XVII.

"Dag Pa! Dag Maatje! Dag! Dag!" en telkens keken ze nog eens om, de

vier kleintjes, en dan wuifden ze tegen Oom Tom en Tante Lina, die

op de stoep de kinderen stonden na te kijken. 't Was een grappig

gezicht om ze daar met hun vieren zoo deftig te zien wegstappen naar

de verjaarpartij, waar ze zich al de heele week op verheugd hadden,

Lineke en Bep in de nieuwe lichtblauwe jurken en de twee kleine

jongens in de schoone witte matrozenpakjes; bij den hoek bleven ze

nog even staan om nog eens allemaal tegelijk te wuiven -- toen waren

ze verdwenen.

Lachend gingen Oom Tom en Tante Lina weer naar binnen. In de gang

waren de jongens bezig zich klaar te maken voor een fietstocht. --

"Waar hebben jullie mijn portemonnaie toch gelaten?" vroeg Piet; "ik

weet zeker dat er nog drie maffies en een paar centen in zaten, en

we moeten toch geld bij ons hebben!"

"Die zul je zelf wel ergens gelaten hebben!" antwoordde Eduard;

"zeg, hebben jullie de zuurtjes soms gezien?"

"Ja, die heb ík soms gezien," zei Hugo, "de zak tenminste, die ligt

binnen op den schoorsteenmantel, maar stop ze niet in je blouse of

zoo, want dan kleeft het heele partijtje aan elkaar."

"'k Zal ze in mijn fietstaschje douwen," bedacht Eduard, "neem jij

nog een jas of zoo iets mee?"

"Ja, 'k zal gek zijn," zei Hugo, stevig op 't zadel van zijn fiets

drukkend om 't wat lager te zetten, "er is notabene geen wolkje aan

de lucht!"

"Nou heb ik nog altijd m'n portemonnaie niet!" mopperde Piet.

"Daar kan ík toch niks aan doen!" merkte Eduard op, en Hugo

adviseerde zijn broer om nu eens met zijn oogen inplaats van met

zijn neus te kijken.

"Hij zal in den zak van je andere broek zitten!" zei Tante Lina, "ga

boven maar eens kijken, en trek dan meteen je laarzen aan, met die

oude fietsschoenen kun je niet uit, de lappen hangen er bij!"

"Nee dàt doe 'k niet," verklaarde Piet kwaad, "met laarzen kun je

niet fietsen!"

Maar de Kapitein, die zwijgend had staan toekijken, was 't niet met

zijn zoon eens. "Nonsens!" beweerde hij, "je doet het wél, dat

eeuwige tegenspreken van jullie!"

"Ik heb ook geen tijd meer, we moeten weg," bromde Piet, maar zijn

Vader viel hem in de rede: "Je hebt gehoord wat Mama gezegd heeft,

he? En anders kun je thuis blijven! Alsjeblieft!" En mopperend ging

Piet naar boven; 't was toch te mal om je door dat gezeur je heele

prettige Woensdagmiddag te laten bederven!

"Nou, ik ben klaar!" zei Eduard, de fietspomp neerleggend, en hij

draaide 't ventieldopje van 't achterwiel weer vast; toen bracht hij

zijn fiets naar buiten. "Moeten jouw banden ook nog opgepompt,

Huug?"

"Nou, een ietsje mogen ze nog wel hebben. Wil jij 't even doen, zeg?

Dan kom ik ook dadelijk."

Tante Lina en Oom Tom waren weer naar de huiskamer gegaan, en Eduard

begon de banden van Hugo's fiets op te pompen. Terwijl hij bezig was

hoorde hij de andere jongens al aan komen rijden, hard tegen elkaar

roepend en lachend; daar sprongen ze alle vier van hun fietsen af,

en "komen jullie?" galmde 't door de gang.

"Ja, we zijn klaar!" riep Hugo terug, en haastig kwam hij aanhollen;

even drukte hij zijn duim op de fietsbanden; "nou, ze zijn kei,

hoor!" zei hij tegen Eduard, "'t is prachtig zoo!" en met zijn fiets

de voordeur uitgaande: "Dag Pa, dag Ma!"

