Ik trok 's anderdaags, vrijdag 2 october, rond elf uur in den morgen
met mijn vriend Karel van den Oever, naar de Sint Michielskerk op
het Zuid. Wij hadden afspraak met den kosterszoon om den toren
te beklimmen en van daaruit den aan-gang-zijnden slag aan den
horizont waartenemen. De waterlijding was in Antwerpen geschorst
dien zelfden morgen. De vijand was dus meester van de Nethe. De
strijd om het bezit der stad naderde zonder twijfel de tweede
verdedigingslijn.
De kerk was leeg. Wij vonden langs binnen het torendeurtje en
weldra stonden wij, boven de klokkenkamer, door de hooge rond-
geboogde galmgaten te turen in de richting van Mechelen.
Het duurde een tijd eer wij onzen weg vonden door de wijde
eindeloosheid, die onder onze oogen open lag. Alles smolt in elkaar
tot een olijfgroen landschap, velden, boomen, wegen en verre
dorpjes. Maar op eens kregen wij Sint Rombouts toren in 't gezicht.
Die stond als een hooge af geknotte mast, schalieblauw boven den
einder. Dan zagen wij, laag bij den grond, links van den toren en
naar het Oosten toe, eene golvende wolkenbank met striemingen
van rood licht, het was de vuurlijn. Sint Rombouts stak er boven uit,
alsof die oude steenen reus zelf in 't gedrang was gekomen van zijn
vechtende en stervende kinderen. De aarde scheen aan den
horizont te bewegen en te branden. Immeraan dampten wolken van
witten en blauwen rook omhoog waardoor, af en toe, een roode
lichtflits gleed en de wolkjes roos begloorde. Nader bij Antwerpen
en naar onze schatting boven de streek tusschen Contich en Duffel
steeg een verkenningsballon omhoog en de geel-beglansde worst
ging zweven met den sleep van zijn slank-buigenden kabel, die als
een ragfijne spinnewebdraad op het luchtvlies zichtbaar bleef.
Vreemd hong die wanstaltige massa in het vlekkeloos hemelblauw.
Dadelijk begon daarrond het spelend gedans van de witte wolkjes
der openknarsende shrapnels. Maar de ballon bleef drijven,
ongedeerd, traag wendend en keerend in den wind, boven de
belgische troepen die daar moesten gelegerd zijn.
Wij luisterden aandachtig naar de ruimte met dien gruwelijken dijk
van rook en vuur aan de einder. Maar wij hoorden niets dan het
staag geruisch der groote stad aan onze voeten. Geen enkele, zelfs
gedempte rommeling van kanonnen kwam ons toe van uit de verte.
Heel het land lag eenzaam en schijnbaar zoo rustig.
Vliegeniers kwamen toen aangevlogen, als groote vogels
opduikend uit de luchtdiepten, en streken neer in breede spiralen tot
op het vliegplein van Wilrijck. Het ronken hunner schroeven klonk
nu, heel nabij, als het gedreun van orgels.
De Schelde, waarvan de wit-glimmende wenteling door de wester-
galmgaten te zien was, lag leeg van schepen, verlaten en
naargeestig als een gevloekte stroom. Aan den overkant strekte het
Vlaamsche land, als een grauw-gele woestenij, mijlen en mijlen ver
met de torens van Zwijndrecht, Melsele, Beveren, achter elkaar, en
het donker betooverd puin van Rubenskasteel, heel nabij in de
olijfgroene polders, waardoor wit de grachten blonken. Wij dachten
toen nog niet aan den aftocht van ons leger, dat langs daar zijn
redding zou moeten zoeken in een rusteloozen trek van Antwerpen
tot aan den Yzer, altijd voort altijd voort, zonder genade. Nu kwam
nog niets den vrede van dat land verstooren. De wielschepen van
den overzetdienst deden gezapig hunne reizen over den stroom en
kleintjes klauterden menschen en wagens den steenen dijk op van
Sint Anna.
Hoe sterft toch het grootste getier van wapenen op eenige uren
afstand uit! Ginder heel ver, woedde de slag maar hoe kalm en
ongestoord lag nog de stad en hoe zeker in het midden van die
groote ruimten van vrye ongeschonden velden. Zou daar toch ook
eens slag geleverd worden? Zou ons leger, achteruit wijkend, elk
stuk grond daar, voet voor voet, verdedigen, om den vijand, aan
geen prijs, door te laten tot de stad die nu de laatste wijkplaats was
van het vaderland? Wij bleven hopen zoolang zij niet gevallen was.
Maar toen wij, afgedaald van onzen toren, weer door de straten
liepen, wisten wij maar al te wel hoe dreigend de nood was, Met
eigen oogen hadden wij de vuurlijn gezien. Die lijn zou nauwer en
nauwer toesluiten rond de stad en wat ging dan haar lot zijn
morgen? Wij stapten sprakeloos voort en mijn vriend zag met
weemoed naar de huizen die hij minde en die tot gruis-en steen-
hoopen konden worden neergebeukt.
Ik zat in den nanoen, niet zonder gejaagdheid, de hollandsche
kranten te lezen in den Kunstkring. De "Times" werd niet meer
toegelaten, daar stonden de gebeurtenissen te klaar in beschreven.
Eensklaps dreunde kanongebulder over de stad. Wij sprongen op,
de enkele lezers die daar rustig zaten in de lederen zetels van het
fluisterstille kabinet.
Wij liepen naar een terras op den tuin vanwaar eene wijde
hemelruimte boven de huizen zichtbaar was. Eene duitsche Taube
snorde door de lucht en dreef recht over de plaats waar wij stonden.
Het was de dood die over ons heen vloog, want bommen waren
reeds gevallen en nieuwe bommen konden worden uitgeworpen.
Was het onbedachtzaamheid die ons staan hield onbewogen, terwijl
wij aandachtig door de lucht het spel volgden der omzwevende
wolkjes van de ontploffende schrapnels? Was het een wraakachtig
verlangen den vijandelijken vlieger als een gekwetste vogel te zien
neer tuimelen uit dien blauwen hemel? Was het misschien wel
onverschilligheid voor alle werkelijk gevaar waar toch niets meer
tegen te doen valt? Was het een onbewust vertrouwen dat ons uur
nog niet gekomen was?
Ik dacht aan die zielesterkte waar Marcus Aurelius van gewaagt, die
onbewogenheid der ziel die zich voegt naar hare lotsbestemming en
naar de omstandigheden waar zij geen meesterschap meer over
heeft. Sterven op dat oogenblik, zoo scheen het mij, had toch niets
bitters meer indien het zoo beschikt was.
De Taube ging aan 't stijgen, buiten 't bereik onzer kanonnen en
verdween weldra als een onbeduidend stipje in het wit-blauw der
hemeldiepten. De kanonnen zwegen.
Bommen waren te Berchem gevallen en hadden een vrouw en een
kind gedood. De vijandelijke vliegenier had ook strooibiljetten
uitgesmeten waar op te lezen stond dat de bevolking van
Antwerpen bedrogen werd en de val der stad aanstaande was. Dat
nieuws werd door de bladen met spotternij vermeld. Onze forten
zouden bewijzen of Antwerpen stand hield ja of neen.