Met een voldaan gevoel legde Eduard zijn viool in de vioolkist.
Heerlijk vroeg was 't, nog geen acht uur, en hij had al drie
kwartier gestudeerd. De etude ging goed, en 't menuet speelde hij
ook bijna zonder fouten.
Eduard was 't eerst van allemaal naar beneden gegaan vanmorgen;
terwijl hij aan 't studeeren was had hij de anderen langzamerhand
ook hooren komen, maar ze hadden hem niet gestoord, en vlijtig had
hij doorgespeeld, drie kwartier lang. Nu naar de huiskamer, en
kijken waar ze allemaal zaten!
Maar hij vond er niemand; 't ontbijt stond klaar en 't theewater
suisde gezellig, en hij wilde juist den tuin inloopen om eens te
kijken of ze daar soms waren toen Tante Lina en Hugo binnen kwamen.
"Wel Edu, wat ben jij matineus!" zei Tante Lina, "'k wist niet wat
ons overkwam toen we daar met vioolspel gewekt werden!"
"'k Was zoo vroeg wakker," vertelde Eduard, "en toen ben 'k maar
opgestaan ook!"
Tante Lina begon boterhammen te snijden, en Hugo plaagde: "Ja, ja,
als luie menschen vlug worden ...."
"Nou, ik vind me zelf gewoonlijk toch niet zoo heel erg lui," merkte
Eduard op; "vindt u wel, Tante?"
"Nee, niet zoo héél erg," lachte Tante Lina, de thee opschenkend;
"kijk eens wat op je bord ligt, Edu!"
Eduard keek nieuwsgierig naar zijn bord en nam de briefkaart op.
"Van Vader," zei hij, toen hij Vaders bekende letters op het adres
ontdekte, en dadelijk draaide hij de kaart om en begon te lezen.
"Beste jongen,
Als je deze kaart krijgt zit ik alweer midden op zee en duurt
het niet lang meer of ik ben weer bij je. In 't eind van de
volgende week ga ik weer aan boord, en ik begin er erg naar te
verlangen om weer thuis te zijn. Wat zullen we elkaar veel te
vertellen hebben, he Pepi? Gisteren heb ik je brief gekregen
waarin je schreef over 't comediespelen op zolder. Je kunt
gezellig vertellen, hoor! Veel groeten van Vader. --
"Vader schrijft dat Vader gauw thuiskomt!" zei Eduard opkijkend, en
tegen Oom Tom, die ook beneden gekomen was: "Weet u, wanneer Vader
nu precies hier kan zijn, Oom?"
"Precies weet ik 't niet," antwoordde de Kapitein, "de aankomst van
de booten verschilt wel eens een paar dagen, maar als 't een beetje
wil zullen we je Vader over een week of twee wel zien verschijnen,
denk ik."
"Vandaag over twee weken? Dus op een Donderdag?"
"Ja hoor, ik kan er geen eed op doen," lachte Oom Tom, "ik ben geen
orakel!" en 't ochtendblad opnemend: "als je nu nog wilt dat je
Vader in Genua een brief vindt moet je met schrijven niet al te lang
meer wachten!"
Eduard knikte, en Tante Lina vroeg: "Heeft Vader nog iets nieuws te
vertellen, Edu?"
"Nee Tante, niets nieuws." Even keek hij nog naar wat Vader
geschreven had, toen gaf hij de briefkaart aan Tante Lina en zei: "U
mag 't wel lezen als u wilt." En strak bleef hij Tante Lina
aankijken tot zij de briefkaart gelezen had en hem zonder iets te
zeggen aan Eduard teruggaf. --
"We zullen Edu missen," merkte ze even later op. --
"Komen jullie ontbijten?" riep Hugo tegen de kleintjes, en toen ze
't niet schenen te hooren liep hij zelf ook den tuin in en
herhaalde, wat harder nu "Komen jullie ontbijten, zeg?"
Nu kreeg hij antwoord, en langzaam kwamen ze opdagen. Alleen
Broertje sprong en kraaide even vroolijk als gewoonlijk, de andere
drie keken stil voor zich uit, en 't eerste wat Lineke zei toen ze
binnenkwam was: "O Edu, Hansje is dood!"
