Met de nieuwe maan was de duisternis weer volledig 's nachts in de
stad. Beangstigend werd dan de aanblik van de straten. Alles kreeg
andere aspecten. Het was om te verdolen in dien inktzwarten nacht.
Het leek een doode stad uit verre tijden waarover een vloek zou zijn
gevallen.
En toch leefden daar voort achter al die donkere gevels die
duizenden van menschen als eene onhoorbare groezeling van
larven. Het scheen mij altijd of er iets gruwelijks ging gebeuren
achter die als met-rouw-behangen hooge muren, in die kuilen en
grotten en kelders die de straten en de pleinen waren. Het was als
eene Edgard-Poeachtige creatie, eene fantastische droomstad, in
zijne waanzinnige verbeeelding als kader uitgedacht voor een
moord of het plotselinge ontdekken van een geraamte of een lijk...
En de rust en de stilte van die stad, zij deed de werkelijkheid van
den oorlog vergeten. De schijnen van zoeklichten op de donkere
lucht waren als de onwerkelijke fosforesceerende gewaden van
witte schimmen die het duistere zwerk bevolkten. Het ver en dof
gedommel dat soms werd vernomen was als het staag geronk van
den nacht zelf. Het werd een zinnelooze waan.
Om het bitter-zoete van dien waan, om het huiverig-aantrekkelijke
van akelige mogelijkheden, ging ik elken avond weer uit met een
vaag vermoeden van het onvermijdelijk-verrassende en afschuwelijke
dat ik zou ontmoeten.
De steeds zeldzamer wordende wandelaars waren herleid tot de
waarde van het gloeiend vuurken hunner cigaar of pijp dat rood
aankwam of verdween in de duisternis. Waren dat geesten die daar
doolden of de dwaallichtjes van een ziltig oud kerkhof?
Doch telkens na een poos, wenden de ogen aan die duisternissen
en ging men de mensch-fantomen erkennen. In de Jezusstraat
waar de telegraaf-centrale gevestigd is, schrok ik telkens voor een
donkere schim die er in de duisternis bewoog en die ik slechts aan
het vage licht-geflits van zijn dolk-bajonet voor een soldaat erkende.
Op de Meir bleven soms eenzame voorbijgangers sprakeloos staan
staren naar het zwarte Paleis van den Koning waar, door een slecht
gesloten luik aan een raam, een lijntje licht bleef gloren. De vorsten
woonden daar en de koninklijke kinders hadden er geleefd tot aan
den eersten Zeppelin-aanslag. Donker bewogen de schildwachten
over en weer op de stoep. De Schoenmarkt was afgesloten door
een duister-bewegende muur van sprakelooze gestalten, soldaten
die het gouverneurs-paleis,--waar de generale staf gevestigd was--
tegen een mogelijken aanslag moesten beschermen. Wie langs de
Eiermarkt zijn weg voortzocht door den nacht, kwam opnieuw op
vaag-glimmende bajonetten stuiten, die den toegang tot de
Beddestraat versperden. Het was alsof de schildwachten onverwacht
opdoken uit de muren, sluipmoordenaars gelijk, maar die niemand
aanvielen.
Een nacht ging ik met benauwelijk-luid-klinkende stappen langs de
Burgtgracht, onder de vervaarlijke opbonking van het vleeschhuis.
Ik schrok: een menschenarm kwam op mij neer van uit het duister
der slaapstille huizenrij en ik hoorde fezelend verzoeken uit een
vette-vrouwen-keel. God ging dat leven ook nog voort achter die
donkere muren!
Ik geraakte in de Koepoortstraat en trok op de Paardenmarkt af. De
arabesk der huisnokken was fantastisch op de zwart-blauwe lucht.
Het hooge-koor van Sint Paulus dreeg ontzaglijk en stak vooruit als
het voorkasteel van een spookschip boven de lager daken. De wind
huilde als door de strak-gespannen koorden van een driemaster.
Was de vliegende Hollander hier komen landen in dees gruwelijken
nacht?
Het doodstille Klapdorp wentelde in donkerder nacht-diepten voort,
laaglanend als een kelder, tot eindelijk de vaal-groene vlakte der
Paardenmarkt daar voor mij openlag, als een omneveld meer in
een bergland. Hoe rustig was weer alles. Daar even nog had ik het
heimelijk gefluister vernomen van twee buren die op den drempel
van een duister poortje afscheid namen van alkaar... Toen
plotseling het afschuwelijke: het stille doek van den donkeren nacht
in stukken gescheurd door luide moord-geschreeuw.
Was dat het verschrikkelijke dat ik sedert dagen verwachtte? Ik ging
op het erbarmelijk geluid af maar zag niets. Andere menschen
moesten ook uit de duisternissen zijn toegesneld. Een ervan droeg
een kleine lantaarn waarvan de gele schijn nu viel op het van schrik
vertrokken gelaat van een vrouw met loshangende haren en op
onze eigen gezichten die bleek opleefden uit den nacht. Met
snikken in haar keel vertelde de vrouw dat er een lijk lag in haar
huis van een die zelfmoord moest hebben gepleegd; dat zij van
schrik was weg gevlucht.
"Och God och God hij heeft zijn keel overgesneden..."
Wij gingen met haar mee. Haar wild geroep en het voortdurend
snikken deed een vizioen van bloed reeds voor mijn oogen opgaan.
De toegesnelde buren dropen weg de eene na den andere. Wij
waren nog met ons tweeën, een duistere man en ik, toen wij
aankwamen waar de vrouw ons wees, in een nauwe steeg. Het was
een eenkamerig huisje met een zolder. De vrouw opende de deur
en sprong met een gruwel weer achteruit. De schijn van het verlicht
vertrek sloeg ons verblindend in de oogen en viel in een breede
lichtstreep in de donkere steeg en op de vrouw die daar huiverend
staan bleef.
--"Boven! Boven" jammerde zij.
Wij klauterden den rechten steektrap op en daar, onder de pannen,
op den houten vloer, tusschen twee beddebakken, in den flauwen
schijn van een kaars, lag een man met rood-gezwollen gelaat de
tong reeds uit den mond, met de koord die aan de zolderkram
moest gebroken zijn diep in de vleeschen van den nek. Een
stuiptrekking bewoog de beenen. Ik sneed de spannende koord met
mijn zakmes over. Wij droegen de logge massa op het bed. De
man rook naar genever. Witte broesem kweilde nu uit zijn mond. Hij
zuchtte een paar keer en diep als een drenkeling en kwam weer op
adem. Toen ging weldra het gelijkmatig zwaar geronk van den
dronkaard. Wij kwamen weer buiten. De vrouw was weg maar in de
duisternis daar verder hoorden wij nog het voortdurend misbaar als
van een zinnelooze. Haar roepen van moord schreeuwde de
donkere huizen langs.