VI-In En Om De Forten Van Antwerpen

Het onderzoek van sommige krijgszaken vereischte reizen en

verplaatsingen van het auditoraat waar ik dan d. d. griffier was. Wij

bolden zoo in een auto heel de omgeving van Antwerpen af.

Ik zag de omliggende forten der verouderde verdedigingslijn,

Merxem, Wijneghem, Borsbeeck, Oude-God, Wilrijk. Ik zag de

verwoesting die het belgisch leger voor de verdediging der stad

overal had aangericht. Ik kwam in die gewelfde wit-gekalkte

kazematten, langs donkere trappen en gangen, onder duistere

gewelven, waar wij commandanten en officieren vonden, met in

verschillende weken niet meer geschoren baarden, en die met

hunne soldaten nog alles in 't werk stelden om die verouderde

stellingen toch nog in staat van verweer te brengen.

Ik bedacht toen hoe wij ze vroeger op onze wandelingen, naar het

Peersbosch of naar Schilde en s' Gravenwezel, ontmoetten. Het

waren oasissen van groen, verdoken achter hooge schoone

boomen, in de Lente bedolven onder het gele goud der

bremstruiken. Zij schenen nooit in een oorlog te zullen gebruikt

worden, zoo rustig en schilderachtig kwamen zij ons voor. Hun

uitzicht had iets tooverachtigs en romantisch. Nu was alles op

kilometers in het rond afgehakt en neergehaald. De prachtige

eeuwenoude dreven van beuken, eiken of olmen waren als in eene

reusachtige orkaan omgekomen en verdwenen. De stompels staken

uit ten allen kant, soms breed en rond als tafels en maakten het land

tot een gruwzame wildernis. Men kon zien van het eene fort naar het

andere. Zij schenen in de verte lijk kleine heuvels boven de effen vlakte,

waar de puinhoopen lagen der afgebroken huizen en nog hier en daar

een gebouw te smeulen stond of te branden en er een ander, in een

wolk van stof en vuur, door dynamiet in de lucht vloog.

Overal in de vroeger rustig-schoone velden, in de verwoeste

bosschen en tuinen, waar eens lachende villa's stonden en

weelderige kasteelen, waren loopgrachten gegraven en, over

groote uitgestrektheden, pindraad-versperringen aangelegd. Er

werd verteld van heele velden die ondermijnd waren, van lege

tonnen met latjes en aarde gedekt waarin de aanvallers onverhoeds

moesten neertuimelen. De wegen waren afgesloten door hooge

wagens of dwarsgelegde boomen of takken en in ons vrij land kon

men nergens meer door, zonder het wachtwoord te kennen of

speciale papieren op zak te dragen. Overal dregen de schildwachten

met gevelde bajonet.

Hoe meer de tijd vorderde zoo grooter werd het verlangen naar den

buiten, naar de open natuur. Het was de vrije wereld naast de

steeds strengere beknelling der belegerde vesting. Op een zondag

wilde ik nog eens met mijn huisgenooten naar ons landgoed te

Cappellenbosch. Maar 't was lastig en ongewoon. Wij moesten

onze plaats-bewijzen vragen aan 't winket tusschen twee

gendarmen. Een speciale pas met den zegel van den krijgs-

gouverneur was noodig om weg te mogen. De treinen reden maar

tot Cappellen, wij moesten een uur te voet naar Cappellenbosch.

Het was een ellendige tocht door het oorlogsvernielingswerk. Door

de boomenweelde van een wijdsch en duister park was een spoor

aangelegd en een locomotief stond zwart en ontzaglijk, onder de

kruinen van reuze-beuken waardoor ruw een weg was gebaand. De

prachtige eiken-dreef, van Capellen tot aan het kruispunt van het

spoor op Holland, lag plat met al de bosschen en hoven links en

rechts van de baan. Over 50 jaar zou de jammer van den oorlog

nog in deze streek gevoeld worden. Want huizen kunnen nog na

korten tijd herbouwd, maar boomen behoeven meer dan een

menschenleven om boom te zijn in hunne volle pracht. Niet alleen

het geslacht van heden maar de toekomst zou lijden van deze

gruwelen en het lieve aanschijn van het land verminkt zien. Zoo

dacht ik toen...