Eduards prettige stemming verdween opeens; "wat?" vroeg hij
verschrikt, en Tommy zei nog eens na wat zijn zusje zooeven gezegd
had: "Hansje is dood."
Hansje was 't vogeltje, dat ze Zaterdagmiddag in 't bosch gevonden
hadden. Vier dagen lang was 't nog blijven leven, ze hadden 't in
een leeg sigarenkistje gezet met wat frisch gras en 't mooiste
dekentje uit Beps poppenwieltje, en ze hadden 't gevoerd met in melk
geweekt wittebrood. Maar toen ze vanmorgen kwamen kijken had Hansje
niet gepiept of zijn bekje open gedaan; heel stil was hij op 't gras
in 't kistje blijven liggen, zonder zich te bewegen, en toen Lineke
hem opnam was hij al heelemaal stijf.
Lineke deed 't heele verhaal met een treurig gezichtje.
"'t Is jammer," vond Tante Lina; "jullie hadt het ook maar liever in
't bosch moeten laten, dan waren de oude vogels het misschien wel
komen voeren; melk en wittebrood is geen geschikt eten voor een
vogeltje."
"Denkt u dat 't dan niet dood gegaan zou zijn?" vroeg Tommy.
"Lieve jongen, dat weet ik toch niet!" antwoordde zijn Moeder.
De deur ging open en Piet kwam binnen. Hij had zich verslapen
vanmorgen, en Oom Tom keek van zijn courant op en zei: "'k Zou nog
een beetje later beneden komen als 'k jou was!"
"'k Werd zoo laat wakker," verontschuldigde Piet zich, en hij begon
aan zijn boterhammen; "wat zetten jullie allemaal tragische
gezichten, wat is er voor narigheid gebeurd?"
"Hansje is dood," vertelde Bep.
Piet begon te lachen. "Zoo, is dat halfdooie beest eindelijk
gecrepeerd," zei hij, "da's wel de moeite waard om zoo'n
doodgraverssmoel ...."
Een hevige vuistslag op de tafel deed de kopjes rinkelen en
verschrikt knipte Bep met haar oogen.
Piet zweeg plotseling.
"Alsjeblieft!!" barstte de Kapitein nijdig uit, "zulke taal kun je
voor je houden, begrijp je! Die verkies ik hier niet te hooren, van
jou niet en van niemand anders!"
Onverschillig haalde Piet zijn schouders op, maar hij zei niets
meer, en op de klok kijkend begon hij te eten met een haast alsof
hij minstens uitgehongerd was. Toen dronk hij zijn glas melk leeg,
stond op, riep bij de deur "saluut!" dat voor iedereen bestemd
scheen die er naar wilde luisteren, en vertrok. De Kapitein riep hem
terug, maar Piet hoorde 't niet of deed alsof hij 't niet hoorde, en
juist op het oogenblik dat Oom Tom de huiskamerdeur opende werd de
voordeur door zijn zoon dichtgetrokken.
Met een gezicht dat niet veel goeds voorspelde ging de Kapitein weer
in de courant zitten kijken.
Hugo begon zijn boeken bij elkaar te zoeken en ook de anderen
maakten aanstalten om naar school te gaan.
"Moet Hansje daar nu maar zoo in dat kistje blijven liggen?" vroeg
Bep, en Lineke antwoordde: "We zullen hem begraven, tusschen twaalf
en twee, dan help je immers, Edu?"
"Ja goed," beloofde Eduard, en Tommy zei dat hij om twaalf uur hard
naar huis zou hollen om een kuil te graven.
"Dan zal ík vanmorgen bloemetjes plukken," bedacht Bep, "in een
mandje, als we met Juf gaan wandelen."
Eduard knikte, sjorde in de gang zijn tasch om, zette zijn pet op,
stopte zijn handen in zijn zakken, en ging naar school.
Mal toch, dat hij het nu naar vond, dat 't vogeltje dood was. De
kleintjes vonden 't ook wel akelig, maar die waren ook allemaal
zooveel jonger dan hij. Piet lachte er om, had ze er al mee geplaagd
sedert ze met Hansje thuis waren gekomen, en Hugo --nou, die vond
zichzelf er natuurlijk veel te groot voor. En de andere jongens?
