XI-Antwerpen Hoofdstad

Met den dag kwam er nu een grooter zenuwachtigheid in de stad.

Wij waren zoo goed als geheel afgezonderd van het overige

gedeelte van het land. Dit land was thans beperkt tot de provinciën

Limburg, Antwerpen en de beide Vlaanders. De vlottende grens van

ons nog vrij gebied liep over Hasselt, Diest, Aerschot, Mechelen,

Aelst, Kortrijk, naar Frankrijk toe. Daar werden de gevechten

geleverd tusschen ons leger en de overweldigers. Aerschot,

Mechelen, Dendermonde werden beurtelings heroverd en weerom

verloren. Het nog bruikbare treinverkeer, dat in de bladen werd

afgekondigd, was de beste kontrool der uitgestrektheid van ons

land en, met den dag, werd dat verkeer meer beperkt rond

Antwerpen.

Een tweede Zeppelin-bezoek,--dat gelukkig in het voorgeborcht

Deurne kon worden afgewezen,--de vijandelijke vliegeniers die af

en toe bommen wierpen en vruchteloos werden omzweefd in den

stadshemel door de witte wolkjes der ontploffende shrapnels onzer

kanonnen, alles wees er op hoe wij het mikpunt geworden waren

van den vijand en de tijd aanstaande was dat wij ook op onze beurt

van aanschijn tot aanschijn tegenover den oorlog en zijn gruwelen

zouden komen te staan.

Wij voelden ons reeds als gevangenen. Wij waren aan de

strenge tucht van een stad-in-staat-van-beleg onderworpen. De

vreemdelingen hadden op regelmatige dagen hunne toelating tot

verblijf te vernieuwen en werden uit angst voor verspieders, nog

steeds aan nauwlettender toezicht onderworpen. Alle openbare

gebouwen en ook de bankhuizen werden bewaakt door burgerwachten.

Om een telegram te verzenden hoefde men zijne papieren te

vertoonen aan de van-post-zijnde wachten, de bajonet op het

geweer. Het vrij verkeer in en uit de stad was belemmerd. De passen

werden nagezien aan de vesting-poorten die voor den nacht

gesloten bleven. Wie den overzetboot nam naar het Vlaamsch

Hoofd of er vandaan kwam, moest ook door een haag van burgerwachten.

Het onderzoek gebeurde natuurlijk op joviale wijze, zooals het

burgerwachten paste, die met medeburgers te doen hadden.

Toch gebeurde het mij wel eens dat, waar mijn uiterlijk niet echt-nationaal

voorkwam, ik aan een scherper inquisitie werd onderworpen.

Het eenige verweer tegen die onaangenaamheden was het uniform,

dat weldra niemand, die het dragen mocht, nog aflegde.

Het aanschijn van de stad was veranderd. Vele vluchtelingen uit het

bezette land en uit de verwoeste en uitgebrande steden, hadden er

een wijkplaats gezocht bij vrienden of verwanten. De eigen

ingezetenen begonnen reeds te trekken naar Holland, Engeland en

Frankrijk. Vele rijke-burgers-huizen stonden verlaten met gesloten

luiken. Nieuwe armoede ten gevolge der werkeloosheid kwam aan 't

licht. Eene overwegende meerderheid van officieren en soldaten

gaf het uitzicht aan de straten.

Doch hetgeen te midden der herrie van leger en burgerwacht,

van overbevolking, van werkeloozen en dolende armen, een

onverwacht aanzien gaf aan de stad, was de aanwezigheid van het

Hof in het Paleis op de Meir, sedert 17 Oogst, de vestiging der

regeering en de overkomst uit Brussel van de vreemde gezanten.

Antwerpen was de hoofdstad geworden en reeds werden toebereidselen

genomen om het Opera tot parlement en het Atheneum tot paleis

voor den Senaat in te richten.

