Het onderzoek van sommige krijgszaken vereischte reizen en
verplaatsingen van het auditoraat waar ik dan d. d. griffier was. Wij
bolden zoo in een auto heel de omgeving van Antwerpen af.
Ik zag de omliggende forten der verouderde verdedigingslijn,
Merxem, Wijneghem, Borsbeeck, Oude-God, Wilrijk. Ik zag de
verwoesting die het belgisch leger voor de verdediging der stad
overal had aangericht. Ik kwam in die gewelfde wit-gekalkte
kazematten, langs donkere trappen en gangen, onder duistere
gewelven, waar wij commandanten en officieren vonden, met in
verschillende weken niet meer geschoren baarden, en die met
hunne soldaten nog alles in 't werk stelden om die verouderde
stellingen toch nog in staat van verweer te brengen.
Ik bedacht toen hoe wij ze vroeger op onze wandelingen, naar het
Peersbosch of naar Schilde en s' Gravenwezel, ontmoetten. Het
waren oasissen van groen, verdoken achter hooge schoone
boomen, in de Lente bedolven onder het gele goud der
bremstruiken. Zij schenen nooit in een oorlog te zullen gebruikt
worden, zoo rustig en schilderachtig kwamen zij ons voor. Hun
uitzicht had iets tooverachtigs en romantisch. Nu was alles op
kilometers in het rond afgehakt en neergehaald. De prachtige
eeuwenoude dreven van beuken, eiken of olmen waren als in eene
reusachtige orkaan omgekomen en verdwenen. De stompels staken
uit ten allen kant, soms breed en rond als tafels en maakten het land
tot een gruwzame wildernis. Men kon zien van het eene fort naar het
andere. Zij schenen in de verte lijk kleine heuvels boven de effen vlakte,
waar de puinhoopen lagen der afgebroken huizen en nog hier en daar
een gebouw te smeulen stond of te branden en er een ander, in een
wolk van stof en vuur, door dynamiet in de lucht vloog.
Overal in de vroeger rustig-schoone velden, in de verwoeste
bosschen en tuinen, waar eens lachende villa's stonden en
weelderige kasteelen, waren loopgrachten gegraven en, over
groote uitgestrektheden, pindraad-versperringen aangelegd. Er
werd verteld van heele velden die ondermijnd waren, van lege
tonnen met latjes en aarde gedekt waarin de aanvallers onverhoeds
moesten neertuimelen. De wegen waren afgesloten door hooge
wagens of dwarsgelegde boomen of takken en in ons vrij land kon
men nergens meer door, zonder het wachtwoord te kennen of
speciale papieren op zak te dragen. Overal dregen de schildwachten
met gevelde bajonet.
Hoe meer de tijd vorderde zoo grooter werd het verlangen naar den
buiten, naar de open natuur. Het was de vrije wereld naast de
steeds strengere beknelling der belegerde vesting. Op een zondag
wilde ik nog eens met mijn huisgenooten naar ons landgoed te
Cappellenbosch. Maar 't was lastig en ongewoon. Wij moesten
onze plaats-bewijzen vragen aan 't winket tusschen twee
gendarmen. Een speciale pas met den zegel van den krijgs-
gouverneur was noodig om weg te mogen. De treinen reden maar
tot Cappellen, wij moesten een uur te voet naar Cappellenbosch.
Het was een ellendige tocht door het oorlogsvernielingswerk. Door
de boomenweelde van een wijdsch en duister park was een spoor
aangelegd en een locomotief stond zwart en ontzaglijk, onder de
kruinen van reuze-beuken waardoor ruw een weg was gebaand. De
prachtige eiken-dreef, van Capellen tot aan het kruispunt van het
spoor op Holland, lag plat met al de bosschen en hoven links en
rechts van de baan. Over 50 jaar zou de jammer van den oorlog
nog in deze streek gevoeld worden. Want huizen kunnen nog na
korten tijd herbouwd, maar boomen behoeven meer dan een
menschenleven om boom te zijn in hunne volle pracht. Niet alleen
het geslacht van heden maar de toekomst zou lijden van deze
gruwelen en het lieve aanschijn van het land verminkt zien. Zoo
dacht ik toen...
