XVIII.

"Heusch Tante, u kunt best allemaal naar bed gaan!" zei Eduard; "er

hoeft heusch niemand voor me op te blijven, ik ben alweer bijna

beter en morgen kan ik wel weer opstaan ook!"

"Nu, dat zullen we morgenochtend wel eens zien," antwoordde Tante

Lina glimlachend. "Maar als je dan met alle geweld alleen wilt

blijven zal ik je een nachtlichtje brengen, dan is het hier in ieder

geval niet zoo pikdonker als je soms wakker wordt."

"Och, maar dat is heelemaal niet noodig," vond Eduard, "ik slaap

immers altijd in 't donker!"

"Ja, je bent nu wel een heele held," lachte Tante Lina, "maar dan

zet ik toch op 't portaaltje een lichtje neer, hoor! En dan zullen

we de deur half open laten, kijk, zoo! En als je dan iets noodig

hebt moet je ze maar een van allen roepen, Edu; roep Hugo maar, die

wordt altijd nogal gauw wakker!"

"Ik wou m'n horloge graag nog hebben," zei Eduard, en Tante Lina

keek even rond en nam het van de tafel; "waar moet ik het laten?"

"Onder mijn kussen, en dan een glas water bij mij." Tante Lina zette

het glas water op het nachttafeltje naast Eduards bed en schoof het

horloge voorzichtig onder zijn kussen. Toen ging ze naar beneden. --

Oom Tom kwam ook nog even naar zijn neef kijken. "Hoe is 't met de

patient?" vroeg hij.

"Goed Oom!" antwoordde Eduard dadelijk.

"Doet de arm geen pijn meer?"

"Nee, ik voel er nu bijna niks meer van!"

"Mooi zoo! Nu probeeren om gauw te gaan slapen, hoor! Je niet wakker

laten houden door de wind!"

"Waait het zoo?" vroeg Eduard verbaasd; "'t was vanmiddag zulk

prachtig weer!"

"Ja, maar na vieren is de wind erg opgestoken, je kunt het wel

hooren als je even stil bent;" -- Oom Tom zweeg even en Eduard

luisterde.

"'t Stormt bijna, geloof ik," zei hij.

"Nou, zoo erg is 't niet," lachte Oom Tom, "'t lijkt meer dan 't is!

Maak nu maar dat je gauw slaapt, dan wed ik dat je morgen weer een

heele kerel bent!"

Maar Eduard sliep nog lang niet; 't was ook nog veel te roezig in

zijn hoofd; zoo'n vreeselijke verwarring was 't opeens geweest, toen

hij daar onder aan dien heuvel lag, met die afschuwelijke pijn in

zijn arm, en de andere jongens er allemaal omheen met hun

verschrikte gezichten -- en 't duurde zoo akelig lang voordat Piet

met een dokter terugkwam. -- Maar eindelijk, eindelijk was de dokter

toch gekomen, -- o, hij had het uitgegild van pijn toen de dokter

in zijn arm gevoeld had, -- 't was vreeselijk geweest! "Gebroken,"

had de dokter gezegd, "moet dadelijk gezet worden!"

En later, toen hij werkelijk aan 't zetten toe was: "'t Zal wel een

beetje pijn doen, maar niet schreeuwen, hoor!"