Schier elken morgen kon men de koninklijke palfreniers de paarden

van het Hof, twee aan twee, de stad zien uitleiden voor hunne

dagelijksche wandeling in de omliggende parken. Voor het Paleis

bewogen schildwachten langs de Meir en de Wapperstraat, waar

doorgang voortaan was verboden. Een gendarm hield post voor de

poort om boodschappers en koeriers te woord te staan en wanneer

de poort openging was er een tweede gendarm om de boodschap

aan te nemen of den koerier bij een adjudant toe te laten. Het bleef

een graag verteld en aanhoord nieuwtje hoe Koning Albert elken

dag gezien werd, rijdend in zijn snelle auto naar een stadspoort, op

weg naar de vuurlijn. 's Zondags stonden de menschen te wachten

op de stoepen, nu dat het geweten was dat de Vorst de mis ging

bijwonen in de Sint Jacobskerk, in datzelfde weelderig renaissancekoor,

waar de plaats van Peter Pauwel Rubens nog wordt aangewezen in

het hooge gestoelte van blinkend ouden eik.

Het ministerie van buitenlandsche zaken was in het Athenaeum op

de Gemeenteplaats gevestigd. Ik zag er minister Davignon soms de

hellende stoep afdalen met zijn kalm en kommerloos gelaat. Alsof

het zeker was dat alles op zijn best zou afloopen, zoo glimlachte zijn

mond in den milden vierkant-geschoren baard.

De raad der Kroon zetelde in het Grand-Hotel op de Mechelsche

plein. Hier ook stonden soldaten in hunne wachthuizekens en kon

men af en toe volksvertegenwoordigers of ministers zien binnen of

buiten gaan of boyscouts met koeriers komen aangefietst. Een dag

zag ik er Frans van Cauwelaert in het portaal. Zijn baard scheen

zwarter om het bleeke zorgensmoede gezicht. In de nabije

Lindenstraat had ik de ministers Van de Vijvere en Helleputte

ontmoet die, ietwat verloren na eene kabinetszitting, langs de

winkelramen kuierden. Een ochtend vond ik minister Poullet, met

afwezige oogen moet ik zeggen, naar de prentkaarten van een

papierhandel staan kijken. Een auto snorde voorbij met Schollaert

erin. Hij verdween in de richting van den Mechelschen steenweg.

Die reed voorzeker naar het hoofdkwartier te velde, op inlichtingen

van de bevelvoerende generaals. Zoo zag ik ook een namiddag

door het drukke beweeg der Kammenstraat, de auto van den

Kardinaal. Hij reed op het Grand-Hotel toe, wellicht om overleg te

plegen met de regeering. Door de glimmende spielgelruiten der

limousine, trof mij het rozerood van zijn kalot en handschoenen en

verkende ik zijn ascetisch-heilig gelaat, als een verouderde

Christus-kop van Memling, vol kommer nu in die benarde oogenblikken.

Hij was toen pas uit Rome weergekeerd van de Paus-verkiezing en

had zijn oude Leuvensche universiteit verwoest en zijn eigen

bisschoppelijk paleis te Mechelen tot puin geschoten gevonden.

Er was altijd groote drukte op de Schoenmarkt voor het Hotel St-

Antoine, waar de vreemde gezanten gevestigd waren. Lange rijen

equipages en auto's stonden er langsheen de stoep met de

benaming der legaties waartoe zij behoorden. Het was voldoende

dat iemand een russisch of engelsch militair attaché daar had zien

uitkomen om seffens de onmogelijkste gissingen te opperen. Van

mond tot mond vergrootend liepen de onwaarschijnlijkste maren

door de stad: de Engelschen dregen met een groot leger van uit

Limburg om de Duitschers te omsingelen; de Russen waren geland

te Oostende. Een half dozijn fransche soldaten in een militaire auto

te zien rijden over de boulevards was genoeg om, voordien dag ten

minste, de vaste hoop te doen ontstaan dat de Duitschers in

Frankrijk waren teruggeslagen en weldra België zou worden

ontruimd.

De vreemde gezanten die het hotel St-Antoine betrokken wisten het

natuurlijk wel beter. Maar hun leven was er schijnbaar niet minder

kommerloos om geworden. Door de open ramen op de Groenplaats

zag men heeren in rok en dames in soirée-kleeren bewegen door

de salons, te midden der vreemde schitterende uniformen. In de

restauratiezaal zat zacht-keuvelend en keurig volk, blij-gezind als in

een badstad, rond de goudverlichte tafeltjes waarop de elektrische

lampjes als zoovele roode en gele bloemen bloeiden. In den

wintertuin, onder de palmen, zaten dandy's aan een kopje koffie of

een likeur te proeven, terwijl Habana-geur met de blauwe

rookspiralen door de halle ging zweven.

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 12 / 26 题