Meertens of Theo? Och, natuurlijk zouden ze hem ook uitlachen; hij
durfde ze 't immers niet eens te vertellen! Of durven wel, hij
durfde 't best te vertellen, natuurlijk, maar hij deed 't niet, hij
wilde 't niet eens vertellen, 't kon hem niks schelen of ze lachten
of niet, ze hadden er niks mee noodig. Hij mocht denken wat hij
wilde, dat hoefde hij aan niemand te vragen, en je kon er ook niets
aan doen hoe je over iets dacht, of je iets naar vondt of niet, dat
was nu eenmaal zoo. Zou hij nu heusch kinderachtiger zijn dan de
andere jongens? Of zouden ze allemaal wel eens zooiets náár vinden
zonder dat ze 't aan iemand wilden zeggen? Piet zeker wel niet, die
lachte altijd maar om alles, maar Theo bijvoorbeeld, dat was nu weer
een heel andere jongen ...
"Hei, Kerner, wacht even!"
Eduard keek om en bleef staan. 't Was van Hamel, die achter hem aan
kwam hollen: "Heb je je sommen af?" hijgde hij al op een afstand.
"Ja," zei Eduard, die ze wonder boven wonder eens alle drie had
kunnen maken, "'k vond ze nogal makkelijk."
"Wat heb je eruit?"
"Weet ik 't, denk je dat ik dat zoo lang onthoud?"
"Nou, kijk dan eens, dan kunnen we zien of we ze goed hebben!"
Maar Eduard liet zijn schrift kalm in zijn tasch zitten. "Zooveel
kan 't me niet schelen, hoor, zal 'k wel zien als ik 't schrift
terugkrijg," zei hij, "hebben jullie gisteren lang moeten blijven?"
"Tot halfvijf," vertelde van Hamel, "we hebben ons dood gelachen, we
moesten regels schrijven, en Snijders ging de klas uit; nou, die
regels waren in twintig minuten klaar, en Snijders arriveerde nog
steeds niet, en toen heeft Wim Reinders allerlei moppen zitten
vertellen, we waren gewoon slap, en Groeneveld schreef onder zijn
regels: 'Dag mijnheer Snijders, ik ga maar vast weg. Tot morgen.'"
"En ging hij echt weg?" vroeg Eduard.
"Welnee, dat durfde hij met al z'n branie natuurlijk niet, hij liet
't staan tot Snijders eindelijk weer binnenkwam, en toen veegde hij
't gauw uit; maar Snijders zag 't net nog, en Groeneveld wou niet
zeggen wat er gestaan had, en Wim Reinders en ik zaten maar te
lachen."
"Nou en toen?"
"Nou, toen niks meer, Snijders was woedend, maar daar gaven we
natuurlijk geen cent om, en ..."
"Zeg, laten we een beetje doorloopen," viel Eduard, die op de
torenklok gekeken had, hem in de rede; "'t is twee minuten!"
En samen zetten ze 't op een hollen, tot ze eindelijk buiten adem
bij school waren en Beek de deur voor hun neus dicht deed.
Eduard belde aan. "Zoo'n mispunt," zei hij.
-----
"Ga nu gauw mee, Eetje!" vroeg Bep, toen 't koffiedrinken afgeloopen
was, "ik heb een heeleboel bloemetjes geplukt!"
"En ik heb gehelpt!" voegde Broertje er bij, "en Tommy heeft een
kuil gegraafd!"
"Wat gaan jullie in vredesnaam uitvoeren?" vroeg Piet, en toen,
alsof hem opeens een licht opging: "Groote goedheid, daar gaan ze me
nou die dooie vogel begraven! Daar moet je toch ook wel niet goed je
weet wel voor zijn!" en veelbeteekenend wees Piet naar zijn
voorhoofd. "Waarom keilen jullie dat dooie beest niet over de
heining?"
"Omdat we 't begraven gaan," zei Eduard kort.
Piet begon te grinniken. "Heel aardig maar toch niet erg!" plaagde
hij.
"Piet, denk er om wat Papa vanmorgen gezegd heeft!" waarschuwde
Tante Lina.
"'k Druk me nu anders heel betamelijk uit!" mopperde Piet.
De vier kleintjes waren al naar 't schuurtje toegegaan, en ook
Eduard liep den tuin in, maar Tante Lina riep hem terug.
