De dagen van geweld en verschrikking moesten nog komen.
Worden ze niet dikwijls voorafgegaan van een schijnbare rust, als
ware het om ons de tegenstelling des te bitterder te doen voelen.
Zoo was het althans voor mij.
Dien zondag 23 Augustus was een rustige dag geweest. Ik was in
mijn werkkamer gaan zitten na het avondeten. Ik vernam van uit de
keuken hoe mijn huisgenooten luidop hun avondgebed lazen. Kort
daarna hoorde ik hunne voeten door den gang en over den
marmeren trap naar boven sleffen. Ik las de Histoire de Belgique
van Pirenne. In den huidigen landsnood scheen het nog 't best ons
te verdiepen in 't geen wij vroeger geweest waren. Ik voelde ons
land verzwakken en als in stervensgevaar en ik gaf mij de illuzie het
uur onzer dood te vertragen door een terugkeer naar het verleden.
Maar ik voelde de rust van ons groot slapend huis weldra op mij
wegen als een levende aanwezigheid. Het ging niet meer om te
lezen en ik zag stil-mijmerend mijn kamer rond. Het elektrische licht
viel, gedempt, van uit den dof-kristallen bol aan de licht-gele
zoldering. Ik zag de wijn-roode gordijnen toegeschoven, in breede,
alle gerucht-smoorende plooien, hangen voor de ramen. De rood-
mahonie-houten meubels en bibliotheken droegen hier en daar gele
glimmende licht-vegen. Op het donker-groene behangselpapier der
wanden hingen mijne kunstplaten, teekeningen en schilderijtjes
in hunne stemmige kaders. Nevens de deur blonk mijne oud-
grieksche icone als een massieve gouden plaat. Ik keek naar de
mooi-gebonden ruggen mijner boeken in groen, bruin, blauw rood
leder of wit pergament met hier en daar wat dof verguldsel. Ik moest
opstaan om ze te gaan betasten tot op de hoogste planken met
mijn bleekwordende vingers. Ik begon te snuisteren in mijn
bibliotheek en ontdekte boeken die ik sinds lang vergeten was en
die mij weer aantrokken om het genot dat ik er vroeger aan
beleefde. Moe van staan en lezen wilde ik weer gaan zitten. Mijn
oogen vielen toe. Het zou maar best zijn te gaan slapen. Ik
droomde dien nacht en zag in mijn huis een samenkomst van alle
rassen, een verwarde vergadering van Chinezen en Kozakken, van
Turken en Hindoes, van negers en blanken... Uit de duizeling
waarin ik verkeerde schoot ik plotseling als met een schok wakker.
Ik hoorde een groot gerommel als van donder en dacht aan een
onweder. Maar weer daverde een geweldige slag. De oorlog kwam
terug voor mijn geest. De stad werd zeker onverwacht beschoten.
Ik ging zien aan het venster maar eene ontzettende ontploffing
kraakte zoo nabij in de stad dat de ruiten rammelden en ik
werktuiglijk achteruitsprong voor 't geweld. Ik kleedde mij aan en
liep naar de kamer mijner ouders. Mijn zuster kwam ook uit haar
deur daarover in haar witte nacht-japon. Ik zag bij het aarzelende
licht van een nachtpitje, vader en moeder overeind zitten, te midden
der wit-grauwe frommeling der beddelakens. Hunne bleeke en door
den slaap nog verouderde en doorrimpelde gezichten keken
verdwaasd en verschrikt.
--"Het is de beschieting!"
--"Het zijn misschien maar signalen of proefschoten."
--"Laat ons bidden" zei iemand en ik hoorde paternoster-beiers
tegen elkaar rollen in een hand.
Ik liep naar boven om uit de hoogste vensters over de stad te zien.
Ik hoorde toen heel duidelijk het geronk van schroeven, hoog ievers
in de lucht, maar zag niets. Het werd mij duidelijk nu dat het een
Zeppelin was.
Herhaaldelijk daverden er nog ontploffingen over de stad, maar
steeds op verder en verder afstand. Telkens gingen er als
bliksemschichten door de lucht. Het waren de losbarstingen van
bommen die het moordschip uitwierp. Ik hoorde èen gekletter van
ruitscherven en enkele geweer knallen, van burgerwachten,
waarschijnlijk, die vruchteloos op den Zeppelin vuurden.
Toen werd weer alles stil. Ik zag O.L.V. toren hoog boven de
groene-en-mauve omschemerde huizen uitsteken als een omdoezelde
silhouette. De beiaard "rammelde" en het klonk drie uur in den
vaaglichtenden dag. In de straat beneden gingen deuren en vensters
open, menschen riepen rap en angstig tegen elkaar of liepen in de
richting der ontploffingen. Wij gingen weer slapen.
's Morgens na het ontbijt trok ik uit de vernieling zien in de stad. Er
was een ongemeene drukte in de straten. Negen of tien bommen
waren er geworpen. Twee dicht bij mijn huis, waarvan een in de
Schermersstraat, waar twee dienstmeisjes in haar bed werden
gedood, en een, juist achter mijn hofje, op het Sint Elisabeths
gasthuis. In de Twaalfmaanden straat was eene woning tot op den
grond ineen gestort. Op de Stadswaag, in de Lozana en de Justicie
straat waren groote kuilen in de kasseien, vensters en deuren aan
spaanders, diepe putten in de gevels en de arduinboorden. 10
menschen waren gedood en meer dan 40 gekwetst, allen non-
combattanten. In een huis werd eene vrouw gevonden die letterlijk
was gepulveriseerd. Een andere die uit haar venster leunde werd
het hoofd afgeslagen zoo dat de bloedstraal als een fontein naar
beneden spoot.
