Stil lag Eduard voor zich uit te kijken.
't Raam stond open, en een zachte, warme zomerlucht kwam naar
binnen.
't Was nu al bijna een week geleden, dat hij zijn arm gebroken had,
en nog altijd lag hij hier in bed, en 't werd zoo vreeselijk
vervelend! Och, ze kwamen allemaal wel dikwijls boven om even een
praatje te maken, maar 't grootste deel van den dag waren ze naar
school -- eergisteren niet, toen was 't Zondag, en toen had hij
bijna aldoor gezelschap gehad, maar gisteren was 't zoo echt
vervelend geweest, en vandaag begon 't alweer net zoo -- na 't
ontbijt waren Bep en Broertje nog even bij hem geweest, maar al gauw
was Juf ze komen halen om met ze te gaan wandelen nu 't zulk mooi
weer was, en daarna had hij niemand meer boven gezien -- hij mocht
wel lezen, en naast hem op 't tafeltje lag ook wel een boek, maar 't
ging zoo lastig, met dien eenen arm, en hij gaf ook nooit zoo heel
veel om lezen -- en nog altijd was Vader niet thuis -- al van Zondag
af had hij 't gedacht: misschien is de boot wel heel vroeg,
misschien komt Vader vandaag wel -- maar Vader was niet gekomen --
Daar werd beneden gescheld; 't klingelde door 't heele huis;
misschien was het Vader -- och nee, er werd 's morgens immers altijd
zoo dikwijls gebeld, de slager, en de groenteboer -- maar misschien
was het de dokter wel, die zou vandaag nu toch zeker wel weer eens
komen! En misschien vertelde de dokter dan wel dat hij op mocht
staan! 't Was niet om zijn arm, dat hij nog in bed moest blijven,
maar de dokter had gezegd dat er van opstaan nog geen sprake kon
zijn zoolang de koorts niet heelemaal wegbleef -- en gisteren had
hij bijna geen koorts gehad.
Nee, 't was de dokter niet, anders was hij nu al lang boven
geweest. -- En Vader was 't ook niet, die zou ook wel dadelijk bij
hem gekomen zijn! -- Maar Vader kwam nu toch gauw thuis, ieder
oogenblik kon Vader thuiskomen, 't was de derde Juni vandaag, en de
vier maanden waren om. Waren ze nu eigenlijk gauw omgegaan of niet?
Eduard wist 't niet. Soms was 't hem wel eens meegevallen, dat er al
zeven, of acht, of negen weken voorbij waren, maar meestal toch had
het akelig, vreeselijk akelig lang geduurd. -- 't Was immers ook nog
midden in den winter toen Vader wegging, en nu was 't heelemaal
zomer, 't was warm en de zon scheen en de boomen zagen er zoo
prachtig groen uit! -- Hoe laat was 't nu? Eduard haalde zijn
horloge onder 't kussen vandaan; tien minuten voor twaalf; nee, dan
kwam de dokter niet meer vanmorgen, de anderen zouden wel haast uit
school komen, Lineke en Tommy en Hugo en Piet. -- Even dacht Eduard
er aan hoe 't op school altijd was, als om twaalf uur de bel ging;
de drukte in de klas, 't geschreeuw en 't gestamp in de vestibule,
't harde gehol van de jongens om maar zoo gauw mogelijk weg te
komen, -- en dan 't vervelende gevoel als je school moest blijven en
je alleen in die leege, stille klas zat; met je tweeën was 't lang
zoo erg niet, dan had je nog wel eens pret, maar in je eentje was 't
echt lam, en dan begon die vervelende Snijders altijd te zaniken
over dat malle toelatingsexamen. --
Natuurlijk zou hij nu wel weer een heeleboel achter raken bij de
andere jongens. Wie weet hoe lang 't nog wel duurde voor hij weer
naar school mocht, en als hij nu weer terug kwam zouden de sommen
zeker nog wel weer slechter gaan dan vroeger. -- Maar dan was Vader
ook weer terug, en dan zou Vader hem wel helpen, als hij nu eerst
maar aan Vader verteld had hoe ellendig 't rekenen tegenwoordig ging
en van die slechte cijfers! -- Eduard duwde de deken een eind van
zich af; hij had 't zoo verschrikkelijk warm!
