XIX-De Kardinaal Te Antwerpen

O 't bitter zoete van dien laatsten zondag! Ik wandelde langs de

boulevards, onder de groene platanen. Tot mij kwam het vele

klokgewemel uit de oude stad, alle de klokken der groote kerken die

luidden voor de hoog-mis. Dat gaf altijd eene stemming van

feest, van blijde opgetogenheid, wanneer dan tusschendoor

de schetterende fanfaren van eene voorbijtiegende harmonie

maatschappij uit een verdere straat werden vernomen. Nu

kwam de bittere herinnering op aan vroegere dagen van vrede en

rust. Ik heb mij, kind zijnde, reeds zoo bewust gelukkig gevoeld bij

die bekende klokke-muziek. Ik kende de vrome stemmen uit alle

torens. God! het waren dezelfde zware gonzingen en de heldere

bimbammen van altijd die mij den zondags-hemel blauwer deden

schijnen en van zon de gevels lichter. Nu luidden zij den nood die in

alle harten genesteld zat en 't kwam mij voor dat het blijde

klankgeweef van vroeger bedeesder was geworden en schuchter

om een geluk waarvan de broosheid thans was gebleken. Ons bleef

niets meer dan bitterheid en spijt; de laatste illuzie van een

mogelijke verlossing was nu voor goed dood. De klokken zongen

ons leed.

Wit-en-rood-gekartelde vlaggen staken nu uit op alle publieke

gebouwen. Ik zag er wapperen langsheen mijn wandeling, boven

het Opera, den nederlandschen Schouwburg, het Atheneeum en

dieper in de stad boven Sint Andries, Sint Jacob, en Sint Paulus.

Flink-uitslaande vlaggen wekken altijd een gevoel van fiere

vreugde. Maar nu... dat wit en rood gewemel op de zonnelooze en

parel-grijze lucht deed denken aan de nood-signalen van schepen

die vergaan.

Er was een groote rust overal, een doffe stilte en eene

verschrikkelijke ijlte. Waagden de menschen 't niet meer buiten te

komen en zaten zij te dubben in angstige verwachting achter al die

bleeke zieke gevels van een stad die sterven ging?

Tegen den middag kwam er toch weer beweging in de groote

straten, gingen de menschen met hun zondagschen tred over de

Schoenmarkt en de Meir, toeterden weer de militaire auto 's en

klonken dringender de bellen van de trams door de drukte en 't

rumoer.

De meest besproken gebeurtenis van dien dag was de overkomst

van Kardinaal Mercier naar Antwerpen. Dat gaf gerustheid tot in het

meest dreigende gevaar. De blikken verhelderden. Dat voelden de

menschen toen reeds: de regeering kon gedwongen worden te

vertrekken, de Koning en het leger zouden misschien eerstdaags

de stad en het land moeten verlaten, maar de Kardinaal was een

macht en een kracht die zou blijven en 't ontredderde schip van 't

Vaderland, met zekere hand en vasten blik voort sturen door de

orkaan. Hij had toen nog niet die heldhaftige brieven en protesten

geschreven, uitspraak van den nood, de verzuchtingen en de

verontwaardigingen van een heel volk en die over heel de aarde

weerklank zouden vinden. Hij had zich toen nog niet, met de

imponeerende grootschheid van zijn onkreukbaar gezag, tegen

duitsche dwingelandij en willekeur gesteld en woorden gesproken

die ontzag en eerbied afdwongen en hem maakten, in afwezigheid

van den Koning en de regeering, tot den Regent van het verdrukte

en platgetrapte België, veel meer nog, tot de hoogste en zuiverste

zedelijke macht, eenige toevlucht nog van het Recht en de

Rechtvaardigheid en die als een arke Noachs zou uitsteken boven

de wateren van den nieuwen zondvloed van alschrikkelijkheden die

Europa gingen overweldigen en weldra de heele wereld.

Maar toen reeds was er glorie rond hem. Keerde hij niet pas weer

uit Italië, waar hij bijna tot Paus van Rome werd verkozen, bij eene

eerste stemming der fransche kardinalen in het jongste konklaaf.

Frankrijk en Engeland hadden hem toegejuicht op zijn terugtocht,

die werd als een triomf. En nu zou hij pontificeeren in de

antwerpsche kathedraal en openbare gebeden opdragen voor het

behoud der stad in haren uitersten nood.

Ik ging er heen. De reusachtige kerk was proppensvol. Ik vond met

moeite slechts een plaatsje om tegen een der laatste pijlers te

leunen, van waar ik de zee van menschen overzag die de zeven

beuken vulden. Ik kon niets waarnemen van den dienst in de O. L.

