Met den dag kwam er nu een grooter zenuwachtigheid in de stad.
Wij waren zoo goed als geheel afgezonderd van het overige
gedeelte van het land. Dit land was thans beperkt tot de provinciën
Limburg, Antwerpen en de beide Vlaanders. De vlottende grens van
ons nog vrij gebied liep over Hasselt, Diest, Aerschot, Mechelen,
Aelst, Kortrijk, naar Frankrijk toe. Daar werden de gevechten
geleverd tusschen ons leger en de overweldigers. Aerschot,
Mechelen, Dendermonde werden beurtelings heroverd en weerom
verloren. Het nog bruikbare treinverkeer, dat in de bladen werd
afgekondigd, was de beste kontrool der uitgestrektheid van ons
land en, met den dag, werd dat verkeer meer beperkt rond
Antwerpen.
Een tweede Zeppelin-bezoek,--dat gelukkig in het voorgeborcht
Deurne kon worden afgewezen,--de vijandelijke vliegeniers die af
en toe bommen wierpen en vruchteloos werden omzweefd in den
stadshemel door de witte wolkjes der ontploffende shrapnels onzer
kanonnen, alles wees er op hoe wij het mikpunt geworden waren
van den vijand en de tijd aanstaande was dat wij ook op onze beurt
van aanschijn tot aanschijn tegenover den oorlog en zijn gruwelen
zouden komen te staan.
Wij voelden ons reeds als gevangenen. Wij waren aan de
strenge tucht van een stad-in-staat-van-beleg onderworpen. De
vreemdelingen hadden op regelmatige dagen hunne toelating tot
verblijf te vernieuwen en werden uit angst voor verspieders, nog
steeds aan nauwlettender toezicht onderworpen. Alle openbare
gebouwen en ook de bankhuizen werden bewaakt door burgerwachten.
Om een telegram te verzenden hoefde men zijne papieren te
vertoonen aan de van-post-zijnde wachten, de bajonet op het
geweer. Het vrij verkeer in en uit de stad was belemmerd. De passen
werden nagezien aan de vesting-poorten die voor den nacht
gesloten bleven. Wie den overzetboot nam naar het Vlaamsch
Hoofd of er vandaan kwam, moest ook door een haag van burgerwachten.
Het onderzoek gebeurde natuurlijk op joviale wijze, zooals het
burgerwachten paste, die met medeburgers te doen hadden.
Toch gebeurde het mij wel eens dat, waar mijn uiterlijk niet echt-nationaal
voorkwam, ik aan een scherper inquisitie werd onderworpen.
Het eenige verweer tegen die onaangenaamheden was het uniform,
dat weldra niemand, die het dragen mocht, nog aflegde.
Het aanschijn van de stad was veranderd. Vele vluchtelingen uit het
bezette land en uit de verwoeste en uitgebrande steden, hadden er
een wijkplaats gezocht bij vrienden of verwanten. De eigen
ingezetenen begonnen reeds te trekken naar Holland, Engeland en
Frankrijk. Vele rijke-burgers-huizen stonden verlaten met gesloten
luiken. Nieuwe armoede ten gevolge der werkeloosheid kwam aan 't
licht. Eene overwegende meerderheid van officieren en soldaten
gaf het uitzicht aan de straten.
Doch hetgeen te midden der herrie van leger en burgerwacht,
van overbevolking, van werkeloozen en dolende armen, een
onverwacht aanzien gaf aan de stad, was de aanwezigheid van het
Hof in het Paleis op de Meir, sedert 17 Oogst, de vestiging der
regeering en de overkomst uit Brussel van de vreemde gezanten.
Antwerpen was de hoofdstad geworden en reeds werden toebereidselen
genomen om het Opera tot parlement en het Atheneum tot paleis
voor den Senaat in te richten.