Verschrikkelijke pijn had 't gedaan, Eduard rilde nog als hij er aan

dacht, en heel stijf had hij zijn tanden in zijn lippen gedrukt, en

zonder dat hij 't wilde waren telkens groote tranen in zijn oogen

gekomen; maar geschreeuwd had hij niet; zouden de andere jongens het

dapper van hem vinden, dat hij niet geschreeuwd had? Och, maar ze

hadden niet gevoeld hoeveel pijn het deed, en natuurlijk hadden ze

gezien dat hij huilde! Maar Vader zou hem toch zeker wel flink

gevonden hebben als Vader 't wist; hij had toch ook zijn best gedaan

een moedige jongen te zijn. -- Wat was dat ook weer? Wie had dat

gezegd? Wanneer zou dat geweest zijn? Even was 't, of hij niet meer

kon denken, -- wat beteekende het dan toch? En in zijn gedachte

herhaalde hij weer de woorden: "Zul je je best doen een moedige

jongen te zijn?" -- Nee, 't was niet "een", 't was iets anders, wát

was 't? Eduard voelde weer tranen in zijn oogen komen, en nog eens

probeerde hij te denken -- och, wie kon hem dat nu toch zeggen, wie

wist 't dan toch? Nee, hier wisten ze 't niet, hier wisten ze niks

-- Vader wist 't, Vader begreep zooiets altijd dadelijk -- Vader,

wat was dat dan toch, van die moedige jongen?

Eduard deed zijn oogen dicht: ja, daar was Vaders gezicht, daar was

hij ook weer in Vaders kamer, daar begon Vader te praten; -- wat zei

Vader? Nu goed luisteren -- duidelijk zag hij Vaders lippen bewegen:

"Eddy, zul je je best doen Vaders moedige jongen te zijn?"

Daar was 't! Nu wist hij 't weer: "Zul je je best doen Vaders

moedige jongen te zijn?" -- Heel, heel dikwijls was hij niet moedig

geweest, maar dit zou hij dan toch aan Vader kunnen vertellen, dat

hij niet geschreeuwd had toen zijn arm gezet werd; -- dat was immers

moedig? Wie had gezegd dat het moedig was? Daarnet zei iemand dat

toch -- o ja, de dokter had het gezegd, de dokter had het zélf

verteld aan Tante Lina -- "hij heeft zich ferm gehouden, nu hebben

we het ergste gehad!" -- 't Ergste was nu voorbij; o, een heerlijk

gevoel was 't geweest, toen hij eindelijk hier in bed lag, toen hij

heel stil, heel rustig kon blijven liggen; -- 't had ook nog zoo

vreeselijk lang geduurd voordat hij thuis was, die akelige lange rit

in het rijtuig, waar maar geen eind aan kwam, met de dokter en Hugo,

toen hij maar aldoor zijn oogen dicht gehouden had; en 't was zoo

ongemakkelijk geweest! En toen die drukte hier in huis, ze waren

allemaal zoo geschrikt, en ze hadden toch dadelijk gedacht dat 't

erg was, al was van Merlen ook gaan zeggen dat 't niets beteekende.