Over de eindelooze vlakten, die daar open lagen, zagen wij de

forten van Ertbrand, Brasschaet, Cappellen, Schooten, als groote

molshoopen boven het land, vol verkoolde stammen, smeulende

takkenbossen en prikkeldraadversperringen, waar vroeger

bosschen stonden of gras en wilde bloemen groeiden. Van afstand

tot afstand liepen weer de loopgraven door de velden. Op de

wegen waren er poorten van aardewerk, waarachter kanonnen en

mitrailleuses stonden in schietgaten. Overal wachtposten die de

papieren onderzochten, heel het geteisterde landschap vol

kappende, zagende en brandstokende soldaten.

De onmiddellijke omgeving van ons goed was gespaard gebleven.

Daar bestond de oude twee-dubbele eikendreef nog, daar zagen wij

nog de ontzaglijke purpere en groene beuken in de diepten der

weiden en, langs de baan, die lage baksteenen en witgekalkte

huisjes, onder roode daken. De zomerwindjes fluisterden door de

blaren en deden het machtig landschap zinderen en bewegen van

een ingetogen leven. De vogels piepten. Een kwikstaartje liep voor

ons uit op de straatsteenen. Het was zoo heilig-rustig en eenzaam

alom. Het scheen hier zoo ver van alle verschrikking en geweld dat

men weer ging twijfelen aan de werkelijkheid van den oorlog. God

en 't was toch oorlog!

Als wij de zwart-ijzeren poort met de gulden lansen van onzen hof

openden, kwamen wij in een paradijs van vrede, groen en bloemen.

Blauwen-hemel-spiegelend lag de groote vijver met zijn eilandje vol

zilveren berken en donkere masten. De bloemperken--steen-en

vuur-roode geraniums, goudgele escholzia 's, roze gele en oranje

begonia 's--lagen hier en daar verspreid in de grasvlakten. De

zware trossen der hortensia 's bewogen op den wind. Diep in den

hof op den achtergrond van het dennenbosch, lag het huis met het

witte portaal en de blauwe luiken onder het hoog rood-pannendak.

Wij waren als geesten die sprakeloos kwamen dolen rond een oord

van liefde en geluk, waar zij alle sinds lang zouden gestorven zijn

en dat hun niet meer toebehoorde...

Het scheen mij een oogenblik alsof wij slaapwandelaars waren,

maar weldra geurde weer kook van eten door het huis, als op die

gezellige zondagen dat wij allen te samen waren en met vrienden

gouden samoswijn dronken, boven de trappen voor de groote

huisdeur, in de warme schaduw van den gevel. Vader en ik wij

plukten fruit in den groenselhof, heele korven appelen en perzikken.

Wij herinnerden ons hoe die boomen gebloeid hadden, wit en rozig

in de laatste lente, schooner dan jaren voorheen, in die lente die

nog niet wist van dezen gruwelijken najaarstijd. En de vruchten

waren zoo prachtig zoo ontelbaar dit laatste overvloedsjaar dat de

vele jaren van armoede en ellenden zou voorafgaan.

Wij aten den noen in het licht-groen geschilderde kamertje naast de

keuken, bij het open raam. Er stonden nog bloemen op de tafel. Wij

dronken koffie en rookten onze cigaren. Wij liepen in den namiddag

nog een laatsten keer door die smalle kronkelende wegen, vol

ritselende mastspelden, door de wegen die wij met ons eigen

handen door het bosch hadden aangelegd met hunne schoon-

buigende lijnen om de aardigste plekken en de mooiste boomen te

ontmoeten. Het was de laatste wandeling die wij er zouden doen.

Wij hadden groote pakken bij, als wij terug naar de stad trokken.

Een mensch wil altijd alles redden en meedragen wat bij zijn leven

zoo lang reeds behoort. Op een wandeling te voet van ons huis tot

Cappellen waren dat lastige "impedimenta", maar wij schrikten er

niet voor terug en elk droeg gaarne zijn last. De trein die uit

Cappellen vertrok, moest stoppen bij de vesten, aan eene halte,

speciaal daarvoor aangelegd. Soldaten sprongen met de bajonet op

het geweer in de compartimenten en onderzochten papieren en

pakken der reizigers. Het was voor mij eene echt-russische

impressie.

De val van Antwerpen (october 1914) · 第 7 / 26 题