Schier elken morgen kon men de koninklijke palfreniers de paarden
van het Hof, twee aan twee, de stad zien uitleiden voor hunne
dagelijksche wandeling in de omliggende parken. Voor het Paleis
bewogen schildwachten langs de Meir en de Wapperstraat, waar
doorgang voortaan was verboden. Een gendarm hield post voor de
poort om boodschappers en koeriers te woord te staan en wanneer
de poort openging was er een tweede gendarm om de boodschap
aan te nemen of den koerier bij een adjudant toe te laten. Het bleef
een graag verteld en aanhoord nieuwtje hoe Koning Albert elken
dag gezien werd, rijdend in zijn snelle auto naar een stadspoort, op
weg naar de vuurlijn. 's Zondags stonden de menschen te wachten
op de stoepen, nu dat het geweten was dat de Vorst de mis ging
bijwonen in de Sint Jacobskerk, in datzelfde weelderig renaissancekoor,
waar de plaats van Peter Pauwel Rubens nog wordt aangewezen in
het hooge gestoelte van blinkend ouden eik.
Het ministerie van buitenlandsche zaken was in het Athenaeum op
de Gemeenteplaats gevestigd. Ik zag er minister Davignon soms de
hellende stoep afdalen met zijn kalm en kommerloos gelaat. Alsof
het zeker was dat alles op zijn best zou afloopen, zoo glimlachte zijn
mond in den milden vierkant-geschoren baard.
De raad der Kroon zetelde in het Grand-Hotel op de Mechelsche
plein. Hier ook stonden soldaten in hunne wachthuizekens en kon
men af en toe volksvertegenwoordigers of ministers zien binnen of
buiten gaan of boyscouts met koeriers komen aangefietst. Een dag
zag ik er Frans van Cauwelaert in het portaal. Zijn baard scheen
zwarter om het bleeke zorgensmoede gezicht. In de nabije
Lindenstraat had ik de ministers Van de Vijvere en Helleputte
ontmoet die, ietwat verloren na eene kabinetszitting, langs de
winkelramen kuierden. Een ochtend vond ik minister Poullet, met
afwezige oogen moet ik zeggen, naar de prentkaarten van een
papierhandel staan kijken. Een auto snorde voorbij met Schollaert
erin. Hij verdween in de richting van den Mechelschen steenweg.
Die reed voorzeker naar het hoofdkwartier te velde, op inlichtingen
van de bevelvoerende generaals. Zoo zag ik ook een namiddag
door het drukke beweeg der Kammenstraat, de auto van den
Kardinaal. Hij reed op het Grand-Hotel toe, wellicht om overleg te
plegen met de regeering. Door de glimmende spielgelruiten der
limousine, trof mij het rozerood van zijn kalot en handschoenen en
verkende ik zijn ascetisch-heilig gelaat, als een verouderde
Christus-kop van Memling, vol kommer nu in die benarde oogenblikken.
Hij was toen pas uit Rome weergekeerd van de Paus-verkiezing en
had zijn oude Leuvensche universiteit verwoest en zijn eigen
bisschoppelijk paleis te Mechelen tot puin geschoten gevonden.
Er was altijd groote drukte op de Schoenmarkt voor het Hotel St-
Antoine, waar de vreemde gezanten gevestigd waren. Lange rijen
equipages en auto's stonden er langsheen de stoep met de
benaming der legaties waartoe zij behoorden. Het was voldoende
dat iemand een russisch of engelsch militair attaché daar had zien
uitkomen om seffens de onmogelijkste gissingen te opperen. Van
mond tot mond vergrootend liepen de onwaarschijnlijkste maren
door de stad: de Engelschen dregen met een groot leger van uit
Limburg om de Duitschers te omsingelen; de Russen waren geland
te Oostende. Een half dozijn fransche soldaten in een militaire auto
te zien rijden over de boulevards was genoeg om, voordien dag ten
minste, de vaste hoop te doen ontstaan dat de Duitschers in
Frankrijk waren teruggeslagen en weldra België zou worden
ontruimd.
De vreemde gezanten die het hotel St-Antoine betrokken wisten het
natuurlijk wel beter. Maar hun leven was er schijnbaar niet minder
kommerloos om geworden. Door de open ramen op de Groenplaats
zag men heeren in rok en dames in soirée-kleeren bewegen door
de salons, te midden der vreemde schitterende uniformen. In de
restauratiezaal zat zacht-keuvelend en keurig volk, blij-gezind als in
een badstad, rond de goudverlichte tafeltjes waarop de elektrische
lampjes als zoovele roode en gele bloemen bloeiden. In den
wintertuin, onder de palmen, zaten dandy's aan een kopje koffie of
een likeur te proeven, terwijl Habana-geur met de blauwe
rookspiralen door de halle ging zweven.