Daar werd weer gebeld. Was Vader daar? Eduard luisterde, bang om
zich te bewegen en een van de geluiden beneden te missen. "Dag
Maatje!" ving hij op; 't waren Bep en Broertje, met de juffrouw, en
even later drongen ook Tommy's bekende hooge kreten met de lange
uithalen tot hem door. -- Waarom kwamen ze nu toch niet een van
allen boven? Niemand dacht er aan dat hij hier alleen lag, en dat
hij al de heele morgen alleen geweest was; allemaal hadden ze hem
vergeten! --
Daar kwam opeens iemand aan; haastige voetstappen wipten de trap op,
met een flinken zwaai werd de deur opengegooid en Lineke stapte
binnen, een groote tak jasmijn in haar hand. "Is hij niet prachtig?"
riep ze, "bijna alle bloemetjes er van zijn uit!" en toen ging ze
naast Eduards bed staan en hield den witten tak vlak bij zijn
gezicht.
"Ja, erg mooi!" bewonderde Eduard, voorzichtig een bloempje
vasthoudend om 't goed te bekijken, "en wat ruiken ze lekker!"
"Ik zal ze hier bij je zetten," zei Lineke, "dan heb je er den
heelen middag plezier van!" en toen haalde ze de karaf van de
waschtafel om den tak daarin te steken; een glas was niet groot
genoeg.
Met een groot blad met boterhammen kwam Tommy naar boven
geschuifeld.
"Ik kom bij je koffiedrinken!" verklaarde hij; "vind je dat niet
vreeselijk prettig? En Juf zal straks de glazen melk brengen!"
"Natuurlijk vindt hij het prettig!" lachte Lineke, de kamer
uitgaande.
[Illustratie - 23_jasmijn.jpg]
Tommy's gezelschap was heel vermakelijk. Hij deed verhalen over
gevechten, waarin hij jongens, die minstens tweemaal zoo groot als
hij waren, glansrijk verslagen had; over slooten, waar hij over
gesprongen was, en die zoowat even breed waren als de lengte van
Eduards bed ..."
"Zoo breed als de lengte van mijn bed?" herhaalde Eduard.
"Ja, zooiets," zei Tommy, "of misschien een klein beetje minder!" --
"Wil je eens uit het raam kijken wie er gescheld heeft?" vroeg
Eduard, die bij iedere bel ongeduldiger werd.
Tommy stak zijn hoofd naar buiten. "'t Is die jongen van Meertens!"
zei hij, "en Keetje heeft hem binnengelaten."
"O, leuk! laat hij gauw boven komen!" riep Eduard, "vraag aan Tante
of hij nu alsjeblieft eindelijk eens bij mij mag, anders is hij weg,
en ik moet hem noodig wat vragen ook!"
Zijn haast maakte indruk op Tommy, en de kleine jongen holde naar
beneden.
Dat "noodig" had er wel af kunnen blijven, bedacht Eduard, maar 't
was ook zoo leuk om eens over school en zoo te praten, en tot nu toe
waren Theo en Meertens en van Merlen, die ook eens was komen vragen
of hij bij hem mocht, allemaal weggestuurd, omdat er geen bezoek
mocht komen zoolang hij nog koorts had. Maar nu zou 't toch zeker
wel mogen, hij was immers bijna beter! --
Een luidruchtig gestomp tegen de deur volgde; "Binnen!" bromde
Eduard met een lage stem, en Meertens kwam de kamer in.
"Zoo Kerner, leef je nog?" vroeg hij.