Over de eindelooze vlakten, die daar open lagen, zagen wij de
forten van Ertbrand, Brasschaet, Cappellen, Schooten, als groote
molshoopen boven het land, vol verkoolde stammen, smeulende
takkenbossen en prikkeldraadversperringen, waar vroeger
bosschen stonden of gras en wilde bloemen groeiden. Van afstand
tot afstand liepen weer de loopgraven door de velden. Op de
wegen waren er poorten van aardewerk, waarachter kanonnen en
mitrailleuses stonden in schietgaten. Overal wachtposten die de
papieren onderzochten, heel het geteisterde landschap vol
kappende, zagende en brandstokende soldaten.
De onmiddellijke omgeving van ons goed was gespaard gebleven.
Daar bestond de oude twee-dubbele eikendreef nog, daar zagen wij
nog de ontzaglijke purpere en groene beuken in de diepten der
weiden en, langs de baan, die lage baksteenen en witgekalkte
huisjes, onder roode daken. De zomerwindjes fluisterden door de
blaren en deden het machtig landschap zinderen en bewegen van
een ingetogen leven. De vogels piepten. Een kwikstaartje liep voor
ons uit op de straatsteenen. Het was zoo heilig-rustig en eenzaam
alom. Het scheen hier zoo ver van alle verschrikking en geweld dat
men weer ging twijfelen aan de werkelijkheid van den oorlog. God
en 't was toch oorlog!
Als wij de zwart-ijzeren poort met de gulden lansen van onzen hof
openden, kwamen wij in een paradijs van vrede, groen en bloemen.
Blauwen-hemel-spiegelend lag de groote vijver met zijn eilandje vol
zilveren berken en donkere masten. De bloemperken--steen-en
vuur-roode geraniums, goudgele escholzia 's, roze gele en oranje
begonia 's--lagen hier en daar verspreid in de grasvlakten. De
zware trossen der hortensia 's bewogen op den wind. Diep in den
hof op den achtergrond van het dennenbosch, lag het huis met het
witte portaal en de blauwe luiken onder het hoog rood-pannendak.
Wij waren als geesten die sprakeloos kwamen dolen rond een oord
van liefde en geluk, waar zij alle sinds lang zouden gestorven zijn
en dat hun niet meer toebehoorde...
Het scheen mij een oogenblik alsof wij slaapwandelaars waren,
maar weldra geurde weer kook van eten door het huis, als op die
gezellige zondagen dat wij allen te samen waren en met vrienden
gouden samoswijn dronken, boven de trappen voor de groote
huisdeur, in de warme schaduw van den gevel. Vader en ik wij
plukten fruit in den groenselhof, heele korven appelen en perzikken.
Wij herinnerden ons hoe die boomen gebloeid hadden, wit en rozig
in de laatste lente, schooner dan jaren voorheen, in die lente die
nog niet wist van dezen gruwelijken najaarstijd. En de vruchten
waren zoo prachtig zoo ontelbaar dit laatste overvloedsjaar dat de
vele jaren van armoede en ellenden zou voorafgaan.
Wij aten den noen in het licht-groen geschilderde kamertje naast de
keuken, bij het open raam. Er stonden nog bloemen op de tafel. Wij
dronken koffie en rookten onze cigaren. Wij liepen in den namiddag
nog een laatsten keer door die smalle kronkelende wegen, vol
ritselende mastspelden, door de wegen die wij met ons eigen
handen door het bosch hadden aangelegd met hunne schoon-
buigende lijnen om de aardigste plekken en de mooiste boomen te
ontmoeten. Het was de laatste wandeling die wij er zouden doen.
Wij hadden groote pakken bij, als wij terug naar de stad trokken.
Een mensch wil altijd alles redden en meedragen wat bij zijn leven
zoo lang reeds behoort. Op een wandeling te voet van ons huis tot
Cappellen waren dat lastige "impedimenta", maar wij schrikten er
niet voor terug en elk droeg gaarne zijn last. De trein die uit
Cappellen vertrok, moest stoppen bij de vesten, aan eene halte,
speciaal daarvoor aangelegd. Soldaten sprongen met de bajonet op
het geweer in de compartimenten en onderzochten papieren en
pakken der reizigers. Het was voor mij eene echt-russische
impressie.