Was het om den moed er in te houden dat deze vertooning was
bevolen geworden? Want het begon er alles behalve triomfantelijk
uit te zien te Antwerpen. De havelooze kudden van vluchtelingen
die elken dag toekwamen waren het hartverscheurend bewijs hoe
verschrikkelijk het land geweld leed onder den knel van den
overweldiger. Toen Leuven en Aerschot werden in brand gestoken,
toen Dendermonde werd verwoest, toen Mechelen onder vuur werd
genomen, moesten er dringend maatregelen getroffen worden
opdat die gedwongen volksverhuizingen, die haar heil en toevlucht
zochten in de schijnbare zekerheid eener vesting, de reeds
omsingelde stad niet zonden overbevolken en tot hongersnood
brengen. Met heele drommen werden zij voortaan naar Oostende
gevoerd en op schepen gezet in bestemming voor Bngeland. Een
dag zag ik hoe de gevluchte Mechelaars in vergadering bijeen
geroepen waren op het Groen Kerkhof en door hun burgemeester
werden aangemaand terug hunne haardsteden te betrekken of naar
Engeland af te reizen. De Groote Markt stroomde vol, elken dag,
van menschen die uitwijkingspassen wilden bekomen. Lijk kudden
vee stonden zij gestapeld tusschen bareelen om beurt om beurt in
de bureelen te worden toegelaten. Er kwam een angst onder de
bevolking en steeds geraakten er meer huizen dood van bewoners
en als voor rouw gesloten. Die vluchtenden werden door de
overblijvenden doorgaans slecht besproken als laffelingen of
broeksch... zooals het woord door de dagbladen gangbaar was
gemaakt. Was de duitsche nederlaag niet aanstaande? Was ons
leger niet ongeschonden? Was Antwerpen geen oninneembare
vesting?
Maar zij die bleven begonnen toch ook teekens van bekommernis
te geven. Hier en daar werd al een vlag ingehaald aan een gevel. Ik
hoorde van menschen die hunne rijkdommen in den grond hadden
gedolven, die hunne wijnkelders lieten toemetselen, die
kunstvoorwerpen naar de brandkasten der bankhuizen droegen. Na
het eerste Zeppelin-bezoek hadden zich ook vele luidjes in hunne
kelders gehuisvest. Een zedig zinken kachelpijpje klom verstoken
van uit den keldermond tot op de eerste verdieping en liet
vermoeden hoe zelfs voor verwarming was gezorgd. Er waren
kelders die als recht-gezellige huiskamertjes waren ingericht met
schapraaien, tafels stoelen, lampen en tapijten onder den voet. Er
waren ook menschen die hunne daken van metalen platen lieten
voorzien en met aardzakjes bedekken tot eene bom-vrij-gewaande
beschutting.
Het werd treuriger en treuriger. De afwezigheid van alle ernstig
nieuws op een oogenblik der voor het vaderland geweldigste
gebeurtenissen, deed ons onder eene ondragelijke drukking leven.
Het was een sombere tijd en wij dronken lavende teugen aan
troebele en onzuivere bronnen van hoop, om weer dorstig een
oogenblik nadien en in de zwartste neerslachtigheid neer te zitten.
De geestdrift der eerste dagen was nu gekoeld. Het werd een stille
gelatenheid met toch diep in alle harten het onwrikbaar betrouwen in
eene betere toekomst. Het was ook of wij dof en gevoelloos gingen
worden voor het allermenschelijkste leed, nu het leed over heel de
wereld als een donkere engel vleugelde en de eindeloosheid van
nog te gebeuren wee niet was te overzien.
Dat trof mij telkens in die dagen wanneer ik eene begraving zag aan
een sterfhuis of voor 't portaal eener kerk. Die waren zoo verlaten
en eenzaam. Vrienden of verwanten waren weg of niet eens
verwittigd. Haastig reed de lijkwagen alleen naar een afgelegen
kerkhof. Waren ze te beklagen die toen heengingen? Zij zouden het
leed der komende dagen niet meer moeten dragen. En toch het
was zoo wreed om te bedenken dat die den nood der tijden niet
waren te boven gekomen en de uitkomst van deze geweldige
wereld-tragedie niet zouden zien. Dan kwam in mij het wilde,
onstuimige verlangen van te leven, te leven, om toch eens getuige
te zijn hoe uit de wanorde van het oogenblik de harmonie der
nieuwe tijden zou groeien...
Ik stapte zoo mijmerend, een morgen, de O. L. V. Kerk binnen
onder den hoogen antwerpschen toren. Door de diepte der grijze
beuken zag ik de kruisoprichting van Rubens aan katrolkoorden
naar den kerkvloer dalen. Mijn hart kromp van ontsteltenis. Het
sublieme gewrocht dat voor ons als met de kerk vereenzelvigd was,
dat ons in de diepte der zijbeuken, telkens, als het geweldige drama
van den Kalvarieberg zelf, voor oogen was gekomen, het hong daar
nu scheef te bengelen als een oud-verkocht meubel dat moest
weggevoerd. De Kruisafdoening stond reeds op den grond. Ik zag
hoe Juliaan de Vriendt, de bestuurder der kunstacademie, het
wegruimen bestuurde en in dit treurig oogenblik nog zijn artiesten-
curiositeit naar boven voelde komen en met kennersoogen en
tastende vingertoppen de empâtementen van den grooten meester
onderzocht. Dan werden de reusachtige drieluiken door verhuizers
de kerk uitgedragen tot op een natie-wagen, die langs het
Zuiderportaal gereed stond. Nu zag ik hoe in 't volle licht der straat
een groot wit doek werd neergelaten over het vruchtschoone
lichaam van den Gekruisigde.
Het waren de stille maar zekere teekens van het droevig doch staag
naderend einde.