XII-Het Uitzicht Der Straten

De hoofdstraten bleven vol beweeg van werkeloozen die met

kuieren wel den dag moesten doorkrijgen Alles had belang voor

deze op nieuwtjes of geruchten uitzijnde wandelaars. De weg van

het station tot aan het Groen kerkhof bleef het onvermijdelijke veld

waar wat te oogsten viel.

Aan het station was het de drukte van burgerwachten, bezig met

vluchtelingen, aankomende gekwetsten, uitgedreven vreemdelingen,

aangehouden verspieders, vertrekkende soldaten en ambulanciers.

Op de Meir bleef het volk staan kijken naar de auto's die wachtten

voor het Ministerie van Oorlog, dat in de stadsfeestzaal gevestigd

was. Het uitgaan van een staf-officier was een gebeurtenis en op

zijn gelaat werd nagespeurd of er geen teekens van wel of

tegenslag te beletten vielen. Het voorbij rijden der ambulance-auto's

bracht woeling onder de menschen die aan 't rennen gingen om bij

tijds voor 't hospitaal van Sint Jan Berchmans college te staan en

de gekwetsten te zien uitdragen. Groepen bleven staan lezen aan

de menigvuldige witte zwart-gedrukte plakkaten die af en toe op

bevel van den krijgs-gouverneur in de stad werden aangeplakt met

voorschriften aangaande het vreemdelingen-verblijf, met

verordeningen over het licht, het sluiten der taveernen, het sterke-

drank-verbod of met afbeeldingen van geallieerde vliegtuigen of

luchtschepen of uniformen der verbonden legers.

De meest-lachende verschijningen in de stad waren wel onze

boyscouts of padvinders. Men zag ze overal die kinderen van niet

meer dan 14 jaar met hunne groote sombrero's, hunne groene

manteltjes en de groene kousen omgeslagen onder de bloote witte

knieën. Zij hadden hun hoofdkwartier op de Yzeren Waag achter

het beeld van Theodoor van Rijswijck. Van daaruit werden zij

afgevaardigd bij de ministeries, in de gasthuizen en droegen

aanhoudend boodschappen naar alle hoeken van de stad en op

den buiten.

De terrassen der café's zaten vol officieren, krijgsdokters,

apothekers en brancardiers die vrijaf hadden; vol burgers ook die

zenuwachtig de gebeurtenissen discuteerden. Eene nieuwe vlucht

van lichtekooien, door het leger aangetrokken, was in de straten

neergestreken. De gazetleurders holden als hardloopers aan de

menigte voorbij. Het was hun verboden nog namen van kranten of

oorlogsnieuws te roepen, maar het werd als een wedren om eene

bepaalde wijk te bereiken en 't was nauwelijks dat ge ze in hunne

vlucht een krant vermocht af te koopen. Waanzinnig bolden door de

stad de militaire auto's met officieren en bedienden. Huilend en

gillend gingen de trompen. Geen politie-wetten op de snelheid

waren langer nog van tel. Als bolieden vlogen de wagens over de

lanen en door de drukst bewandelde wijken alsof er telkens het heil

van 't land of 't behoud des konings van afhing.

Aan de Schelde zag het Noorder-wandelterras steeds zwart van

volk dat te kijken stond naar den duitschen transatlantieker

"Gneisenau", die in een militair hospitaal was herschapen. Men kon

er de herstellende soldaten op ligstoelen uitgestrekt zien met wit-

omwonden kwetsuren. Een telefoondraad ging van de boot over het

terras om met de stad in verbinding te blijven. Maar hoe rampzalig

was het uitzicht van den stroom! Heel die grootsche bocht

kaaimuren, van Austruweel tot Hoboken, lag leeg van schepen. Al

de kranen waren met hunne eenbaarlijke armen stadwaarts

gekeerd en de kettingen wiegelden doelloos op den wind in de ijlte.

Van de vlotbrug, aan den voet van het oude grijze Steen, vertrok

een houten brug-op-schuiten naar den vlaamschen oever. Wij

hadden er, den 5den September, aanzienlijke afdeelingen ruiterij

zien overtrekken met een sleep van kanonnen, om Dendermonde

op de Duitschers te heroveren en de verbindingslijn tusschen

Antwerpen en de kust vrij te houden.

Verder, stroomopwaarts, langsheen de kaai waar de Red

Star booten komen aanleggen, was, onder de hangars, het

automobielpark van het leger ingericht. Er stonden daar honderden

auto 's van alle slag, meest particuliere rijtuigen, die werden

opgeëischt en thans, in grijze kleur geschilderd, de twee groot-

zichtbare letters droegen S.M.. Wie van ver of nabij met het leger in

betrekking stond kon daar gemakkelijk een pracht-rijtuig

bemachtigen met de noodige bons voor naphta-bussen en banden

die er tot hooge stapels waren bijeen gebracht. Ik zag er eens, te

midden van een zwarten drom nieuwsgierige gapers een onzer

geblindeerde auto 's staan. Het was een ronde stalen koepel op vier

wielen en door een schietgat stak de mond van een klein kanon.

Deze motorwagens waren de schrik der Duitschers en het was

geweten dat de Prins de Lagne met Graaf de Villermont op zoo een

auto waren omgekomen bij eene stoutmoedige verkenning rond

Herenthals.

Elken morgen zag ik langs mijne ramen eene ontelbare kudde

ossen en koeien voorbij komen die verder door de Leemstraat

tot buiten de poorten in de veeparken werden gedreven, tot

voorraadstapels voor het leger en de bevolking. De straat was er

telkens letterlijk van vol. Zij sprongen tot op de stoepen tot grooten

angst der toeziende winkelvrouwen en de drijvers hadden het druk

om hunne kudde voort te helpen wanneer soms een bronstig beest

te midden der straat een koe besprong en zijn hoorns hoog tegen

de huisgevels of de glimmende winkelramen opstak.

Een dag ook werd er een heel regiment van bij de 400 duitsche

landsturmers gevangelijk de stad binnen gevoerd. Ik zag ze van uit

de diepte der Zuiderlei aankomen tusschen de boomen. Zij gingen

in eene rosse wolk van stof. Het volk liep uit alle straten en huizen

dien kant uit. Gendarmen te paard reden voorop en achteraan

volgde de drom van voortstappende mannen. De toeschouwers

stonden nu in dichte haag links en rechts van de laan. Ik verkende

de blauwe tunieken en zwarte met-koper-belegde pinhelmen der

landsturmers. Het waren gehavende stakkers, met onverzorgde

gezichten en bestoven kleeren. Ik zie er nog altijd een met een

buikje en rood-rosse haren. Zij gingen ontwapend en moe tusschen

de belgische soldaten die het geleide vormden. Het volk huilde en

tierde uit schorre kelen, ik zag van-haat-vertrokken-gelaten en

uitpuilende oogen, ik hoorde gesis en gefluit. Zoo trokken zij heel de

stad door, langsheen de lanen, over de Meir en naar de Schelde,

waar zij op een boot werden gestoken. Het antwerpsche volk zag in

die bende de vertegenwoordigers van het gehate ras dat Visé,

Dinant, Tamines, Leuven en Dendermonde had platgebrand en

zooveel onschuldig bloed vergoot: De opwinding door de straten

deed mij denken aan het Romeinsche volk dat huilde en vuisten

balde tegen de Barbaren die in den triomf van een Cesar door

Rome werden gevoerd.

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 13 / 26 题