O, hij kon Vader niet missen, evenmin als Vader hem, waarom was
Vader toch weggegaan? -- En als Vader nu terug kwam vond hij zijn
jongen met een gebroken arm -- en dat was zijn eigen schuld, zijn
eigen onvoorzichtigheid; -- hoe had Vader 't ook weer gezegd toen
Vader wegging: "Pepi, zul je maken dat ik een vroolijke, gezonde
jongen terugvind?" En toch was hij niet voorzichtig geweest, en als
hij nu dood was .... "Nee, hij is niet dood, kijk maar, hij beweegt
zijn been!" -- dat had een van de jongens gezegd, maar 't was net of
hij 't Linekes stem hoorde herhalen -- hoe kon dat nu? Zijn nichtje
was er toch niet bij geweest? Waar kwam Lineke nu opeens vandaan?
Lineke had er niets mee te maken, en Bep ook niet -- "Nee, hij is
niet dood" -- wie was niet dood? -- Nee, hij was zelf niet dood, als
je dood was kon je je niet meer bewegen, dan was je koud en stijf,
zooals -- zooals 't kleine vogeltje -- daar was 't, 't kleine
vogeltje, dat ze in het bosch gevonden hadden, dat hij voorzichtig
opgenomen had -- "nee, 't is niet dood," zei Lineke, "kijk maar, 't
beweegt zijn pootje ...." Dat was het! -- Arm klein vogeltje, 't was
toch gestorven, ver van zijn warme nestje, alleen ... En zonder
ophouden gleden Eduards tranen in 't kussen -- "Vader, Vader, kom
toch gauw!"
-----
Daar was de zee; aldoor loeide de storm, en donkere, zwarte wolken
hingen over de met witte schuimkoppen bedekte golven. -- Eduard
rilde; -- had hij toch maar een jas meegenomen, hij had 't nog tegen
Hugo gezegd, maar Hugo vond 't immers niet noodig. -- Daar was 't
schip, duidelijk zag hij het in de verte, 't schip waarmee Vader
thuis kwam, en daar stond Vader ook en wuifde -- "Vader!" riep
Eduard, en de menschen om hem heen keken hem met malle, verbaasde
gezichten aan -- maar 't schip kwam niet verder, aldoor bleef 't
maar even ver weg; weer zoo'n hooge golf -- waar was 't schip nu?
Weg was 't -- overal de donkere zee met de witte schuimkoppen --
Vader -- o, waarom zochten ze Vader nou niet? Was Vader dood? Vader!
Vader! En nog aldoor keek Eduard naar de woeste zee daar voor hem
.... ineens, daar was 't schip weer, nu heel dicht bij, heel
duidelijk kon hij Vader zien staan, en weer zag hij Vader wuiven en
hij zag Vaders lippen bewegen -- wat zei Vader? Och, kon hij 't nu
maar verstaan, wat was 't dan toch? Weer opende Vader zijn mond:
"Eddy, zul je je best doen Vaders moedige jongen te zijn?" ... Weg
was alles weer, niets was meer te zien van Vader, van het schip,
alleen de donkere, zwarte zee -- "Vader, Vader!" riep Eduard
wanhopig, en nog eens: "Vader!" --
Eduard schrikte wakker; 't was nu heelemaal donker in 't kleine
kamertje, want 't nachtlichtje op 't portaal was uitgewaaid -- wat
was er ook weer voor akeligs gebeurd? Zijn arm was gebroken, maar
wat nog meer? Of had hij gedroomd? Wat stormde 't buiten! Ja, dat
was 't, en wat nog meer? Buiten -- op zee -- het schip -- Vader ....
Eduard was er weer; zoo akelig duidelijk was 't geweest, -- o, als
't eens echt waar was, als 't schip eens echt vergaan was -- met
groote, angstige oogen keek Eduard in de donkere, zwarte ruimte, en
opeens was 't alsof hij hier niet in zijn kleine kamertje lag maar
in een heel groote, wijde, hooge zaal waarvan de muren oneindig ver
weg waren -- en Eduard voelde plotseling een rilling door zich heen
gaan, alsof er iets heel griezeligs was -- wat bewoog daar in de
verte, wat ging daar door de kamer heen -- wat was dat? Eduard kneep
zijn oogen stijf dicht om 't maar niet meer te zien -- wat was dat
nu weer? Allemaal groene en roode figuren die heen en weer bleven
zweven, eerst heel langzaam, toen vlugger, aldoor vlugger -- daar
ging 't weer door de kamer ....
"Hugo!" riep Eduard, en hij schrikte van zijn eigen stem, vreemd
klonk 't door 't stille huis -- maar niemand antwoordde ....
