IX-In De Ambulances

Overal in de stad waren de ambulances. Wie over de Meir stapte

zag boven den hoogen achterbouw van het Sint Jan Berchmans

college de witte vlag waaien met het roode kruis. Telkens

ondervond ik dezelfde huivering, wanneer dat bloedig teeken van

den oorlog mij opviel in die wijde hemelruimte daar boven de

huizen. Vele scholen waren in hospitaal herschapen en het bleef

een verrassend gezicht, dat aller oogen trok, de witte kappen der

ziekediensters voor de vensters te zien bewegen of de reeds

herstellende soldaten met wit omwonden kwetsuren en moe gelaat

op het leven van de straat te zien turen. Boven de feestzaal van

den Dierentuin woei ook de roode kruis-vlag en het gaf een weeke

stemming tusschen de stammen der tanende najaarsboomen de

genezenden te zien liggen in hunne leunstoelen op het ruime

luchtige terras langs den hof. Het engelsche hospitaal was in een

meisjesschool der Leopoldslei en het amerikaansche in het

zomerlokaal der Harmonie. Altijd was er drukte om die gebouwen

en wanneer de gekwetsten in snelle grijze auto's werden

aangevoerd drumden de voorbijgangers met bezorgde gezichten

samen om ze op de berrie's te zien uitdragen en binnenvoeren.

Vele private hospitalen waren er ook in de stad. Kringen en

maatschappijen die hunne lokalen bereidwillig hadden afgestaan en

de verzorging bekostigden. Sommige rijke burgershuizen hielden

zieken en de roode-kruis vlag stak er uit aan den gevel.

In het lokaal der sociale werken, in mijn eigen straat, had ik alles

van 't begin af zien in gereedheid brengen: de groote zaal met

de beddekens, de kamer met de verbanden, de apotheek, de

voorraadkamer voor kleedingstukken, de keuken. Alles was netjes

in orde. De geburen hadden geholpen in het bijbrengen van al wat

ontbrak. De ziekendienst werd er waargenomen door de meest-

offervaardige jonge vrouwen. Ik zelf had mijn hulp aangeboden in

geval die mocht vereischt worden. Zoo werd ik eens in den nacht

van 13 September opgescheld. Een onverwacht groot aantal

gekwetsten was in aantocht.

Op 9 September was inderdaad een nieuwe uitval der antwerpsche

bezetting bevolen geweest. De slag aan de Marne was toen aan

gang. Het duitsche observatie-leger werd merkelijk verminderd om

den duitschen aftocht te versterken en tot staan te brengen. De

Belgen hadden aldus Aerschot heroverd, een peloton jagers

geraakten zelfs tot in Leuven, de ijzeren weg van Mechelen op

Leuven was een oogenblik opnieuw in onze handen en de vijand

werd zelfs tot in Brussel verontrust. Doch wanneer het groot gevaar

in Frankrijk geweken was, riepen de Duitschers hun leger terug en

eene razende tegenaanval begon op 12 September en sloeg onze

troepen terug te Rotselaer en Wezemael en drong op 13 September

ons leger weer binnen het antwerpsche kamp. Wij kregen nu de

talrijke gekwetsten uit die dagen. De gewone ziekediensters

konden ze niet alle tijdig genoeg bezorgen en hadden hulp gevraagd.

Ik was dadelijk buiten. In de nachtelijke straat, zonder een lantaarn,

was alleen het licht uit de ruiten van opgeeischte tramwagens die

behoedzaam reden met de gekwetsten. Op berrie's werden zij nu

reeds de open poort der ambulance binnengedragen.

Links en rechts, overal in de zaal lagen zij neer op den grond,

wachtend om op een bed gedragen te worden. Nog altijd werden

nieuwe gewonden aangebracht. Hun soldatenpak was gehavend,

beslijkt en gescheurd. Zij roken naar regen, zweet en bloed. Er

waren er die bewustloos lagen met toeë oogen en vale gezichten.