"Dag Oom, dag Tante!" riep Eduard.--

"Zeg, waar blijft dat lieve broertje van je?" vroeg Wouters aan

Hugo.

"Nou, die zal direct wel arriveeren," antwoordde Hugo; "de liefheid

kun je anders van me cadeau krijgen!" --

"Zoo Kernertje! Ga jij ook mee?" vroeg Tersteeg, en: "Ja, als jij 't

goed vindt tenminste," lachte Eduard, die al op zijn fiets was

gewipt en zich aan de lantaarnpaal vasthield om op de anderen te

wachten.

"Nou, dat is maar zoo-zoo," zei Tersteeg met een ernstig gezicht,

"dan mag je wel heel zoet zijn, hoor!"

"En doen wat jij zegt zeker!" voegde van Merlen er bij. "Laat je

niet voor de gek houden, Kerner!"

"Zoo, is hij weer aan 't opsnijden?" vroeg Ronner, een speciale

vriend van Hugo, en plagend trok hij Tersteeg aan zijn dasje.

"Toe, hou je klavieren thuis!" schreeuwde Tersteeg.

Met veel drukte kwam Piet het huis uitstormen; zijn fiets rammelde

over de keien, en 't aan de anderen overlatend om de deur dicht te

trekken sprong hij op, trapte met veel vaart het troepje bij de

lantaarnpaal voorbij, en riep achteromkijkend: "Zie je wel, nou ben

ik nog het eerste van allemaal! Wat zijn jullie toch vreeselijk aan

't teuten, zeg!"

Lachend kwamen de jongens hem achterna.

"Nou allemaal naast elkaar!" commandeerde Hugo, "en dan allemaal een

hand op den schouder van je buurman!"

Ze vulden bijna de heele breedte van de straat, de zeven fietsen, en

telkens keken de menschen, tot groot plezier van de jongens; en

iedere keer sloot de rij zich weer aan als ze zich even hadden

moeten verdeelen om een rijtuig of een auto door te laten.

"Zeg lui! Bij de Dooi gaan we chocola koopen!" riep Ronner.

Van die naam had Eduard nog nooit gehoord; "wat is dat voor een

winkel?" vroeg hij.

"Weet je dát niet eens? Komt zeker omdat je nog niet op de Burger

bent," zei van Merlen, "'t is die winkel aan 't eind van de straat,

de Vries heet hij, maar we noemen hem altijd de Dooi, de meeste

jongens weten geloof ik niet eens dat hij de Vries heet!" en tegen

Ronner: "Fuif jij op chocola, zeg?"

"Zeker," antwoordde Ronner. --

"Vooruit lui, allemaal naar binnen," grinnikte Piet, van zijn fiets

springend. Met veel gerammel werden de fietsen tegen den muur gezet,

en Wouters gooide de winkeldeur open.

Met een beetje dringen konden ze er alle zeven in. "Haring in een

ton!" smoesde Piet.

"Nee, sardientjes in een blikje!" proestte Tersteeg.

"Meneer de Dooi, hebt u nog chocola?" informeerde Ronner, over de

toonbank hangend.

"Wilt u een tablet hebben?"

"Toe, schei uit," zei Ronner tegen Wouters, die hem tegen zijn arm

stond te stompen, "he, wat zegt u? O ja, een tablet."

"Een tablet -- wat een pret," dichtte Piet.

"'n Leuke zet," beweerde van Merlen, en proestend vervolgden de

jongens:

"En zoo net!"

"Stop 'm onder je pet!"

"Dan wordt-ie vet!"

"Deze is van vijftien cent," zei de winkelier, de pakken chocola op

de toonbank uitstallend en meteen zijn best doende de jongens alle

zeven in het oog te houden, "en deze van twintig cent, vijfentwintig

cent, dertig cent ..."

"Hoeveel is die?" wees Ronner aan.

"Vijftien cent."

