Het verlangen om mij met eigen oogen van den toestand te
overtuigen bracht mij weer eens buiten de poorten.
Ik had gelegenheid om in den vroegen morgen van 1 october met
een proviand-trein mee te rijden tot Hemixem, op de Schelde,
zuidwest van Antwerpen.
Ik zag een paar forten der tweede verdedigingslijn. Die lagen rustig
nog en zoo vereenzaamd in de ringsom open gelegde velden. De
harde vlakke beton-bouwen staken witgrijs omhoog uit het frisch-
groen gras der aarde-werken. Maar ik wist nu wat hun sterkte te
beduiden had wanneer eens het geweld en de verschrikking van
den nieuwen oorlog errond zouden komen spoken.
Onze trein was pas in het goederen-station toegekomen, of ik zag,
over den steenweg uit Hemixem-dorp, een onafzienbare sleep auto
's en motorwagens, in een rosse stofwolk, komen aangereden. Dan
volgden ook nog vele leverancie-wagens, door paarden getrokken
en waar de firma's van groote warenhuizen uit Brussel of Antwerpen
nog op te lezen stonden met, in een hoek, de haastig-overgeschilderde
aanwijzing van den legerdienst waarvoor zij werden gerekwireerd.
Het lossen van den trein begon en elke wagen kreeg zijne vracht:
amunitie-brooden met duizenden, zakken met peulvruchten,
aardappelen en haver, eetwaren in blikjes, bussen met naphta en
wat weet ik nog, hoopen en hoopen van alle soort proviandeering
die dagelijks door een leger verslonden wordt.
Ik stapte het station uit in de richting van Hoboken. Over de lege
gronden langs de baan, bewogen pelotons rekruten, nog in hun
burgerpak en die door onderofficieren gedrild werden. De bevelen
klonken schreeuwerig door de lucht.
Van uit Hoboken vertrok een houten brug-op-schepen over de
Schelde naar Cruybeke, waar het rustig veermanshuis, met zijn
witten gevel en rood dak, zoo schilderachtig boven den groenen dijk
uit stak. Vele rekruten liepen hier ook te kuieren nabij de
aanlegplaats of keken naar den traag vlietenden breeden stroom.
Enkele waren reeds voorzien van een stuk militaire kleeding, een
muts of een tuniek of een ceinturon. Die waren de strijders van
morgen, de slachtoffers ook misschien van dezen gruwelijken
oorlog die als een onverzaadbare Moloch al het jonge volk, de
bloem van een volk verslindt. Ik erkende een paar vrienden,
gelukkig wat te kunnen praten. Zij gingen misschien morgen naar
Oostende vertrekken of verder naar Frankrijk, in een kamp, om hun
leertijd uit te doen. In onzen afscheidshanddruk, in onze oogen was
er iets van vrees, van onzekerheid of wij elkaar nog ooit wel zouden
weerzien.
Stroomopwaarts, uit de richting van Rupelmonde en Bornhem,
kwam bij poozen het gebrom van het kanon, hier duidelijk hoorbaar.
Het scheen mij zelfs dat er in de verte wolken van rook opdampten
boven den vlaamschen oever. Maar nergens toch de minste
ontsteltenis, noch bij de burgers, noch bij de soldaten; en ik wist
nochthans dat onze uiterste fortenmuur, in den derden en vierden
sector, nagenoeg geheel openlag en de vijand ons veldleger over
de Nethe had gedreven.
Tegen den middag was ik weer terug met mijn trein in de stad. In
den namiddag trok ik nog eens naar Cappellenbosch. Ginder in het
Noorden der antwerpsche vesting viel misschien eenige weerslag
der gebeurtenissen waar te nemen, werden mogelijk aanstalten
gemaakt voor den aftocht van het leger.
Ik vond soldaten langs alle wegen. Het dorp Cappellen was als een
kamp, zoo liep het er vol. Mannen die vrij-af hadden, kuierden door
de nog gespaarde bosschen. Hier en daar ook een die bezoek had
van zijn vrouw of zijn lief. Die zaten dicht bij elkaar op den boord
eener gracht of op den stam van een neergevelden boom, te praten
of wat lekkers op te eten dat de vrouw, wie weet van hoe ver, in een
zorgelijk toegeknoopt pakje had meegebracht.
Ik kwam weer op ons landhuis. Hoe verlaten en naargeestig lagen
de kamers. De meubels stonden er doelloos. In de stilte hoorde ik
eene oude eiken kast kraken alsof er een ziel uit spreken wilde.
Boeken lagen links en rechts om nooit meer gelezen te worden.
Ik haakte een gekleurde plaat van den rooden muur in mijn
werkvertrek. Dit zou ik toch nog meenemen als herinnering. Het
was de blijde geboorte van Botticelli. Voor de kribbe met Maria,
Jozef, het kindeken en de goedaardige dieren, waren engelen
die de herders omarmden en kusten: Vrede den menschen van
goeden wil... Ik dacht aan geluk om schoonheid, geluk om liefde...
Het is geweest! Het is geweest! Wanneer kennen wij nog eens den
vrede en de weelde van het stille genot! Mijn keel was
toegeschroefd van weerhouden snikken. Ik voelde de groote
droefheid die over heel de wereld weegt. Ik hoorde in mijn
verbeelding het almachtig rumoer der millioenen legers, het
gedreun der regimenten het gerol der kanonnen en oorlogswagens,
over alle wegen van Europa. Waar is de stilte, de verrukking die
eens toch mijn bezit was?
Ik sloot de deur op den hof, waar de avond begon te dwalen en gele
schijnen van den hemel nog lichtten uit het vlakke donkere water
van den vijver.
Over den steenweg van Cappellen naar Esschen waren toen reeds
vervoerdiensten met postkoetsen ingericht om het opgeschorste
treinverkeer te vervangen. Ik kwam er een paar tegen op weg naar
de grens. Vele menschen trokken ook te voet dien kant op. Het was
een achtiend-eeuwsch gezicht, dat reizen te voet en te paard en
met de traag rijdende koetsen. Menschen die elkaar vervoegden
langs de baan begonnen te kouten en zetten samen de lange reis
voort. Mij reed een witte huifkar voorbij met een dikke bruine merrie
bespannen. Er zaten twee kloosterzusters in en die vroegen of ik
niet mee wilde tot Cappellen. Mijn uniform wekte goedhartigheid. Ik
nam mijn plaats in nevens den voerman.
In de vallende duisternis schenen de wachtposten, aan de aarde-
poorten op den weg, oktrooien uit den ouden tijd, die voor de
kasteelheeren tol hieven op de trekkende reizigers. Onze papieren
werden nagezien en de zusters deelden telkens appelen en peren
uit, aan de van dienst-zijnde soldaten. Zij stapten af voor de poort
van haar klooster te Cappellen en ik ging de trein nemen tot
Antwerpen.
Maar niets toch had ik gezien dat op ontreddering geleek. Alles was
rustig nog alsof het zoo nog weken kon voortgaan.