Naar de plaatsen te oordeelen, waar de projectielen gevallen
waren, kon men gissen wat het eigenlijke doelwit geweest was van
de laffe aanranders, en de bladen vernoemden de Minerva-fabriek
te Berchem, de Nationale bank, het Sint Elisabeths gasthuis, het
koninklijk Paleis en de Falcon kazerne. Vooral de aanslag op het
Paleis verwekte een algemeen afgrijzen. Onze Vorsten verbleven
daar, onze dappere Koning, onze teere en geliefde Koningin, de
jonge Prinsjes, en het beeldschoone prinsesje Marie-José. Het was
afschuwelijk te bedenken dat Duitschland kalm een aanslag op hun
leven had beraamd en ons met een keer van heel ons vorstenhuis
had kunnen berooven. Ook ging Koningin Elisabeth dadelijk, als
eene bezorgde moeder, hare kinderen naar Engeland in veiligheid
brengen, om daarna weer kalm en onverstoorbaar, hare plaats
naast den Koning in te nemen.
De verbeelding van het volk was zeer getroffen geweest door het
ongewoone en afschuwelijke van den aanslag zoo dat er een
buitengewoone verscheidenheid van folkoristische prenten en
kleurdrukken aan 't licht kwamen, waar de verraderlijke vaart van
het luchtschip op afgebeeld stond boven de nachtelijke stad, terwijl
de vallende bommen, met vuurspattend geweld, op de pleinen en in
de straten openkraakten.
De menschen in hunne huizen verzonnen allerlei verdedigings-
middelen tegen een mogelijken tweeden aanslag en richtten hunne
kelders in tot een zeker toevluchtsoord. De bovenverdiepingen
werden voortaan als hoogst gevaarlijk beschouwd. Van hoogerhand
werden dringend maatregelen genomen om het gevaar te keer te
gaan.
Sedert dien Zeppelin-aanslag leefden wij 's nachts te Antwerpen in
de volledigste duisternis. Om acht uur moest alles gesloten zijn en
werd alle tramverkeer geschorst. Nergens mocht uit de vensters der
huizes een spleetje licht meer komen of er werd gescheld door
politie-agenten of patroeljeerende burgerwachten. De straten en
pleinen waren niet meer te herkennen in de donkerte. Ik ging elken
avond uit om het fantastische schouwspel te genieten van die
nachtelijke stad. Het was een middeleeuwsch vizioen.
Ik herinner mij nog het vreemde, benauwelijke van dien eersten
nacht. Ik stapte over het Groen Kerkhof, het geleek met zijn
boomen een donker bosch waarvan het eind niet was te ontwaren.
De straten rond de hoofdkerk waren donkere holen en putten
waarboven, over de huizen de hemel vaag schemerde. Het motregende
een weinig. De vlaggen die nog te treuren hingen aan de gevels
hadden geen kleur meer. Het waren donkere voolen die zwaar sloegen
van het nat tegen de ruiten. De Sint Jacobstoren stond ginder als
een groote inktzwarte burg met op zijn top een wanhopig-
slaande-zwart-uitziende vlag, als een dood-signaal. Van uit de
verre donkere diepte van de Meir kwamen toen twee groote
gloeiende bollen aangereden van een auto. De stralenbundels
gleden verblindend over de kasseien en bespatteden de huisgevels
die een oogenblik opdoken uit de duisternissen, als waren zij van
rood en geel glimmend marmer. Door de zwarte lucht boven de
stad gingen de blauw-zilverige stralen der zoeklichten, lange
schitterende strepen, die soms een wijle onbeweeglijk op den hemel
geschreven stonden, soms grootsch en traag bewogen en een
wolkje gingen beschijnen of plots, lijk balken lichts, wegvielen achter
de huizen in den zwarter wordenden nacht.
Wanneer het nog zoel weer was, zaten de menschen in de arme
buurten op banken en stoelen aan de deuren. Zij waren niet
zichtbaar in de duisternis maar in 't voorbijgaan hoorde men het
stemgeruisch. Het roode vonken van een pijp, het vlammetje van
een aangestreken lucifer deed soms de gezichten opleven uit de
donkerte. Voorbijgangers liepen je op het lijf zonder dat je ze had
zien aankomen.
De lieden meenden voortaan alle soort vreemde en geheime
dingen in het zwarte zwerk te zien. Groepjes keken met aandacht
naar een groote ster, beweerden dat zij traag bewoog en zeker het
lichtje moest zijn van een vijandelijk vliegenier of van een
luchtschip.
Met het wassen van de maan werd de stad éene betoovering. Het
maanlicht lag lijk sneeuw tusschen de links en rechts donker-
opbonkende gevels. De huizen in de schaduwkanten vlokten bijeen
tot groote gevaarten, vreemde silhoutten van burgten en
cathedralen, op den gloor van den hemel. De O.L.V. toren, maan-
beschenen, leek als van oud-zilver en zijn lange schaduw viel zwart
over de daken, over de steenen der Groote Markt, tot op den
roosachtigen gevel van het stadhuis.
De beiaard zong niet meer.