V. Kapel, niets dan de felle gloed der vele kaarsen op het wit-

marmeren autaar, onder het donkere gewelf. Het orgel dreunde en

de choralen zongen.

Toen plots, in de plechtige stilte die volgde, klonk de stem van den

Kardinaal die de liturgische gebeden psalmodieerde.

Er ging een schok door mijn lijf. Ik dacht mij weer in het Paus

college te Leuven, waar ik diezelfde stem gehoord had, twee jaar

lang, bij de verklaring der wijsbegeerte. Ik deed mijn oogen toe. De

oorlog was ver van mijn gedacht. Ik zag het vroeg-verouderde

gelaat van mijn professor met de onvergeetbaar-zachte en diepe

oogen, het beenderige gelaat met den machtigen schedel en het

vooruitspringende stralende voorhoofd, waarover soms een lange

grijze haarvlecht neerzakte en dat ging versmallen naar den milden,

goeden mond met de zware onderlip boven de wilskrachtige kin.

De twee diepe groeven, die van den scherpen neus naar de

mondhoeken daalden, waren de zekere teekens van een ascetisch

leven vol grondige overpeinzing. Ik zag weer zijne groote magere

witte hand die, betoogend opgeheven, toen reeds was als de

zegening van een middeleeuwschen kerkvader. Ik dacht hoe ik

soms, na de lessen, naast zijne hooge eerbiedwaardige gestalte

geloopen had, van het Paus-college naar de Vlaming-straat,

pratend over mijn twijfelend gemoed of over lezingen die ik toen

deed van Péladan en Léon Bloy en hoe zijn groot hart luisterde naar

mijne jonge en onbesuisde woorden. Ik zag hem weer terug in zijn

neo-gotisch huisje van het Leo XlII instituut, waar hij mij eens

ontving en sprak over een zeldzaam werkje van St Thomas, De

Pulchro et Bono en waar geschilderde reducties hongen van

diezelfde Kruis-oprichting en Afdoening van Rubens die hier thans

uit de kerk waren weggeruimd. Zijn leerend woord had velen van

het jong geslacht gevormd die nu leden en streden voor het

Vaderland. Zou ik ook misschien mijn bloed eens moeten geven?

Het lof was ten einde. De deken van Antwerpen zei de laatste

gebeden. Luider dan de andere aanroepingen klonk het: Spaar

heer, spaar uw volk, wil in eeuwigheid U niet vertoornen tegen ons...

Het was waarlijk de smachtende verzuchting nu der duizenden die

hier baden in deze oude kathedraal, terwijl een woeste en

bloedgierige vijand met kanongebulder dreeg aan de poorten van

de stad. Dat was als de echo, over eeuwen, van die algemeene

smeeking die eens ging door oude abdijen en kloosterkerken: Van

de woede der Noormannen verlos ons Heer!

Er kwam woeling onder het volk, wegen werden gebaand door de

dichte drommen om de processie door te laten die nu, met vanen

en flambouwen en gezang, traag kwam getogen uit den ommegang

van het verre koor, tot de uiterste diepten der groote kerk. Het

goudlaken der koorkappen van de zingende priesters glom in 't licht

der wassen kaarsen. Onder een zijden baldakijn ging de Kardinaal

met de blinkend-gouden remonstrans in handen. Belgerinkel trilde

en damp van wierook steeg geurend omhoog en hing te drijven

door de beuken.

Ik ging de kerk uit en wilde naar het zuider-wandel-terras aan de

Schelde. De nauwe straatjes die de kathedraal omgeven krielden

van het volk. Over de Koornmarkt en langs de Suikerrui reden

zwaar-daverende londensche autobussen, met de kleurig-beschilderde

reclame-borden, en waar de aanwijzingen van London bridge, Liverpool

street, Charing Cross of Golders Green nog op te lezen stonden. Zij

waren van binnen volgeduwd met oorlogsmateriaal en buiten, op de

hooge impériales zaten de kakhi-soldaten en lachten lustig naar

de opgetogen wandelaars.

Het wandelterras zag zwart van het vriemelende volk. Over de

deinende houten brug voor het Steen, kwamen de laatste roode-en-

gele autobussen van den vlaamschen oever aangerold. De late zon

speelde met gulden schijnen op de wemelende menigte. Ik had nog

even den vluchtigen indruk van eene blij-levende stad langs den

glorierijk-begloorden Schelde-stroom.

Heerlijk avonduur dat argeloos genoten werd, dien laatsten zondag

in het vrije Antwerpen! Wat zou de dag van morgen brengen?

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 20 / 26 题