XIII-De Stijgende Neerslachtigheid

Was het om den moed er in te houden dat deze vertooning was

bevolen geworden? Want het begon er alles behalve triomfantelijk

uit te zien te Antwerpen. De havelooze kudden van vluchtelingen

die elken dag toekwamen waren het hartverscheurend bewijs hoe

verschrikkelijk het land geweld leed onder den knel van den

overweldiger. Toen Leuven en Aerschot werden in brand gestoken,

toen Dendermonde werd verwoest, toen Mechelen onder vuur werd

genomen, moesten er dringend maatregelen getroffen worden

opdat die gedwongen volksverhuizingen, die haar heil en toevlucht

zochten in de schijnbare zekerheid eener vesting, de reeds

omsingelde stad niet zonden overbevolken en tot hongersnood

brengen. Met heele drommen werden zij voortaan naar Oostende

gevoerd en op schepen gezet in bestemming voor Bngeland. Een

dag zag ik hoe de gevluchte Mechelaars in vergadering bijeen

geroepen waren op het Groen Kerkhof en door hun burgemeester

werden aangemaand terug hunne haardsteden te betrekken of naar

Engeland af te reizen. De Groote Markt stroomde vol, elken dag,

van menschen die uitwijkingspassen wilden bekomen. Lijk kudden

vee stonden zij gestapeld tusschen bareelen om beurt om beurt in

de bureelen te worden toegelaten. Er kwam een angst onder de

bevolking en steeds geraakten er meer huizen dood van bewoners

en als voor rouw gesloten. Die vluchtenden werden door de

overblijvenden doorgaans slecht besproken als laffelingen of

broeksch... zooals het woord door de dagbladen gangbaar was

gemaakt. Was de duitsche nederlaag niet aanstaande? Was ons

leger niet ongeschonden? Was Antwerpen geen oninneembare

vesting?

Maar zij die bleven begonnen toch ook teekens van bekommernis

te geven. Hier en daar werd al een vlag ingehaald aan een gevel. Ik

hoorde van menschen die hunne rijkdommen in den grond hadden

gedolven, die hunne wijnkelders lieten toemetselen, die

kunstvoorwerpen naar de brandkasten der bankhuizen droegen. Na

het eerste Zeppelin-bezoek hadden zich ook vele luidjes in hunne

kelders gehuisvest. Een zedig zinken kachelpijpje klom verstoken

van uit den keldermond tot op de eerste verdieping en liet

vermoeden hoe zelfs voor verwarming was gezorgd. Er waren

kelders die als recht-gezellige huiskamertjes waren ingericht met

schapraaien, tafels stoelen, lampen en tapijten onder den voet. Er

waren ook menschen die hunne daken van metalen platen lieten

voorzien en met aardzakjes bedekken tot eene bom-vrij-gewaande

beschutting.

Het werd treuriger en treuriger. De afwezigheid van alle ernstig

nieuws op een oogenblik der voor het vaderland geweldigste

gebeurtenissen, deed ons onder eene ondragelijke drukking leven.

Het was een sombere tijd en wij dronken lavende teugen aan

troebele en onzuivere bronnen van hoop, om weer dorstig een

oogenblik nadien en in de zwartste neerslachtigheid neer te zitten.

De geestdrift der eerste dagen was nu gekoeld. Het werd een stille

gelatenheid met toch diep in alle harten het onwrikbaar betrouwen in

eene betere toekomst. Het was ook of wij dof en gevoelloos gingen

worden voor het allermenschelijkste leed, nu het leed over heel de

wereld als een donkere engel vleugelde en de eindeloosheid van

nog te gebeuren wee niet was te overzien.

Dat trof mij telkens in die dagen wanneer ik eene begraving zag aan

een sterfhuis of voor 't portaal eener kerk. Die waren zoo verlaten

en eenzaam. Vrienden of verwanten waren weg of niet eens

verwittigd. Haastig reed de lijkwagen alleen naar een afgelegen

kerkhof. Waren ze te beklagen die toen heengingen? Zij zouden het

leed der komende dagen niet meer moeten dragen. En toch het

was zoo wreed om te bedenken dat die den nood der tijden niet

waren te boven gekomen en de uitkomst van deze geweldige

wereld-tragedie niet zouden zien. Dan kwam in mij het wilde,

onstuimige verlangen van te leven, te leven, om toch eens getuige

te zijn hoe uit de wanorde van het oogenblik de harmonie der

nieuwe tijden zou groeien...

Ik stapte zoo mijmerend, een morgen, de O. L. V. Kerk binnen

onder den hoogen antwerpschen toren. Door de diepte der grijze

beuken zag ik de kruisoprichting van Rubens aan katrolkoorden

naar den kerkvloer dalen. Mijn hart kromp van ontsteltenis. Het

sublieme gewrocht dat voor ons als met de kerk vereenzelvigd was,

dat ons in de diepte der zijbeuken, telkens, als het geweldige drama

van den Kalvarieberg zelf, voor oogen was gekomen, het hong daar

nu scheef te bengelen als een oud-verkocht meubel dat moest

weggevoerd. De Kruisafdoening stond reeds op den grond. Ik zag

hoe Juliaan de Vriendt, de bestuurder der kunstacademie, het

wegruimen bestuurde en in dit treurig oogenblik nog zijn artiesten-

curiositeit naar boven voelde komen en met kennersoogen en

tastende vingertoppen de empâtementen van den grooten meester

onderzocht. Dan werden de reusachtige drieluiken door verhuizers

de kerk uitgedragen tot op een natie-wagen, die langs het

Zuiderportaal gereed stond. Nu zag ik hoe in 't volle licht der straat

een groot wit doek werd neergelaten over het vruchtschoone

lichaam van den Gekruisigde.

Het waren de stille maar zekere teekens van het droevig doch staag

naderend einde.

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 14 / 26 题