"Wat zegt u?"

"Vijftien cent."

"Da's drie keer," zei Hugo half hard.

Ze stonden allemaal met vuurroode gezichten te stikken, en Ronner

vroeg, en hij moest twee keer opnieuw beginnen omdat hij niet verder

kon van 't lachen: "Is dat erg gemeen goed?"

De winkelier werd kwaad. "De kwaliteit van de andere is natuurlijk

beter," zei hij, "maar die van vijftien cent is ook heel goed."

"Nou, laten we dan die 'ook heel goede kwaliteit' maar nemen," vond

Ronner, en hij haalde wat klein geld uit zijn broekzak en begon de

vijftien centen op de toonbank uit te tellen.

"Wat heb ik een mooi kalotje op," grinnikte Piet, maar nu had

"Meneer de Dooi" er genoeg van, en hij schold het heele partijtje de

winkel uit; lachend stoven de jongens naar buiten, en even later

trapten ze er weer lustig op los.

"Nou twee aan twee en de rest in troepjes!" schreeuwde Ronner, want

de weg werd nu te smal om allemaal naast elkaar te rijden, en zelf

gaf hij het voorbeeld door met Hugo vooraan te gaan. "En nou eens

een beetje doortrappen, lui, anders komen we nooit bij 't kristallen

paleis."

't "Kristallen paleis" was 't doel van de tocht, een open plek

ergens in de bosschen, die door de jongens zoo gedoopt was; 't

eenige bizondere dat je er zag was een vervallen hoop steenen, als

treurig overblijfsel van het kristallen paleis, dat daar in vroeger

eeuwen gestaan moest hebben. --

In koor de nieuwste straatdeun fluitend fietsten de jongens verder,

langs villa's en groote tuinen en vijvers met overhangende boomen,

en daartusschen weilanden met koeien, waarover de zon vroolijk

scheen.

Eduard genoot; wat was 't ook een prachtige dag voor een fietstocht!

Zoo heerlijk frisch en lekker was 't hier buiten, je voelde je zoo

echt vrij, en 't hinderde toch ook eigenlijk niets dat de jongens

allemaal ouder waren dan hij, ze waren toch wel leuk, en zulke

geestige dingen konden ze zeggen, zooals straks bij de Dooi; 't was

toch vreeselijk moppig om zoo met je allen uit te zijn, en dan

straks de proviand opeten en spelen bij 't kristallen paleis ...

"Hoe is 't toch met 't hol van de Manahawaas?" vroeg van Merlen

naast hem.

"O, best!" zei Eduard lachend, "maar we hebben er niet veel meer aan

gedaan, de boel ligt er nog net zoo; we moeten 't op een andere keer

maar eens vervolgen, he?"

"Nou, daar zal wel niet veel meer van komen," dacht van Merlen,

"laten we liever een fietsclub oprichten, en dan geregeld tochtjes

met elkaar maken, dat doen ze in de vierde ook."

"Ja, dat zou fijn zijn!" vond Eduard, en hij philosopheerde er over

of ze 't goed zouden vinden dat Theo dan ook meeging; de volgende

week zou Theo de beloofde fiets krijgen.

