VIII-De Verspieder

Wij zouden dien namiddag, 26 Augustus, per militaire auto, naar

Puers rijden, dicht tegen de vuurlijn. Het ging om het onderzoek

eener vespiedingszaak. Een duitsch soldaat werd in burgerkleeren

aangehouden te Buggenhout bij Puers. Hij beweerde dat hij niet

langer meer tegen de Belgen wilde vechten, dat hij bij zijne

aankomst te Brussel den 20en Augustus gedeserteerd was,

burgerkleeren had gekocht en te voet het land was ingegaan tot hij

te Buggenhout werd aangehouden. De militaire overheid nam die

verklaring niet aan. Het bleek inderdaad dat nabij Buggenhout het

belgisch leger in een valstrik was gelokt en vele manschappen door

een troep uhlanen werden gedood. Onze man werd verdacht de

hand in dat spel te hebben.

Ik geloofde aan zijn onschuld. Ik had hem op last van den krijgs-

auditeur in het gevang te Antwerpen ondervraagd. Hij antwoordde

op alles heel rechtzinnig. Ik kon maar al te best begrijpen dat er

onder de Duitschers menschen moesten zijn die er genoeg van

hadden. Op eene vraag van mij: "haben sie ihre ältern noch?"

kwam het "ja wohl" maar nauwelijks uit zijne kroppende keel en

twee dikke tranen sprongen lijk vanzelf uit zijne oogen. Ik zag zijn

angst voor den dood en hoe een woord over zijn huis al zijn

onderdrukten weemoed deed los komen. Vader, moeder, die waren

zoo ver en konden hem niet meer helpen in dezen nood.

De krijgsauditeur had ons belast nauwkeurig onderzoek te doen ter

plaatse en werden zijne vermoedens door de getuigenissen

bevestigd dan zou de verdachte morgen voor den kop worden

geschoten. Wij reden met onze auto naar Puers: de substituut, een

commandant-assesseur en ik als griffier. Wij waren alle in uniform

en gewapend, de chauffeur had zijn geweer, want zoo dicht bij den

vijand moesten wij op mogelijke hinderlagen berekend zijn.

Wij trokken den Rupel over, langs een houten brug, door de genie

daar geslagen. Op den anderen oever zagen wij, over eene

onafzienbare lengte, den sleep van amunitie-wagens en kanonnen

van het aftrekkend belgisch leger dat te Sempst, Weerde en

Eppeghem gevochten had.

In het vlakke landschap langs de rivier scheen het als een schilderij

uit den tijd van Napoleon: De kanonniers op hunne schuddende

stukken droegen zwarte colback's met koper-belegde stormbanden

en roode koorden. Een skadron lanciers kwam aangereden, blauw

en geel met hoog-opgestoken lansen en waaiende penoenen. Hoog

op hunne paarden zaten gendarmen met de monumentale beremutsen

der grenadiers van de oude garde. Ginder in de verte schetterden

de wijnroode broeken en groene tunieken van gidsen.

Het viel mij toen op dat ons leger misschien nog het eenige was ter

wereld waar de oorlog de heroïsche beteekenis behouden had van

schoone gevechten in schitterende uniformen naast het aardkleurige

en machinale van den duitschen krijg.

Op 24 Augustus had onze generale staf bericht gekregen van

geweldige gevechten die tusschen het fransch-engelsche leger en

de Duitschers op de Samber en in de richting van Mons geleverd

werden. Het scheen het gunstig oogenblik om een uitval te wagen

tegen het duitsch observatieleger dat voor Antwerpen lag. Die uitval

geschiedde op 25 en 26 Oogst. De Belgen heroverden Hofstade en

de bosschen van Schiplaeken alsook Sempst, Weerde en Eppeghem.

Doch, na afloop der veldslagen aan de Samber, kon deze aanval

niet meer worden voortgezet en nu zagen wij de troepen die er aan

deel namen terug in het versterkte kamp komen. Wij geraakten met

moeite door het getrappel der paarden, het gehots der wielen, tot in Puers.

