De tragische dagen waren thans begonnen. Sedert 28 September
hoorden wij, zonder ophouden, het doffe brommen der kanonnen.
Sedert het bombardement van 't jaar 30 had Antwerpen dergelijk
geluid niet meer vernomen. Sedert den franschen tijd was het
geleden dat wij nog belegerd werden. De gang van den tijd bracht
weerom den oorlog rond onze wallen met een nieuw en nooit-
vermoed geweld.
Overdag scheen het wel te bedaren, het gerij en het menigvuldige
leven der groote stad smoorden de verdere geluiden. Maar tegen
den avond en binst den nacht ging het eendelijk gebons als van
zware deuren, toeslaande op het steenen gewelf van oude kelders.
Het brutale was daar bezig, het gebas der oorlogsbeest, ginder aan
de uiterste grenzen der antwerpsche vesting.
Waren het de duitsche stukken van 42. die wij hoorden? Waren het
onze forten of onze veldkanonnen die antwoordden? Het kon niet
goed uitgemaakt worden, 's nachts te Antwerpen. Tusschen slaap
en wake kwam het ons wel voor als een ver onweer, een staag
gerommel van donder, waar wij aan wenden, dat ons plots weer
opviel, bij 't ontwaken, en, in de duizeling, ons voorkwam als het
gonzen van de lucht zelf. Het scheen mij soms dan ook alsof wij
waren als vervolgde menschen, die met hun nog geredde schatten
gevangen zaten in diepe donkere katakomben, waar zij nog wel
door de duistere gangen en onder de lage gewelven konden
bewegen, maar nooit meer zouden uitgeraken, en aan de uiterste
poorten hooren zij het onverbiddelijk gebeuk van den vijand die elk
oogenblik kan binnenstormen met roof en verdelgingszucht...
Het was nacht rondom ons, ook overdag. Want wij kregen weinig of
geene berichten over die beslissende mokerslagen die op onze
gepantserde borstweer werden toegebracht.
Maar zonder juist nieuws voelde eenieder dat er iets geweldigs aan
't gebeuren was en spijts de hoopvolle zekerheden die de burgers
elkaar lieten opdringen, hing er als een gedurige angst in de lucht.
Ik had eene nieuwe bediening gekregen. Met enkele andere
advocaten werd ik aangesteld als burgerlijk afgevaardigde van den
krijgsgouverneur om toezicht uit te oefenen op de duitsche
handelshuizen waarvan de firmanten waren uitgedreven of in
hechtenis genomen. Mijn werk was thans vrijer dan wanneer ik heel
den dag als tolk of griffier in 't gevang doorbracht. Ik was aldus in de
gelegenheid mij een klaarder denkbeeld te vormen van den
algemeenen toestand en het uitzicht van Antwerpen. Ik lag als het
ware aan het hart van de stad en hoorde haar harteklop. Ik liet in mij
hare gevoelens terugwerken van angst en van vertrouwen. Elke
dag zou voortaan in mijn geheugen aangeteekend blijven met eene
kapitale gebeurtenis; elke dag zou ik een nieuw vertrouwen zien
onstaan of een laatste hoop zien verijdelen tot het noodlottig uur
van den onwederroepelijken ondergang.
Op dinsdag, 29 September, liep het gerucht in de stad dat Lier
was gebombardeerd. De bevolking was gevlucht en ondanks de
strengste maatregelen om de vluchtelingen den toegang tot
Antwerpen te beletten waren er vele door geraakt. Zij vertelden, hier
en daar, wat zij gezien hadden en beleefd. Er viel niet meer aan te
twijfelen. De mare verspreidde zich als loopend vuur.
De Duitschers naderden dus Lier! Elke Antwerpenaar is er
meermaals te voet of per fiets naar toe getrokken, kent de rust van
het begijnhof, de groote koele Sint Gumarus kerk vol zware pracht,
de boompjes langs de Nethe, de steenen brug, de winkeltjes met
de beroemde liersche vlaaikens... De bommen vielen daar te
midden dat oude stille leven. Dat was bij de deur. Eene groote
verslagenheid begon in de stad te heerschen.
In 't naar-huis-keeren, den nanoen van dien dag, zag ik door de
Huidevettersstraat een auto rijden met burgerwachten van Lier. Een
bevriend kunstschilder zat er bij en die wuifde naar mij toe met een
duitsche pin-helm als een glorierijke tropee. Die namen het dan toch
luchtig op. Zou het gerucht misschien niet overdreven zijn? Werd de
vijand mogelijk teruggeslagen?
Thuis vond ik, in mijn werkkamer, een motocyclist-vrijwilliger die een
zending volbracht had bij den generalen staf en van den tijd die
hem overbleef gebruik maakte om mij met een hartelijk bezoek te
verrassen. Die scheen aan de verschrikkingen van den oorlog
reeds heelemaal gewend te zijn, want zonder de minste ontsteltenis
vertelde hij mij, voor waar, dat ons leger ten zuiden van Mechelen
had moeten wijken en op 28 September het bombardement van
Waelhem en St Kathelijne Waver was begonnen. De welgerichte 42
cm. bommen hadden, zoo verzekerde hij mij, denzelfden dag nog
die twee forten bijna onbruikbaar gemaakt.
"Het is geen spel meer hoor, gelijk het ginder thans toegaat.
Wanneer de zware stukken, die daar ievers beneden Mechelen, op
béton-vloeren moeten staan, hunne reusachtige projectielen doen
neerkomen rond onze forten, dan springen er torenhooge fonteinen
van aarde in de lucht. Sneltreinen voor Antwerpen zoo hebben wij
die bommen gedoopt, zoo snorren zij door de lucht met eene
verbazende snelheid, zoo razen zij door den hemel met een
vervaarlijk geluid. In den avond ziet ge de dorpen met roode
vlammen branden op een horizont van lood. De menschen slaan
overal op de vlucht onder een regen van shrapnels."
Ik was nog niet van mijn verslagenheid bekomen toen mijn vriend,
voor mijn drempel, luchtig en welgezind op zijn motor sprong en
tuffend de straat uitreed. Van een voorbij-rennende kranten-
verkooper kocht ik een blad en er stond in vette letters op te lezen
dat de forten van Liezele, Breendonck en Bornhem hardnekkig
stand hielden en een aanval van den vijand, te Blaesveld met
verschrikkelijke verliezen werd teruggeslagen. Hetgeen naderhand
ook wel waar bleek. Doch waarom de andere droever waarheid
verzwegen? waarom de menschen in dwaling laten verkeeren? Zoo
moest ik van mijn huisgenooten dien avond aan tafel hooren dat zij
van verschillende kanten vernomen hadden dat Von Beseler aan
den commandant van Waelhem voorstellen zou gedaan hebben
om zijn fort over te geven maar deze, sterk in zijn hoop het uit te
houden, kranig zou geweigerd hebben; wat dachten die Duitschers
wel!
Zulke voorstellingen bleven ingang vinden bij velen, schenen zelfs
meer dan waarschijnlijk. De menschen grepen naar goed nieuws
als drenkelingen naar een plank. Wij zouden nu wel gaan zien
dat de oninneembare vesting van Antwerpen te vergeefs werd
aangetast. Aan omsingelen en uithongeren viel immers niet te
denken, zoo oreerden de kamerstrategen. Waarom vertwijfelen?
Die er anders over dachten, waren slechte vaderlanders. Die ander
nieuws rondstrooiden waren onruststokers, verspieders, landverraders
en die moesten worden aangeklaagd.