Anderen kloegen zachtkreunend hunne pijn. Verpleegsters gingen

rond om de dorstigen te laven. Ik stapte door die neergestrekte

menschen-wrakken en een dokter belastte mij het voorloopig

verband aan enkele reeds in-hun-bed-rustende soldaten af te

nemen.

Het eerste wat ik onder handen kreeg was een doorschoten been.

Het lag in een stuk geplooid blik met hooi errond en windels.

Naar mate ik het verband loswikkelde onder het zacht-gekreun van

den gekweste, kwam de flauwe geur van bloed mij in den neus. De

doktor volgde achter mij voor de zuivering en het nieuw verband. Ik

ging tot het volgende bed over. Er lag een klein soldaatje van de

jongste klas. Hij had zijn linker bil omwonden. Voorzichtig ontwond

ik de bloeddoordrenkte doeken. Een krater van rauw rood vleesch

kwam te voorschijn in het blank-schoone jeugdige lichaam. Een

shrapnel-stuk had de vleeschen afgrijselijk verwoest. De wonde

begon nu weer te sijpelen in traag loopende bloedstrepen...

Het was een algemeene beweging door de zaal van dragers die de

berrie's nederplaatsten, van verpleegsters die de gekneusde

lichamen ontkleedden en in de beddekens hielpen, van dokters die

den eene na den andere alle gekwetsten nazagen en bevelen

gaven voor verzuivering en verband. Het was hartverscheurend die

stukken menschheid daar in gekreun en geklaag te zien liggen, die

beeldschoone blanke lichamen hopeloos doorkorven en verminkt.

Ik bleef er voortdurend belang in stellen en af en toe bezocht ik de

zieken die ik geholpen had. Zij herkenden mij. Het was een blijheid

te zien hoe gelukkig en met verhelderde oogen zij uitkeken van hun

bed naar de deur, mij te gemoet op het verwacht bezoek. Zij

vertelden dan van hun leven vroeger in den goeden tijd van vrede,

van hunne hoop dat het weldra ging gedaan zijn en zij toch niet

meer terug zouden moeten in het vuur. Hunne witte zwakke handen

zochten naar eene foto van vrouw of kind op het tafeltje waar zij

zorgzaam sigaretten en wat sneukelgoed geborgen hielden. Het

was een vreugde ook ze te zien beteren en de zaal uit sukkelen tot

op de koer, slepend soms op krukken maar blij van weer op te zijn

of een kort wandelingsken in de stad te mogen doen.

Er was een luitenant onder de gekwetsten die mij bijzonderheden

vertelde over den slag die van Aerschot tot aan Vilvoorden gewoed

had langs het kanaal van Leuven en den ijzeren weg naar Brussel.

Hij lag met zijne mannen in eene gracht langs de straat, in 't zicht

van Weerde, dat zij moesten veroveren. De belgische kanonnen

hadden uren aan elkaar een moordend vuur gericht op het dorp.

Zonder ophouden ging het geknetter en geronk van geweren en

mitrailleuses. In den namiddag, rond vijf uur, zwegen de duitsche

stukken en werd een algemeene aanval bevolen. "Ik floot op mijne

mannen" zoo verhaalde de luitenant, "wij sprongen uit onze

schuilplaats en, met jubelkreten, stormden wij vooruit over velden,

hagen grachten en bareelen. Wij waren bijna tot aan de eerste

huizen van Weerde gekomen, toen de duitsche kanonnen, opnieuw

begonnen te schieten. Het was een list geweest. Heel mijne

kompagnie werd letterlijk neergemaaid, ik zelf kreeg een kogel in

mijn been en tuimelde neer. Met enkele mijner soldaten, gekwetst

als ik, kon ik mij nog voortslepen naar de plaats van waar wij

vertrokken waren." Zoo vernam ik in dat hospitaal bijzonderheden

die niet te lezen stonden in de bladen.

Ik kwam er ook soms laat in den avond na mijn werkzaamheden in

het gevang. Half duister was de zaal met hier en daar een

nachtlichtje en rustig van gelijkmatig zacht geronk. Soms een die de

koorts nog wakker hield en die de waakster voor den nacht met

stille fluisterstem trachtte te sussen.

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 10 / 26 题