Wij zetelden op het vredegerecht en lieten daar de getuigen voor

ons verschijnen. Ik bedacht dat de woorden die ik ging opteekenen

over het leven van een mensch zouden beslissen. Indische

spreuken kwamen mij te binnen: "Hij die den stok droeg waarmee

een man werd geslagen is schuldig aan moord. Hij die den stift hield

bij het neerschrijven van een onrechtvaardig vonnis is schuldig

aan moord." Door de open ramen hoorden wij aanhoudend het

getrappel der paarden, het gebons der kanonnen op de kasseien

het gedreun der voetzolen van het aftrekkend leger. Het was

halfdonker geworden in de zaal. Door het lawaai konden wij

nauwelijks de getuigen verstaan. Ik teekende alles stipt op en

voelde me gelukkig geen enkel bewijs tegen den man te vinden.

Ik dacht er later dikwijls op na hoe nauwlettend en eerlijk wij het

strafrecht toepasten op den vijand, terzelfder stonde dat onze eigen

weerlooze en onschuldige landgenooten, mannen, vrouwen en

kinderen, zonder een schijn van onderzoek veroordeeld werden en

laffelijk vermoord, nadat zij dikwijls hun eigen graf hadden moeten

delven.

Wij reden terug naar de stad in onze auto. In de schemering zagen

wij de laatste munitie-wagens van het aftrekkende leger. De

uniformen der ruiters die de karren voerden waren bijna niet meer te

herkennen. Lanciers droegen shako's van jagers, jagers mutsen

van kanonniers, alle wapens en alle drachten waren gemengd. De

infanteristen in hunne donker-blauw-bestoven mantels schenen

dood-moe. Velen hadden hunne rood-afgeboorde ronde mutsjes

van eene groene klep voorzien tegen zon en regen. In den avond

schenen zij als zoovele ooglijders of blinden die voortstrompelden

langs de baan. De caissons en de kanonnen waren nog behangen

met groene takken en stroo om ze voor vijandelijke vliegeniers

onkennelijk te maken. Mitrailleuses werden door honden getrokken

wien de tong van draven uit den muil hing. Achter de laatste karren

liepen jonge priesters met bestoven togen, minderbroeders op

bloote voeten in sandalen, die dienst deden als brancardiers, den

witten band met het roode kruis rond den arm.

Aan de brug over den Rupel en in de richting van Boom zagen wij

nog en weer, aftrekkende troepen. Wij moesten telkens wachten

om door de verwarring van paarden, wagens en voetvolk te komen.

In de weiden langs den weg lagen de eerste kudden van vluchtelingen,

arme menschen met pak en zak uit have en goed verjaagd.

Want de Duitschers, razend om den uitval der Belgen, hadden de

wreedste baldadigheden, brandstichting en moord, in de terugbezette

dorpen bedreven.

In de straten van Boom stonden onafzienbare rijen van auto's, door

het leger gerekwireerd. Het waren alle private rijtuigen die vroeger

mooie dames en heeren in soirée-kleeren naar de schouwburgen

voerden en nu, bestoven, vuil, onkennelijk daar stonden, volgeduwd

met zakken meel, brooden of oorlogsgetuig.

Wat er met onzen verspieder verder gebeurd is weet ik niet, maar

ter dood veroordeeld werd hij zeker niet. Hij zal wel met de andere

verdachten en krijgsgevangenen, na den val van Antwerpen, naar

Engeland zijn overgebracht. Hoe dikwijls zijn wij zoo van verre

tochten tegen den avond terug de stad ingereden, die stad waar het

begon te woelen en te gisten van heel het leven van het land dat er

nu was samengetrokken. Wanneer ik toen de torens, van ver in de

velden, zag uitsteken boven de wallen en de huizen, tegen een

rooden zonsondergang, dacht ik altijd aan het tragisch einde dat

eens zou komen. Sint Jans toren van Borgerhout, Sint Jacobstoren,

O. L. V. toren, in onze bliksemsnelle vaart door de van-volk-krielende

straten volgden zij elkaar op. De belgische driekleur woei als

wanhopig op hunne toppen. Hoe lang nog?

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 9 / 26 题