"Heusch Tante, u kunt best allemaal naar bed gaan!" zei Eduard; "er
hoeft heusch niemand voor me op te blijven, ik ben alweer bijna
beter en morgen kan ik wel weer opstaan ook!"
"Nu, dat zullen we morgenochtend wel eens zien," antwoordde Tante
Lina glimlachend. "Maar als je dan met alle geweld alleen wilt
blijven zal ik je een nachtlichtje brengen, dan is het hier in ieder
geval niet zoo pikdonker als je soms wakker wordt."
"Och, maar dat is heelemaal niet noodig," vond Eduard, "ik slaap
immers altijd in 't donker!"
"Ja, je bent nu wel een heele held," lachte Tante Lina, "maar dan
zet ik toch op 't portaaltje een lichtje neer, hoor! En dan zullen
we de deur half open laten, kijk, zoo! En als je dan iets noodig
hebt moet je ze maar een van allen roepen, Edu; roep Hugo maar, die
wordt altijd nogal gauw wakker!"
"Ik wou m'n horloge graag nog hebben," zei Eduard, en Tante Lina
keek even rond en nam het van de tafel; "waar moet ik het laten?"
"Onder mijn kussen, en dan een glas water bij mij." Tante Lina zette
het glas water op het nachttafeltje naast Eduards bed en schoof het
horloge voorzichtig onder zijn kussen. Toen ging ze naar beneden. --
Oom Tom kwam ook nog even naar zijn neef kijken. "Hoe is 't met de
patient?" vroeg hij.
"Goed Oom!" antwoordde Eduard dadelijk.
"Doet de arm geen pijn meer?"
"Nee, ik voel er nu bijna niks meer van!"
"Mooi zoo! Nu probeeren om gauw te gaan slapen, hoor! Je niet wakker
laten houden door de wind!"
"Waait het zoo?" vroeg Eduard verbaasd; "'t was vanmiddag zulk
prachtig weer!"
"Ja, maar na vieren is de wind erg opgestoken, je kunt het wel
hooren als je even stil bent;" -- Oom Tom zweeg even en Eduard
luisterde.
"'t Stormt bijna, geloof ik," zei hij.
"Nou, zoo erg is 't niet," lachte Oom Tom, "'t lijkt meer dan 't is!
Maak nu maar dat je gauw slaapt, dan wed ik dat je morgen weer een
heele kerel bent!"
Maar Eduard sliep nog lang niet; 't was ook nog veel te roezig in
zijn hoofd; zoo'n vreeselijke verwarring was 't opeens geweest, toen
hij daar onder aan dien heuvel lag, met die afschuwelijke pijn in
zijn arm, en de andere jongens er allemaal omheen met hun
verschrikte gezichten -- en 't duurde zoo akelig lang voordat Piet
met een dokter terugkwam. -- Maar eindelijk, eindelijk was de dokter
toch gekomen, -- o, hij had het uitgegild van pijn toen de dokter
in zijn arm gevoeld had, -- 't was vreeselijk geweest! "Gebroken,"
had de dokter gezegd, "moet dadelijk gezet worden!"
En later, toen hij werkelijk aan 't zetten toe was: "'t Zal wel een
beetje pijn doen, maar niet schreeuwen, hoor!"
Verschrikkelijke pijn had 't gedaan, Eduard rilde nog als hij er aan
dacht, en heel stijf had hij zijn tanden in zijn lippen gedrukt, en
zonder dat hij 't wilde waren telkens groote tranen in zijn oogen
gekomen; maar geschreeuwd had hij niet; zouden de andere jongens het
dapper van hem vinden, dat hij niet geschreeuwd had? Och, maar ze
hadden niet gevoeld hoeveel pijn het deed, en natuurlijk hadden ze
gezien dat hij huilde! Maar Vader zou hem toch zeker wel flink
gevonden hebben als Vader 't wist; hij had toch ook zijn best gedaan
een moedige jongen te zijn. -- Wat was dat ook weer? Wie had dat
gezegd? Wanneer zou dat geweest zijn? Even was 't, of hij niet meer
kon denken, -- wat beteekende het dan toch? En in zijn gedachte
herhaalde hij weer de woorden: "Zul je je best doen een moedige
jongen te zijn?" -- Nee, 't was niet "een", 't was iets anders, wát
was 't? Eduard voelde weer tranen in zijn oogen komen, en nog eens
probeerde hij te denken -- och, wie kon hem dat nu toch zeggen, wie
wist 't dan toch? Nee, hier wisten ze 't niet, hier wisten ze niks
-- Vader wist 't, Vader begreep zooiets altijd dadelijk -- Vader,
wat was dat dan toch, van die moedige jongen?
