XIV-De Beschieting Der Forten

De tragische dagen waren thans begonnen. Sedert 28 September

hoorden wij, zonder ophouden, het doffe brommen der kanonnen.

Sedert het bombardement van 't jaar 30 had Antwerpen dergelijk

geluid niet meer vernomen. Sedert den franschen tijd was het

geleden dat wij nog belegerd werden. De gang van den tijd bracht

weerom den oorlog rond onze wallen met een nieuw en nooit-

vermoed geweld.

Overdag scheen het wel te bedaren, het gerij en het menigvuldige

leven der groote stad smoorden de verdere geluiden. Maar tegen

den avond en binst den nacht ging het eendelijk gebons als van

zware deuren, toeslaande op het steenen gewelf van oude kelders.

Het brutale was daar bezig, het gebas der oorlogsbeest, ginder aan

de uiterste grenzen der antwerpsche vesting.

Waren het de duitsche stukken van 42. die wij hoorden? Waren het

onze forten of onze veldkanonnen die antwoordden? Het kon niet

goed uitgemaakt worden, 's nachts te Antwerpen. Tusschen slaap

en wake kwam het ons wel voor als een ver onweer, een staag

gerommel van donder, waar wij aan wenden, dat ons plots weer

opviel, bij 't ontwaken, en, in de duizeling, ons voorkwam als het

gonzen van de lucht zelf. Het scheen mij soms dan ook alsof wij

waren als vervolgde menschen, die met hun nog geredde schatten

gevangen zaten in diepe donkere katakomben, waar zij nog wel

door de duistere gangen en onder de lage gewelven konden

bewegen, maar nooit meer zouden uitgeraken, en aan de uiterste

poorten hooren zij het onverbiddelijk gebeuk van den vijand die elk

oogenblik kan binnenstormen met roof en verdelgingszucht...

Het was nacht rondom ons, ook overdag. Want wij kregen weinig of

geene berichten over die beslissende mokerslagen die op onze

gepantserde borstweer werden toegebracht.

Maar zonder juist nieuws voelde eenieder dat er iets geweldigs aan

't gebeuren was en spijts de hoopvolle zekerheden die de burgers

elkaar lieten opdringen, hing er als een gedurige angst in de lucht.

Ik had eene nieuwe bediening gekregen. Met enkele andere

advocaten werd ik aangesteld als burgerlijk afgevaardigde van den

krijgsgouverneur om toezicht uit te oefenen op de duitsche

handelshuizen waarvan de firmanten waren uitgedreven of in

hechtenis genomen. Mijn werk was thans vrijer dan wanneer ik heel

den dag als tolk of griffier in 't gevang doorbracht. Ik was aldus in de

gelegenheid mij een klaarder denkbeeld te vormen van den

algemeenen toestand en het uitzicht van Antwerpen. Ik lag als het

ware aan het hart van de stad en hoorde haar harteklop. Ik liet in mij

hare gevoelens terugwerken van angst en van vertrouwen. Elke

dag zou voortaan in mijn geheugen aangeteekend blijven met eene

kapitale gebeurtenis; elke dag zou ik een nieuw vertrouwen zien

onstaan of een laatste hoop zien verijdelen tot het noodlottig uur

van den onwederroepelijken ondergang.

Op dinsdag, 29 September, liep het gerucht in de stad dat Lier

was gebombardeerd. De bevolking was gevlucht en ondanks de

strengste maatregelen om de vluchtelingen den toegang tot

Antwerpen te beletten waren er vele door geraakt. Zij vertelden, hier

en daar, wat zij gezien hadden en beleefd. Er viel niet meer aan te

twijfelen. De mare verspreidde zich als loopend vuur.

De Duitschers naderden dus Lier! Elke Antwerpenaar is er

meermaals te voet of per fiets naar toe getrokken, kent de rust van

het begijnhof, de groote koele Sint Gumarus kerk vol zware pracht,

de boompjes langs de Nethe, de steenen brug, de winkeltjes met

de beroemde liersche vlaaikens... De bommen vielen daar te

midden dat oude stille leven. Dat was bij de deur. Eene groote

verslagenheid begon in de stad te heerschen.

In 't naar-huis-keeren, den nanoen van dien dag, zag ik door de

Huidevettersstraat een auto rijden met burgerwachten van Lier. Een

bevriend kunstschilder zat er bij en die wuifde naar mij toe met een

duitsche pin-helm als een glorierijke tropee. Die namen het dan toch

luchtig op. Zou het gerucht misschien niet overdreven zijn? Werd de

vijand mogelijk teruggeslagen?

Thuis vond ik, in mijn werkkamer, een motocyclist-vrijwilliger die een

zending volbracht had bij den generalen staf en van den tijd die

hem overbleef gebruik maakte om mij met een hartelijk bezoek te

verrassen. Die scheen aan de verschrikkingen van den oorlog

reeds heelemaal gewend te zijn, want zonder de minste ontsteltenis

vertelde hij mij, voor waar, dat ons leger ten zuiden van Mechelen

had moeten wijken en op 28 September het bombardement van

Waelhem en St Kathelijne Waver was begonnen. De welgerichte 42

cm. bommen hadden, zoo verzekerde hij mij, denzelfden dag nog

die twee forten bijna onbruikbaar gemaakt.

"Het is geen spel meer hoor, gelijk het ginder thans toegaat.

Wanneer de zware stukken, die daar ievers beneden Mechelen, op

béton-vloeren moeten staan, hunne reusachtige projectielen doen

neerkomen rond onze forten, dan springen er torenhooge fonteinen

van aarde in de lucht. Sneltreinen voor Antwerpen zoo hebben wij

die bommen gedoopt, zoo snorren zij door de lucht met eene

verbazende snelheid, zoo razen zij door den hemel met een

vervaarlijk geluid. In den avond ziet ge de dorpen met roode

vlammen branden op een horizont van lood. De menschen slaan

overal op de vlucht onder een regen van shrapnels."

Ik was nog niet van mijn verslagenheid bekomen toen mijn vriend,

voor mijn drempel, luchtig en welgezind op zijn motor sprong en

tuffend de straat uitreed. Van een voorbij-rennende kranten-

verkooper kocht ik een blad en er stond in vette letters op te lezen

dat de forten van Liezele, Breendonck en Bornhem hardnekkig

stand hielden en een aanval van den vijand, te Blaesveld met

verschrikkelijke verliezen werd teruggeslagen. Hetgeen naderhand

ook wel waar bleek. Doch waarom de andere droever waarheid

verzwegen? waarom de menschen in dwaling laten verkeeren? Zoo

moest ik van mijn huisgenooten dien avond aan tafel hooren dat zij

van verschillende kanten vernomen hadden dat Von Beseler aan

den commandant van Waelhem voorstellen zou gedaan hebben

om zijn fort over te geven maar deze, sterk in zijn hoop het uit te

houden, kranig zou geweigerd hebben; wat dachten die Duitschers

wel!

Zulke voorstellingen bleven ingang vinden bij velen, schenen zelfs

meer dan waarschijnlijk. De menschen grepen naar goed nieuws

als drenkelingen naar een plank. Wij zouden nu wel gaan zien

dat de oninneembare vesting van Antwerpen te vergeefs werd

aangetast. Aan omsingelen en uithongeren viel immers niet te

denken, zoo oreerden de kamerstrategen. Waarom vertwijfelen?

Die er anders over dachten, waren slechte vaderlanders. Die ander

nieuws rondstrooiden waren onruststokers, verspieders, landverraders

en die moesten worden aangeklaagd.

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 15 / 26 题