"Die vierde is zoo'n echte leuke klas!" vertelde van Merlen, en hij

begon een verhaal te doen over de vierde-klassenaren, hoe die laatst

mokkataartjes besteld hadden en ze op school hadden laten bezorgen

met het adres: "aan de dames en heeren van de vierde klas." -- "Nou

was de mop dat ze 't laatste uur een leeraar hadden, die

'mokkataartje' genoemd wordt. Nou, tusschen de uren in bracht

Laatsemaar 't zaakje binnen, en toen draaiden de jongens de klas van

binnen af, en hielden uitdeeling; één taartje legden ze heel

voorzichtig op een wit papiertje, en zoo zetten ze het op de tafel

waaraan 'mokkataartje' zitten moest. Die had in die tusschentijd al

aan de buitenkant tegen de deur staan trommelen, ze dachten

tenminste dat 't 'mokkataartje' was, en een van de lui die 't

dichtst bij de deur zat draaide de sleutel weer om en vloog toen als

een haas in z'n bank. En daar komt me inplaats van 'mokkataartje',

van Leeuwen binnen! Ze schrikten zich gewoon dood! 'Waarvoor was die

deur op slot?' vroeg van Leeuwen woedend, maar natuurlijk kreeg hij

geen antwoord; ze zaten allemaal met hun mond vol tanden of liever

vol mokkataartje, want dat durfden ze van schrik niet eens door te

slikken. En toen ging van Leeuwen naar de tafel toe, en daar zag hij

dat taartje liggen; je hebt er gewoon geen flauw idee van hoe razend

hij was! Hij zei niks, maar begon met de les, want 'mokkataartje'

was ziek en daarom viel van Leeuwen zelf in, en om vier uur -- toen

barstte de bom los! Wel een half uur duurde 't, en 't grapje heeft

ze nog een heele Woensdagmiddag gekost ook! Met z'n allen moesten ze

terugkomen! Als jij 't volgend jaar op de Burger bent ..."

"Maar ik ga niet naar de Burger," viel Eduard hem in de rede, "ik ga

naar 't gymnasium!"

"Da's wat anders," zei van Merlen; "enfin, daar kun je ook wel pret

hebben, maar je hebt er nooit zulke groote klassen." --

"Links om!" klonk het commando, en netjes zwenkten de fietsen den

hoek om, den duinweg in. Voor ze uit, op zij, zoo ver ze zien

konden, overal zonnige duinen, en daarboven de effen, helderblauwe

zomerlucht.

Eduard haalde diep adem; wat was 't een prettige, heerlijke dag! En

over een week kwam Vader weer thuis, en dan werd alles nog veel

plezieriger! Hij bedacht opeens dat hij nog niet naar Genua

geschreven had; vanavond, als 't huiswerk af was, wilde hij 't

dadelijk doen!

't Was hier hard werken voor de jongens, want aldoor steeg de weg,

en ze moesten stevig trappen voor ze eindelijk boven waren. --

"Zeg lui, ik verga van den honger!" riep Tersteeg, "laten we nou

eerst eens een stukkie eten!" En hij sprong van zijn fiets en veegde

zijn voorhoofd af.

Met hun allen gingen ze op de bank zitten, Eduard met Piet en van

Merlen op de leuning, en even bleven ze uitblazen; in de verte

schitterde de zee, een smalle strook was hier te zien, en heel ver

weg, op zij, waren de vuurtorens, twee kleine, nevelige staafjes.

Ronner verdeelde de chocola en Eduard gaf de zuurtjes door, en met

hun allen hadden ze pret om een paar fietsrijders, die hijgend den

weg optrapten die ze daarnet zelf gekomen waren.

"Die rekenen zeker ook op 't bankje hier," merkte Eduard op.

"Wie 't eerst komt, 't eerst maalt," lachte Wouters.

Hugo, die aldoor naar de fietsrijders gekeken had, herkende ze

opeens. "Hou je gezicht," zei hij, "'t zijn de van Weels," en tegen

Ronner: "laten we ze eens even vragen hoe ver zij met hun planten

zijn, Ron!"

Eduard had zich van de bank laten glijden om zijn fiets eens even

onderhanden te nemen. 't Ding had onderweg aldoor gerammeld, en nu

wilde hij toch eens kijken waar dat aan lag. --

Zóó druk was hij er mee bezig, dat hij niet gemerkt had hoe Hugo en

Ronner, druk pratend, met de jongens van Weel mee waren geloopen,

het steile pad naar beneden, en hoe van Merlen over 't pikkeldraad

was geklommen om in de struiken naar een vogelnest te zoeken.

Dit alles drong pas tot hem door toen de drie anderen naar hem toe

waren gekomen, en toen Wouters, nadat ze even naar Eduard hadden

staan kijken, opeens zei: "Zeg Kerner, we gaan den heuvel

af-fietsen, jij bent het eerst aan de beurt, we hebben er om

geloot!"