Eduard deed zijn oogen dicht: ja, daar was Vaders gezicht, daar was
hij ook weer in Vaders kamer, daar begon Vader te praten; -- wat zei
Vader? Nu goed luisteren -- duidelijk zag hij Vaders lippen bewegen:
"Eddy, zul je je best doen Vaders moedige jongen te zijn?"
Daar was 't! Nu wist hij 't weer: "Zul je je best doen Vaders
moedige jongen te zijn?" -- Heel, heel dikwijls was hij niet moedig
geweest, maar dit zou hij dan toch aan Vader kunnen vertellen, dat
hij niet geschreeuwd had toen zijn arm gezet werd; -- dat was immers
moedig? Wie had gezegd dat het moedig was? Daarnet zei iemand dat
toch -- o ja, de dokter had het gezegd, de dokter had het zélf
verteld aan Tante Lina -- "hij heeft zich ferm gehouden, nu hebben
we het ergste gehad!" -- 't Ergste was nu voorbij; o, een heerlijk
gevoel was 't geweest, toen hij eindelijk hier in bed lag, toen hij
heel stil, heel rustig kon blijven liggen; -- 't had ook nog zoo
vreeselijk lang geduurd voordat hij thuis was, die akelige lange rit
in het rijtuig, waar maar geen eind aan kwam, met de dokter en Hugo,
toen hij maar aldoor zijn oogen dicht gehouden had; en 't was zoo
ongemakkelijk geweest! En toen die drukte hier in huis, ze waren
allemaal zoo geschrikt, en ze hadden toch dadelijk gedacht dat 't
erg was, al was van Merlen ook gaan zeggen dat 't niets beteekende.
Eduard hoorde beneden een deur open en dicht gaan, toen volgde een
zacht gestommel op de trap -- er kwam iemand met licht naar boven --
o, dat was 't nachtlichtje waarover Tante Lina al iets gezegd had --
wie kwam 't nu brengen? Was 't Tante Lina zelf? Nee, zeker was 't
Juf. -- Eduard hoorde hoe 't nachtlichtje heel zacht op 't
portaaltje werd neergezet -- de juffrouw was straks ook zoo stil
naar boven gekomen, toen de kleintjes naar bed gingen, en bij 't
uitkleeden had hij ze ook bijna niet gehoord; anders maakten ze
altijd zoo'n lawaai, maar zeker waren ze ook geschrikt. Wat zouden
Lineke en Bep wel gezegd hebben, en de kleine jongens? Zouden Hugo
en Piet nog niet naar bed gaan? O nee, 't was pas half negen ... nu
niet meer denken, maar slapen; -- waar dacht hij daarnet nu ook weer
aan, voordat 't nachtlichtje daar stond -- aan 't rijtuig -- nee,
dat was toch niet 't laatste -- o ja, van Merlen die 't was gaan
zeggen -- van Merlen was een leuke jongen, hij was er ook niet bij
geweest toen ze hadden gezegd van dat naar beneden rijden -- "ik
durf best, maar ik doe het niet" -- o, had hij het ook maar niet
gedaan, had hij maar volgehouden dat hij niet wilde, dát was moedig
geweest, en dat hij gegaan was, was laf! Hij was heelemaal niet
Vaders moedige jongen geweest -- had hij toen hij op het punt was om
naar beneden te rijden maar aan Vader gedacht, misschien had dat hem
wel geholpen, misschien had hij 't dan wel niet gedaan! Of had het
vanmorgen nu maar dadelijk zoo gewaaid, dan waren ze heelemaal
niet gaan fietsen, en dan was er ook niets gebeurd -- nu woei het,