Eduard hoorde beneden een deur open en dicht gaan, toen volgde een

zacht gestommel op de trap -- er kwam iemand met licht naar boven --

o, dat was 't nachtlichtje waarover Tante Lina al iets gezegd had --

wie kwam 't nu brengen? Was 't Tante Lina zelf? Nee, zeker was 't

Juf. -- Eduard hoorde hoe 't nachtlichtje heel zacht op 't

portaaltje werd neergezet -- de juffrouw was straks ook zoo stil

naar boven gekomen, toen de kleintjes naar bed gingen, en bij 't

uitkleeden had hij ze ook bijna niet gehoord; anders maakten ze

altijd zoo'n lawaai, maar zeker waren ze ook geschrikt. Wat zouden

Lineke en Bep wel gezegd hebben, en de kleine jongens? Zouden Hugo

en Piet nog niet naar bed gaan? O nee, 't was pas half negen ... nu

niet meer denken, maar slapen; -- waar dacht hij daarnet nu ook weer

aan, voordat 't nachtlichtje daar stond -- aan 't rijtuig -- nee,

dat was toch niet 't laatste -- o ja, van Merlen die 't was gaan

zeggen -- van Merlen was een leuke jongen, hij was er ook niet bij

geweest toen ze hadden gezegd van dat naar beneden rijden -- "ik

durf best, maar ik doe het niet" -- o, had hij het ook maar niet

gedaan, had hij maar volgehouden dat hij niet wilde, dát was moedig

geweest, en dat hij gegaan was, was laf! Hij was heelemaal niet

Vaders moedige jongen geweest -- had hij toen hij op het punt was om

naar beneden te rijden maar aan Vader gedacht, misschien had dat hem

wel geholpen, misschien had hij 't dan wel niet gedaan! Of had het

vanmorgen nu maar dadelijk zoo gewaaid, dan waren ze heelemaal

niet gaan fietsen, en dan was er ook niets gebeurd -- nu woei het,

heele vlagen waren 't, maar 't was nu te laat -- waar zou de fiets

gebleven zijn? Hadden de jongens hem vergeten? Zeker was hij

heelemaal kapot; hij had er nog niet eens aan gedacht om 't te

vragen -- straks roepen tegen Hugo en Piet als ze boven kwamen. Nee,

alleen Hugo roepen -- als de fiets kapot was moest hij zoo gauw

mogelijk gemaakt worden, -- hij kon hem niet missen; -- of ja, nu

wel, hij kon nu toch niet rijden -- hoe lang zou 't wel duren? Een

dag, twee dagen, drie, vier, vijf, zes .... wat zes? -- O ja, dagen,

zes dagen -- zou 't zes dagen duren? Wat? 't Maken van de fiets? Of

't in bed liggen? Wat zei de dokter? Hoeveel dagen? Zes dagen, zeven

dagen, acht, negen, tien ....

-----

Onrustig flikkerde 't nachtlichtje, telkens bijna uitwaaiend als een

hevige windvlaag langs 't huis streek; hoe laat was 't nu? Waren

Hugo en Piet al naar bed? -- Eduard luisterde -- stil, akelig stil

was het in 't heele huis -- had hij lang geslapen? 't Kon best

midden in den nacht zijn; buiten joeg de wind door de boomen en

langs de muren -- 't was nu nog veel erger dan straks, zeker had hij

toch nogal lang geslapen -- sloeg er nu maar eens een klok! En zijn

lippen waren zoo akelig droog -- o, maar 't glas water stond naast

hem; -- even probeerde Eduard zich op te richten, maar dadelijk

zakte hij weer in 't kussen terug -- 't deed pijn; was 't hier maar

niet zoo donker, dan kon je tenminste op je horloge kijken -- 't

nachtlichtje op 't portaaltje gaf haast niets; en hij had zoo'n

dorst! Toch nog eens probeeren om te drinken -- voorzichtig haalde

hij 't glas naar zich toe; nu ging 't beter -- he, dat was wel

heerlijk frisch, maar iedere beweging deed pijn -- nu verder stil

blijven liggen. --

Weer loeide een windvlaag langs 't raam, en weer flikkerde 't

lichtje. Nu stormde 't dan toch wel --zoo angstig hard was 't aldoor

-- en wat zou 't op zee vreeselijk weer zijn! Eens was hij op een

stormachtigen dag aan 't strand geweest met Vader; hooge golven met

groote witte schuimkoppen, en daarboven die heel donkere, zwarte

lucht -- maar dat was nog overdag geweest, nu was 't midden in den

nacht, nu was 't heelemaal pikdonker, niets zou je zien, alleen zou

je 't hooren, 't slaan van de golven en 't geloei van den wind -- en

midden op zee was Vader, heel ver weg was 't schip nog, midden in

den storm -- zou Vader ook de golven tegen 't schip hooren slaan en

zou Vader ook 't gieren van den wind hooren? Zou Vader ook wakker

zijn, en nu, op 't oogenblik, aan hem denken? Zeker zou Vader denken

dat hij kalm sliep, en Vader zou zelfs heelemaal niet vermoeden hoe

hij hier wakker lag, met een gebroken arm! Wat zou Vader 't akelig

vinden als Vader weer thuis kwam -- natuurlijk zou Vader denken dat

hij zijn jongen al aan 't station zou vinden; -- maar Vader zou hem

niet zien, en dan zou Vader hier komen en hooren dat hij ziek was,

en dan zou Vader dadelijk naar boven gaan -- wat kráákte daar op de

tráp? --

Eduard Kerner · 第 36 / 42 题