XVII-Op Sint-Michielstoren

Ik trok 's anderdaags, vrijdag 2 october, rond elf uur in den morgen

met mijn vriend Karel van den Oever, naar de Sint Michielskerk op

het Zuid. Wij hadden afspraak met den kosterszoon om den toren

te beklimmen en van daaruit den aan-gang-zijnden slag aan den

horizont waartenemen. De waterlijding was in Antwerpen geschorst

dien zelfden morgen. De vijand was dus meester van de Nethe. De

strijd om het bezit der stad naderde zonder twijfel de tweede

verdedigingslijn.

De kerk was leeg. Wij vonden langs binnen het torendeurtje en

weldra stonden wij, boven de klokkenkamer, door de hooge rond-

geboogde galmgaten te turen in de richting van Mechelen.

Het duurde een tijd eer wij onzen weg vonden door de wijde

eindeloosheid, die onder onze oogen open lag. Alles smolt in elkaar

tot een olijfgroen landschap, velden, boomen, wegen en verre

dorpjes. Maar op eens kregen wij Sint Rombouts toren in 't gezicht.

Die stond als een hooge af geknotte mast, schalieblauw boven den

einder. Dan zagen wij, laag bij den grond, links van den toren en

naar het Oosten toe, eene golvende wolkenbank met striemingen

van rood licht, het was de vuurlijn. Sint Rombouts stak er boven uit,

alsof die oude steenen reus zelf in 't gedrang was gekomen van zijn

vechtende en stervende kinderen. De aarde scheen aan den

horizont te bewegen en te branden. Immeraan dampten wolken van

witten en blauwen rook omhoog waardoor, af en toe, een roode

lichtflits gleed en de wolkjes roos begloorde. Nader bij Antwerpen

en naar onze schatting boven de streek tusschen Contich en Duffel

steeg een verkenningsballon omhoog en de geel-beglansde worst

ging zweven met den sleep van zijn slank-buigenden kabel, die als

een ragfijne spinnewebdraad op het luchtvlies zichtbaar bleef.

Vreemd hong die wanstaltige massa in het vlekkeloos hemelblauw.

Dadelijk begon daarrond het spelend gedans van de witte wolkjes

der openknarsende shrapnels. Maar de ballon bleef drijven,

ongedeerd, traag wendend en keerend in den wind, boven de

belgische troepen die daar moesten gelegerd zijn.

Wij luisterden aandachtig naar de ruimte met dien gruwelijken dijk

van rook en vuur aan de einder. Maar wij hoorden niets dan het

staag geruisch der groote stad aan onze voeten. Geen enkele, zelfs

gedempte rommeling van kanonnen kwam ons toe van uit de verte.

Heel het land lag eenzaam en schijnbaar zoo rustig.

Vliegeniers kwamen toen aangevlogen, als groote vogels

opduikend uit de luchtdiepten, en streken neer in breede spiralen tot

op het vliegplein van Wilrijck. Het ronken hunner schroeven klonk

nu, heel nabij, als het gedreun van orgels.

De Schelde, waarvan de wit-glimmende wenteling door de wester-

galmgaten te zien was, lag leeg van schepen, verlaten en

naargeestig als een gevloekte stroom. Aan den overkant strekte het

Vlaamsche land, als een grauw-gele woestenij, mijlen en mijlen ver

met de torens van Zwijndrecht, Melsele, Beveren, achter elkaar, en

het donker betooverd puin van Rubenskasteel, heel nabij in de

olijfgroene polders, waardoor wit de grachten blonken. Wij dachten

toen nog niet aan den aftocht van ons leger, dat langs daar zijn

redding zou moeten zoeken in een rusteloozen trek van Antwerpen

tot aan den Yzer, altijd voort altijd voort, zonder genade. Nu kwam

nog niets den vrede van dat land verstooren. De wielschepen van

den overzetdienst deden gezapig hunne reizen over den stroom en

kleintjes klauterden menschen en wagens den steenen dijk op van

Sint Anna.

Hoe sterft toch het grootste getier van wapenen op eenige uren

afstand uit! Ginder heel ver, woedde de slag maar hoe kalm en

ongestoord lag nog de stad en hoe zeker in het midden van die

groote ruimten van vrye ongeschonden velden. Zou daar toch ook

eens slag geleverd worden? Zou ons leger, achteruit wijkend, elk

stuk grond daar, voet voor voet, verdedigen, om den vijand, aan

geen prijs, door te laten tot de stad die nu de laatste wijkplaats was

van het vaderland? Wij bleven hopen zoolang zij niet gevallen was.

Maar toen wij, afgedaald van onzen toren, weer door de straten

liepen, wisten wij maar al te wel hoe dreigend de nood was, Met

eigen oogen hadden wij de vuurlijn gezien. Die lijn zou nauwer en

nauwer toesluiten rond de stad en wat ging dan haar lot zijn

morgen? Wij stapten sprakeloos voort en mijn vriend zag met

weemoed naar de huizen die hij minde en die tot gruis-en steen-

hoopen konden worden neergebeukt.

Ik zat in den nanoen, niet zonder gejaagdheid, de hollandsche

kranten te lezen in den Kunstkring. De "Times" werd niet meer

toegelaten, daar stonden de gebeurtenissen te klaar in beschreven.

Eensklaps dreunde kanongebulder over de stad. Wij sprongen op,

de enkele lezers die daar rustig zaten in de lederen zetels van het

fluisterstille kabinet.

Wij liepen naar een terras op den tuin vanwaar eene wijde

hemelruimte boven de huizen zichtbaar was. Eene duitsche Taube

snorde door de lucht en dreef recht over de plaats waar wij stonden.

Het was de dood die over ons heen vloog, want bommen waren

reeds gevallen en nieuwe bommen konden worden uitgeworpen.

Was het onbedachtzaamheid die ons staan hield onbewogen, terwijl

wij aandachtig door de lucht het spel volgden der omzwevende

wolkjes van de ontploffende schrapnels? Was het een wraakachtig

verlangen den vijandelijken vlieger als een gekwetste vogel te zien

neer tuimelen uit dien blauwen hemel? Was het misschien wel

onverschilligheid voor alle werkelijk gevaar waar toch niets meer

tegen te doen valt? Was het een onbewust vertrouwen dat ons uur

nog niet gekomen was?

Ik dacht aan die zielesterkte waar Marcus Aurelius van gewaagt, die

onbewogenheid der ziel die zich voegt naar hare lotsbestemming en

naar de omstandigheden waar zij geen meesterschap meer over

heeft. Sterven op dat oogenblik, zoo scheen het mij, had toch niets

bitters meer indien het zoo beschikt was.

De Taube ging aan 't stijgen, buiten 't bereik onzer kanonnen en

verdween weldra als een onbeduidend stipje in het wit-blauw der

hemeldiepten. De kanonnen zwegen.

Bommen waren te Berchem gevallen en hadden een vrouw en een

kind gedood. De vijandelijke vliegenier had ook strooibiljetten

uitgesmeten waar op te lezen stond dat de bevolking van

Antwerpen bedrogen werd en de val der stad aanstaande was. Dat

nieuws werd door de bladen met spotternij vermeld. Onze forten

zouden bewijzen of Antwerpen stand hield ja of neen.

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 18 / 26 题