heele vlagen waren 't, maar 't was nu te laat -- waar zou de fiets
gebleven zijn? Hadden de jongens hem vergeten? Zeker was hij
heelemaal kapot; hij had er nog niet eens aan gedacht om 't te
vragen -- straks roepen tegen Hugo en Piet als ze boven kwamen. Nee,
alleen Hugo roepen -- als de fiets kapot was moest hij zoo gauw
mogelijk gemaakt worden, -- hij kon hem niet missen; -- of ja, nu
wel, hij kon nu toch niet rijden -- hoe lang zou 't wel duren? Een
dag, twee dagen, drie, vier, vijf, zes .... wat zes? -- O ja, dagen,
zes dagen -- zou 't zes dagen duren? Wat? 't Maken van de fiets? Of
't in bed liggen? Wat zei de dokter? Hoeveel dagen? Zes dagen, zeven
dagen, acht, negen, tien ....
-----
Onrustig flikkerde 't nachtlichtje, telkens bijna uitwaaiend als een
hevige windvlaag langs 't huis streek; hoe laat was 't nu? Waren
Hugo en Piet al naar bed? -- Eduard luisterde -- stil, akelig stil
was het in 't heele huis -- had hij lang geslapen? 't Kon best
midden in den nacht zijn; buiten joeg de wind door de boomen en
langs de muren -- 't was nu nog veel erger dan straks, zeker had hij
toch nogal lang geslapen -- sloeg er nu maar eens een klok! En zijn
lippen waren zoo akelig droog -- o, maar 't glas water stond naast
hem; -- even probeerde Eduard zich op te richten, maar dadelijk
zakte hij weer in 't kussen terug -- 't deed pijn; was 't hier maar
niet zoo donker, dan kon je tenminste op je horloge kijken -- 't
nachtlichtje op 't portaaltje gaf haast niets; en hij had zoo'n
dorst! Toch nog eens probeeren om te drinken -- voorzichtig haalde
hij 't glas naar zich toe; nu ging 't beter -- he, dat was wel
heerlijk frisch, maar iedere beweging deed pijn -- nu verder stil
blijven liggen. --
Weer loeide een windvlaag langs 't raam, en weer flikkerde 't
lichtje. Nu stormde 't dan toch wel --zoo angstig hard was 't aldoor
-- en wat zou 't op zee vreeselijk weer zijn! Eens was hij op een
stormachtigen dag aan 't strand geweest met Vader; hooge golven met
groote witte schuimkoppen, en daarboven die heel donkere, zwarte
lucht -- maar dat was nog overdag geweest, nu was 't midden in den
nacht, nu was 't heelemaal pikdonker, niets zou je zien, alleen zou
je 't hooren, 't slaan van de golven en 't geloei van den wind -- en
midden op zee was Vader, heel ver weg was 't schip nog, midden in
den storm -- zou Vader ook de golven tegen 't schip hooren slaan en
zou Vader ook 't gieren van den wind hooren? Zou Vader ook wakker
zijn, en nu, op 't oogenblik, aan hem denken? Zeker zou Vader denken
dat hij kalm sliep, en Vader zou zelfs heelemaal niet vermoeden hoe
hij hier wakker lag, met een gebroken arm! Wat zou Vader 't akelig
vinden als Vader weer thuis kwam -- natuurlijk zou Vader denken dat
hij zijn jongen al aan 't station zou vinden; -- maar Vader zou hem
niet zien, en dan zou Vader hier komen en hooren dat hij ziek was,
en dan zou Vader dadelijk naar boven gaan -- wat kráákte daar op de
tráp? --