"Heb jij vanmorgen de karaf op je waschtafel gebroken, Edu?"
"O, ja, da's waar ook!" zei Eduard; hij had aan de heele karaf niet
meer gedacht.
"Jullie zijn toch ook altijd zoo vreeselijk onvoorzichtig," bromde
Tante Lina, "'t is altijd smijt maar toe, om de haverklap breekt er
iets ..."
"Zoo, is die ook al ter ziele," plaagde Piet, "nou, je gaat toch aan
't begraven, nou kun je de treurige overblijfselen van die karaf
meteen een plechtige uitvaart bereiden!"
Eduard gaf geen antwoord meer en liep naar de kleintjes toe. Alles
verveelde hem opeens gruwelijk, en Piet was nog 't vervelendste van
de heele boel.
"Kijk eens!" riep Lineke. --
Daar lag 't vogeltje, op een bedje van gras en bloemen. "Ligt hij
zoo niet lief?" vroeg Lineke, terwijl Eduard keek, "nu willen we het
kistje verder heelemaal met bloemen opvullen, en moeten we dan de
deksel er los opleggen of vasttimmeren?"
"Laten we er maar liever een paar spijkers inslaan," vond Eduard;
"is de hamer hier?"
Lineke begon bloemen in het kistje te leggen en Tommy haalde den
hamer en wat kleine spijkertjes.
"Er blijven nog een heeleboel bloemen over!" zei Bep, en "nou, die
kunnen we dan straks over de kuil strooien," antwoordde Lineke,
terwijl ze de deksel op 't kistje hield en op Eduard wachtte.
En Eduard nam den hamer en begon het eerste spijkertje er in te
slaan. "Doe je 't voorzichtig, Eetje?" vroeg Beppie, met tranen in
haar groote blauwe oogen.
Eduard knikte, en zwijgend keken ze er alle vier naar hoe hij de
spijkers eén voor eén opnam en in het kistje sloeg.
"Nou is 't klaar," zei hij eindelijk, en hij legde den hamer neer.
--
Toen nam Lineke het kistje op en bracht het naar den kuil toe.
"'t Is hier een mooi zonnig plekje, he?" vroeg Tommy, en "arm klein
vogeltie," zei Broertje zacht.
En Lineke zette het kistje in den kuil en Tommy schepte de aarde er
overheen; op 't kleine heuveltje liet Bep al de bloemen uit haar
schortje vallen. --
"Kinderen, zijn jullie nog niet naar school? 't Is kwart voor twee!"
riep Tante Lina uit de huiskamer.
"Ja Ma, we gaan al," riep Lineke terug, en ze nam Bep en Broertje
elk bij een hand en bracht ze op een sukkeldrafje naar de zandhoop
toe.
[Illustratie - 20_begraven.jpg]
"Gaan jullie wat zandtaartjes bakken," zei ze, "maak er maar een
heeleboel, en erge mooie, dan komen we om vier uur bij jullie
koopen! Dag!"
Tommy was al weggehold, doodsbenauwd voor te laat komen.
Eduard ging zijn fiets uit de gang halen; je hoefde hier nooit te
vragen of je mocht fietsen of niet, je deedt altijd maar waar je
zelf zin in hadt.
Aldoor nog moest hij denken aan 't vogeltje, dat ze Zaterdagmiddag
uit het bosch hadden meegebracht; in zijn hand had hij 't mee naar
huis genomen, een klein, warm, beweeglijk diertje; nu was het dood,
en koud, en stijf; ze hadden het begraven, en nooit zouden ze 't
weer terugzien. Zou het zijn warme nestje en het bosch hebben
gemist? Zou het naar de oude vogeltjes terugverlangd hebben? Zeker
had het zich hier wel heel eenzaam en verlaten gevoeld; en nu was
het dood gegaan.
Eduard opende de voordeur om zijn fiets naar buiten te rijden. En
opeens dacht hij aan zijn Moeder; aan die laatste vreeselijke dagen,
toen Moeder zoo heel erg ziek was geweest, en aan dien ochtend, toen
hij wakker werd en Vader bij zijn bed stond, die hem vertelde, dat
Moeder niet meer leefde ....
Eduard wipte op zijn fiets en reed naar school. Eerste uur rekenen
en tweede uur geschiedenis; ba, stom-vervelende middag!