"Dank je!" riep Eduard terug. --
Eduard ging met zijn gezicht naar den muur liggen en deed zijn oogen
dicht.
"Misschien bof je wel!" had Meertens gezegd, en zeker had hij dus
ook niet gedacht dat Eduards kans om er door te komen heel groot
was; o, 't zou vreeselijk zijn als hij zakte, misschien zou mijnheer
van Eerde wel vinden dat hij heelemaal geen examen mocht doen, en
wat zou Vader dan wel zeggen! Had hij maar aan Meertens gevraagd om
zijn boeken mee te brengen! -- Was hij nu heusch zoo vreeselijk
stom? Was hij nu heusch zooveel dommer dan de andere jongens? En
opeens was 't weer of hij mijnheer Snijders hoorde zeggen: "'t Is
niets dan luiheid, je kunt best als je maar wilt!" -- Ja, lui, dat
was hij geweest! Nooit had hij zijn werk goed afgemaakt in de
laatste vier maanden, en iederen morgen was hij naar school gegaan
met halfgeleerde lessen -- en de taak, die mijnheer Snijders hem
voor de Paaschvacantie gegeven had, was ook al niet afgeweest, en
het gedeelte, dat hij wél gemaakt had, zag er slordig uit, en was
vol fouten -- en dat moest hij nu allemaal aan Vader vertellen; --
wat zou Vader wel zeggen!
Piet kwam nog even boven voor hij naar school ging. Eduard keek om
toen hij de deur hoorde opengaan, maar dadelijk draaide hij zijn
gezicht weer naar den muur.
"Wat mankeer jij?" vroeg Piet verbaasd.
"Niks," antwoordde Eduard onverschillig.
"Da's niet veel!" -- en toen Eduard niets zei: "Nou, je kunt toch
wel antwoord geven!"
"Je vraagt me niks," zei Eduard met zijn oogen dicht, en Piet, die
zoo'n conversatie ál te gezellig vond, liep fluitend naar beneden.
--