
Valparaiso, uit New-York en Shanghaï hielden den steven naar haar
gewend.
Ik heb deze stad bemind als geen andere op de wereld met eene
liefde van alle dagen en alle nachten. Wanneer ik ver van haar was,
heb ik naar haar verlangd met een ongeneesbar heimwee en,
varend over vreemde zeeën, hoorde ik haar roemen door het
scheepsvolk als een verre droomstad, verholen achter de
eindeloosheid der zoute wateren, in de diepe rustige golf der breede
en kalme Schelde...
En nu is haar val nabij. De zonen van heel het land vermogen niet
haar te redden ten koste van hun bloed...
Waar zijn de millioenen-legers van de Russen, de Franschen, de
Engelschen dat wij zoo gansch alleen aan ons droevig lot zijn
overgelaten. Moet deze stad dan toch onwederroepelijk met hare
onafzienbare kaaimuren en dokken, met hare torens en kerken,
met hare onschatbare kunstgewrochten, de prooi worden van
Duitschland en de uitspattingen zien der onbeschofte vreugde van
een vijandelijken triomf! De klokken uit de domtorens van Keulen en
Aken van Coblenz en Frankfurt, van Berlijn en van Weenen zullen
feestluiden bij den ondergang van dit voor ons onaantastbaar
heiligdom!
Heel den dag vervolgden mij die martelende gepeinzen.
Wanneer ik op straat kwam, las ik verslagenheid op alle gezichten.
Voor het Sint Elisabeth-gasthuis zag ik de tramwagens volladen met
de erbarmelijke vracht van nog hulpbehoevende gekwetsten... Het
ongeluk hing in de lucht. Eene atmospheer van angst, van bange
verwachting drukte zwaar over heel de stad. De dingen die
gebeurden waren te geweldig dat zij niet, zelfs zonder mededeeling
der kranten, op elk burger een weerslag zouden gehad hebben.
Voorgevoel? Telepathie? wat weet ik, maar 't was zeker dat
onze nederlaag op de Nethe en het openkraken onzer sterkste
pantsertorens, ofschoon de menschen er niets juist over wisten, als
door luchttrillingen tot in elk hart den zwaren klop verwekten van de
hevigste ontroering. Zoodat alle menschen dof en moedeloos
gingen loopen met een borst vol nijpend wee.
Ik zocht naar stilte en eenzaamheid. Werktuiglijk gingen mijn
schreden naar de Wilrijcksche poort. In de groene koelte van het
Nachtegaalpark, onder de hooge zwaarruischende beuken van
Middelheim, heb ik zoo dikwijls over mijn leven nagedacht en rust
en sterkte gevonden. Misschien kon ik er nu ook weer tot kalmte
komen met mij zelf en leeren berusten in het Lot. Het zou daar
eenzaam zijn en verlaten. Wie dacht nu in de stad aan die verre-
koele boomen?
Maar ik was nauwelijks de poort uit of ik zag de baan afgesloten
door soldaten en over heel de diepte van den steenweg op Wilrijck,
de dichte drang van vluchtelingen stadwaarts gekeerd. De forten
der tweede verdedigingslijn werden dus onder vuur genomen dat
de dorpelingen van zoo dicht bij Antwerpen reeds op de vlucht
sloegen. Het was een erbarmelijk gezicht: hoogopgestapelde
karren vol meubels en beddegoed, voortgedreven koebeesten en
schapen, handkarretjes met een arme huisraad volgeduwd en
duizenden menschen, wien toegang tot de stad werd ontzegd.
Waar moesten die dompelaars nu heen? Naar het Noorden en het
Westen liepen nog de eenige vrije wegen.
Ik moest terug, er viel niet aan te denken door dat gewoel te
geraken. Ik tramde weer tot in het hart der stad.
Eene groote verrassing wachtte mij daar: de engelsche mariniers
waren aangekomen. De burgers liepen rond in blijde opgewektheid.
De trieste stemming van heel den dag scheen geweken voor eene
nieuwe opleving van hoop. Gezang van Tipperary klonk mij tegen
van uit de kromming der Koornmarkt en weergalmde tegen de oude
trapgevels. Ja, daar waren de Tommys in hunne kakhi-uniformen
en hun flinke stap dreunde door de straat met het gerol hunner
snelvuur-geweren. Zij hadden lachende gezichten, bij 't gejuich en
geroep der links en rechts op de stoepen geschaarde menigte.
Vrouwen wierpen bloemen uit en staken sneukelgoed en vruchten
toe aan de kranig voorbij tiegende jongens. Zware marine-stukken
waren over de vlotbrug van den vlaamschen oever gekomen en
reden nu met een daverend geluid van ijzer over de kasseien der
Suikerrui.
Wij waren dan toch niet heelemaal verlaten. Engeland ten minste
kwam ons ter hulp. De regeering vertrok niet meer en de gasthuizen
werden niet voort ontruimd. Churchill, de lord der engelsche
admiraliteit, was naar Antwerpen gekomen en pleegde reeds
overleg met onzen generalen staf. De zaken gingen een andere
wending nemen onder zijn beheer! Antwerpen was gered!
Het waren de laatste opflakkeringen van hoop, zekere voorboden
van het einde. Ik liet mij niet meer meeslepen in dien laatsten roes.
Ik had de vlucht gezien van duienden aan onze poorten. Ik wist
dat onze vesting openlag voor den vijand. Wat konden 2000
engelschen doen, wanneer vijftig--en honderdduizend niet
voldoende waren geweest om den inval der Barbaren te stuiten. De
avond begon te dalen en de straten lagen wit-grijs in de
deemstering. Toen zag ik op O.L.V. Toren een rood-en-wit-
gekartelde vlag verschijnen. De menschen in hunne vreugde
begrepen niet dat nood-signaal. Het was een voorteeken van het
aanstaande bombardement. De oude eerbiedwaardige steenen van
Antwerpen riepen om genade.