Ingespannen bleef Eduard luisteren: zeker had hij niet hard genoeg
geroepen, want alles bleef stil -- alleen een zacht, zagend geluid
drong tot hem door; hoe kwam dat nu weer? -- Ineens vond hij de
oplossing van 't raadselachtige gezaag -- 't was 't snurken van
Piet, dat was altijd zoo hard en de muur tusschen de kamers in was
niet heel dik. --
Hoe kwam 't nu opeens weer dat hij met zijn hoofd aan 't voeteneind
lag? Hij had zich toch niet omgedraaid? Wat was alles toch raar
vannacht! Waar was de muur nu? Nee, daar niet -- voorzichtig voelend
stak Eduard zijn hand uit -- daar? Maar dat was de verkeerde kant --
o, wacht, dan lag hij toch goed, dan was 't maar verbeelding geweest
daarnet ... Nu aan iets anders denken; wat had hij vanavond ook weer
willen doen? O ja, een brief aan Vader schrijven -- dat had hij nu
nog niet eens gedaan, en morgen moest de brief uiterlijk weg.
Er moest toch een brief naar Vader toe, hij wilde Vader toch
vertellen dat hij zijn arm gebroken had, en dan vragen of Vader zoo
gauw mogelijk thuis kwam -- en Beppie zou 't schrijven, ze kon
alleen maar drukletters maken, maar dan zou hij wel voorzeggen wat
ze zetten moest -- aan de anderen wilde hij 't toch niet vragen. --
Nu bedenken wat hij schrijven zou ....
-----
"Eindelijk wakker? Wel, je hebt een gat in den dag geslapen!" zei
Tante Lina, de gordijnen openschuivend, "weet je wel dat het al
kwart over negen is?"
Eduard wreef met zijn hand in zijn oogen. "Zoo laat al?" vroeg hij
verbaasd.
"Ja, zoo laat al!" lachte Tante Lina, "je hebt het er zeker maar
eens van genomen, he? Ik ben vannacht ook nog eens naar je komen
kijken, om een uur of twee, maar je sliep zoo lekker!"
Eduard gaf geen antwoord; om twee uur was hij dan zeker juist niet
wakker geweest. -- En stil bleef hij er naar liggen kijken hoe Tante
Lina aan 't opruimen ging en water in de kom schonk.
"Nu zal ik de invalide eerst eens helpen met wasschen," praatte ze
verder, "en dan zal ik je ontbijt boven sturen."
Over opstaan zei Tante Lina niets, en Eduard begon er ook niet over.
Hij had er nu heelemaal geen zin meer in, hij had hoofdpijn, en
verder voelde hij zich ook nog niks lekker. --
Piet kwam de boterhammen en 't glas melk boven brengen. "Wil ik je
soms helpen met eten?" vroeg hij.
"Nee dank je, ik kan 't best alleen, hoor!" zei Eduard, maar pas
toen Piet al lang weer beneden was stak hij den eersten hap in zijn
mond. Een halve boterham at hij op, toen had hij er genoeg van; die
gelei smaakte ook al zoo vervelend.
Eduard was blij toen Bep een poosje later boven kwam. "Hoe is 't met
je, Eetje?" vroeg ze, en met groote oogen keek ze naar 't witte
verband om den gebroken arm.
"Goed," antwoordde Eduard, "vind je niet dat mijn arm er mooi
uitziet zoo?"
Bep knikte, en keek aandachtig de kamer rond. "Je hebt je
boterhammen niet opgegeten!" zei ze toen.
"Ik heb geen trek meer."
"En heb je geen dorst ook?"
"Ja, dorst wel, geef me 't glas maar."
Voorzichtig, zonder morsen, gaf Beppie 't glas melk aan en haastig
dronk Eduard 't leeg. "Wil je wat voor me doen, Bep?" vroeg hij
toen, zijn mond aan zijn mouw afvegend.
"Ja, wat dan?"
"Een brief schrijven."
"Maar ik kan niet schrijven!"
"Da's niks, je kunt de letters toch wel maken, en dan zal ik 't je
verder wel voorzeggen."
[Illustratie - 22_brief.jpg]
"Goed," zei Beppie, en Eduard wees haar waar ze papier en een
potlood vandaan moest halen; toen sjouwde ze een paar voetkussens
aan en ging op den rand van 't bed zitten. "Wat moet ik nu
schrijven?" vroeg ze.
En Eduard dicteerde. "Lieve Vader! Een l, Bep, nu een i, e, v, e; nu
een nieuw woord, Bep, v .... en zoo ging 't langzaam verder: Lieve
Vader, ik heb mijn arm gebroken, ik ben gevallen, Bep schrijft ....
"Er kan niet meer op," zei Beppie, "kijk maar, 't papier is
heelemaal vol!"
Even lachte Eduard om de groote, scheeve drukletters. "Geef mij nu
't papier nog even," zei hij, "dan zal ik er zelf mijn naam onder
zetten." En in een hoekje krabbelde hij, onduidelijk, "Pepi."
"Wat staat daar?" vroeg Bep, 't papier nog eens nieuwsgierig
bekijkend.
"Niks," antwoordde Eduard, en even kreeg hij een kleur, "niks
bizonders tenminste." En toen liet hij Bep de brief in 't couvert
stoppen en dichtplakken. "Neem hem nu maar mee naar beneden en vraag
of Oom Vaders adres er opschrijft," zei hij.