XV-Inferno

Ik bezocht 's anderdaags, 30 September, een paar ambulances in

de stad. Nieuwe zieken en gekwetsten waren daar toegekomen.

Hier was ik zeker de meest betrouwbare getuigen te vinden van

hetgeen binst de laatste dagen gebeurd was. Er waren afschuwelijk

verminkten die ik eerbiedig en zwijgend moest voorbijgaan. Ik zag

een jonge man, bleek en vaal en als levenloos, met een bloedig-

verbrijzelden arm, op een ziekewagentje naar de operatie-zaal

voeren. Maar een bevriend dokter bracht mij in een zaal waar

soldaten lagen die heelemaal of bijna niet gekwetst waren, maar in

een zenuw-crisis van het slagveld werden weggevoerd en nu nog

over heel hun lichaam beefden, terwijl hunne wijd-open oogen idioot

keken van de verschrikking die zij hadden doorgemaakt.

Zij kwamen meestal uit de forten van Waelhem, Sint Kathelijne

Waver, Koningshoyckt en Lier. Op onze vragen vertelden zij, met

een terughoudenheid alsof het niet mocht, hoe het er geheel

onhoudbaar was geworden. Vijf uur aan elkaar waren de bommen

op en rond hunne koepels gevallen. Van een soldaat uit het fort van

Lier, die als bij mirakel slechts lichte kneuzingen had opgeloopen,

vernamen wij hoe de pantsertoren van zijn fort als door een

reuzenhand werd uit zijn put gerukt en weggeslingerd.

Er waren ook soldaten die bij de troepen hoorden die de

tusschenruimten der uiterste fort-lijn verdedigden. Hunne haastig-

aangelegde loopgraven werden zoo hevig onder vuur genomen dat

alles weldra lag dooreen geschoten tot een strook land van

onzeggelijke en gruwzame wildernis.

Doch ik zal nooit het gezicht vergeten van die twee kanonniers die

uit de forten van Dorpsveld en Boschbeek geraakten. Hunne

gelaten waren geheel vertrokken en vervormd van het afgrijselijke

dat zij hadden doorleefd. Het scheen alsof zij uit een hel waren

gekomen waarvan de ontzetting hun nog als een nachtmerrie

vervolgde.

Het was niet gemakkelijk iets van ze te vernemen. Met nog

bevende lippen gingen zij eindelijk toch aan 't praten. Zij wisten niet

meer wat rondom hen te velde gebeurde. Zij hoorden slechts de

aanhoudende losbrandingen die alles daveren deden, als bij een

aardbeving. De koepel, waarin zij als het ware gevangen zaten te

midden der ongeloofelijkste ontketening van helsch geweld, was als

een schip dat geschud en gebeukt werd in den vreeselijksten storm.

Het gefluit en gesis der kogels, het geronk der snelvuurgeweren

joeg als rukwinden om hen heen. Zij konnen met moeite slechts

naast hunne stukken blijven, zoo helden zij langs alle kanten, zoo

begon de vloer onder hunne voeten te deinen, zoo begonnen de

wanden rondom hen te bewegen en te kraken. "Eindelijk" zoo

vertelde eene, "is onze koepel in breede scheuren opengesprongen."

Uit de woorden van den andere kon ik opmaken dat de massieve-

betonbouw van zijn fort in den grond zonk als onder de macht van

een reusachtigen plethamer.

Geen enkel bepaald nieuws in de bladen over al het gruwelijke dat

aan 't gebeuren was. Integendeel de bladen meldden dat de forten

onbeschadigd waren. In de kranten van donderdag avond 1

October stond zelfs te lezen dat er nog steeds verschrikkelijk

gevochten werd ten zuiden van de Nethe. Ons leger had wel de wijk

genomen tot aan deze rivier, maar de forten van Lier en

Koningshoyckt hielden den vijand in bedwang, die, tusschen

Tallaert en Lier, met bloedige verliezen werd achteruit gedreven.

De gemoederen werden nog maar steeds gerust gesteld. Ik dacht

bij mij zelf: wat een neerzinking, wat een paniek zal dat worden

wanneer de volle waarheid eens toch zal bekend geraken.

Ondertusschen bleef het een vaderlandsche plicht die waarheid te

verzwijgen of te loochenen. Een burger die uit de omstreken der

vuurlijn kwam en aan een kennis op de tram vertelde dat ons leger

overmand was, het niet langer meer kon uithouden en weldra

achter de Nethe een wijkplaats zou moeten zoeken, hoorde ik heftig

toespreken door een reiziger: dat het leugens waren om de geesten

te verwarren en te ontmoedigen, dat hij te zwijgen had, of dat hij

zou weten waar hem aan te klagen.

Waar zouden de menschen met zulke voorlichting, met zulke

gemoedsgesteltenis, een zekerheid gevonden hebben, wanneer nu

toch elk uur het bestaan der stad, de onafhankelijkheid van het land

kon beslist worden.

Toen ik weer huiswaarts trok dien avond scheen het mij of ik met

een verschrikkelijk geheim rond liep en ik vroeg mij zelf af of

ik uit geen akelige droom was ontwaakt. Want heel die groote

overbevolkte stad rondom mij leefde voort van gissingen, van

tegenstrijdige geruchten en, schier onaangetast, bleef het

vertrouwen in de onverwinbaarheid der steeds geroemde antwerpsche

vesting.

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 16 / 26 题