"Zooals je ziet!" zei Eduard, en op den stoel bij 't voeteneind van
zijn bed wijzend, "ga zitten!"
Meertens liet zich op den stoel neervallen. "Wanneer sta je weer
op?" informeerde hij.
"Zoodra 'k van die vervelende knul van 'n dokter m'n bed uit mag!"
"Da's nogal logisch!" lachte Meertens, "'t in bed liggen schijnt je
maar matig te bevallen!"
"'t Hangt me al lang meters ver de keel uit!" mopperde Eduard;
"hoe is 't op school?"
"Nou, sloom natuurlijk! Je boft dat je er niet bent; Snijders doet
niks als ons benauwd maken voor dat halve gare toelatingsexamen en
geeft hoopen huiswerk!"
"Prettig!"
"Ja, dat snap je!" zei Meertens, de kamer rondkijkend. -- "Je Tante
wou me eerst niet naar boven laten gaan, maar toen kwam dat kleine
jong met die boodschap van je beneden en toen mocht ik, even, zei
ze. Wat had je voor interessants te vragen?"
"Ik? Nou, niks, ik wou eens wat anders hooren, je moet niet denken
dat ik hier voor m'n plezier den heelen dag in m'n eentje lig!"
"Nou, 't is een taaie boel op school," herhaalde Meertens, "en ik
kan niks doen of Snijders ziet 't nou jij niet voor me zit!"
"En wat zegt hij dan van het toelatingsexamen?"
"Nou, dat we er niet komen natuurlijk, we zijn lui, en dom, en nog
een heeleboel meer."
Even schrikte Eduard. Als mijnheer Snijders dat tegen álle jongens
zei, wat moest hij dan wel tegen hém zeggen! Hij was in den laatsten
tijd tóch bepaald al een van de minsten, en dan nog die weken dat
hij ziek was er bij --
"Zeg Meertens!"
"Nou?"
"Jij gaat naar de H. B. S. he?"
"Ja, naar de Hengelende Biggen Societeit," zei Meertens.
"Denk je dat je er komt?"
"Nou, dat hoop ik wel," zei Meertens, "'k zou 't nogal lam vinden
als ik zakte."
"Ik ga naar 't gymnasium." Eduard zweeg even. --"Denk je dat ik er
door kom?"
Meertens haalde zijn schouders op. "Hoe weet ik dat nou?" antwoordde
hij, "als 't aan mij lag wel!"
"Nou ja, doe nou niet flauw, geloof je dat ik zakken zal?"
"Ik zeg immers al dat ik 't niet weet!" herhaalde Meertens, "je kunt
soms wel nogal uilig doen tegenwoordig, maar misschien bof je bij 't
examen wel!"
"Da's opwekkend!" zei Eduard half lachend, en "nou, daar kan ik toch
niks aan doen!" beweerde Meertens, en toen begon hij een verhaal te
doen over Groeneveld, die 't bord schoon had moeten maken, en er zoo
hard tegen gebonkt had dat 't op den grond geduikeld was. "Nou,
Snijders tippelde er natuurlijk dadelijk naar toe," vertelde hij,
"en opspelen dat hij deed! 't Was om je een bult te lachen!"
Eduard had dolle pret om 't verhaal en probeerde dadelijk 'n gezicht
te trekken zooals Groeneveld gezet moest hebben. Die kon zoo echt
onnoozel kijken. --
"Nou, zeg, 'k smeer 'm," zei Meertens eindelijk, en zich uitrekkend:
"eerste uur misselijke aardrijkskunde!"
"Dat vind ik juist altijd nogal moppig," antwoordde Eduard.
"'k Geef 't je cadeau!" bood Meertens aan; "kom, ik ga weer eens
naar school kuieren," en Eduard een klap op zijn uitgestoken hand
gevend: "ik kom nog wel eens!"
"Da's goed," zei Eduard, en toen Meertens al bij de deur was: "Doe
je 't heusch?"
"Ja zeker."