Eduard keek op. "De heuvel af-fietsen?" vroeg hij, "dank je

feestelijk, dat is me te gevaarlijk."

"Kom, probeer het maar eens," zei Piet, "wij doen 't ook!"

"Nou, gaan jullie dan maar eerst."

"Welnee, we hebben er eerlijk om geloot, jij bent het eerst aan de

beurt," beweerde Tersteeg, en tegen de andere twee: "Zie je nou wel

dat hij niet durft?"

"Ik durf best, maar ik doe 't niet," hield Eduard vol.

"Ja, dat snappen we," hoonde Wouters, en hij draaide zich om; "kom

lui, dan zullen we met ons drieën wel overloten. He, die Kerner is

nou toch ook zoo'n vervelende knul!"

Eduard keek ze na terwijl ze langzaam weer naar de bank

toeslenterden. Was hij nou heusch zoo laf? En was er ook eigenlijk

wel zoo veel aan te durven? Nou ja, de weg was steil, en hij had een

freewheel, maar er zaten toch ook remmen aan z'n fiets, en hij kon

't minstens even goed als de anderen. Vooruit, hij zou ze dan wel

eens laten zien dat hij wél durfde, en dat hij 't kón ook, en dat

hij geen vervelende knul was!

En met een heel bleek gezicht, maar vastbesloten riep hij tegen de

jongens bij de bank: "Houden jullie maar op met je geloot, ik zal 't

doen!"

"O, hij bedenkt zich," zei Tersteeg, "nou, gauw dan maar, we zullen

tot drie tellen, wie 't in den kortsten tijd doet krijgt een

zuurtje." En Wouters haalde zijn horloge te voorschijn en telde

hardop: "Een, twee, drie!"

En Eduard sprong op zijn fiets. Of hij 't won kon hem niet schelen,

maar doén zóu hij het! Nu remmen, aldoor remmen, zooveel mogelijk!

De rem van 't achterwiel werkte niet goed meer, maar die van 't

voorwiel ging prachtig, en langzaam gleed de fiets naar beneden, den

heuvel af.

Plotseling knapte er iets; Eduard schrikte er van, begreep niet

dadelijk wat 't was, voelde alleen maar, dat hij de rem niet meer

vast had .... met een vreeselijke vaart ging 't verder; aldoor

vlugger -- zoo stevig mogelijk klemde hij zijn handen om het stuur

-- vasthouden maar! Daar was de bocht -- opeens zag Eduard niets

meer, 't was of alles om hem heen begon te draaien -- waar was de

weg? Welke kant moest hij uit? Vaag drong nog een verward gegil tot

hem door -- een ontzettende schok volgde -- toen niets meer.

-----

"Nee, hij is niet dood, kijk maar, hij beweegt zijn been!" zei een

van de jongens.

Eduard opende zijn oogen even, maar dadelijk deed hij ze weer dicht

-- vlak voor zich had hij 't verschrikte gezicht van Piet gezien, en

daarachter de andere jongens -- wat was er gebeurd?

Hugo had zich over hem heen gebogen en probeerde voorzichtig hem op

te tillen -- Eduard schreeuwde 't opeens uit van pijn: "Mijn arm!"

gilde hij.

[Illustratie - 21_ongeluk.jpg]

"Zoo schieten we niet op," zei Hugo, "hij kan wel ik weet niet wát

gebroken hebben. Piet, wil jij niet eens even 't dorp infietsen en

kijken of je ook ergens een dokter kunt vinden, en willen jullie 't

een van allen thuis gaan vertellen? Maar niet zeggen dat hij bijna

dood is of zoo iets, zeg maar dat hij zijn voet verstuikt heeft

bijvoorbeeld, daar zullen ze wel geen flauwte van krijgen!" En toen

Ronner weg wilde rijden: "Nee Ron, blijf jij alsjeblieft hier, laat

een van de anderen maar gaan!"

Eduard Kerner · 第 35 / 42 题