XVI.

Met een voldaan gevoel legde Eduard zijn viool in de vioolkist.

Heerlijk vroeg was 't, nog geen acht uur, en hij had al drie

kwartier gestudeerd. De etude ging goed, en 't menuet speelde hij

ook bijna zonder fouten.

Eduard was 't eerst van allemaal naar beneden gegaan vanmorgen;

terwijl hij aan 't studeeren was had hij de anderen langzamerhand

ook hooren komen, maar ze hadden hem niet gestoord, en vlijtig had

hij doorgespeeld, drie kwartier lang. Nu naar de huiskamer, en

kijken waar ze allemaal zaten!

Maar hij vond er niemand; 't ontbijt stond klaar en 't theewater

suisde gezellig, en hij wilde juist den tuin inloopen om eens te

kijken of ze daar soms waren toen Tante Lina en Hugo binnen kwamen.

"Wel Edu, wat ben jij matineus!" zei Tante Lina, "'k wist niet wat

ons overkwam toen we daar met vioolspel gewekt werden!"

"'k Was zoo vroeg wakker," vertelde Eduard, "en toen ben 'k maar

opgestaan ook!"

Tante Lina begon boterhammen te snijden, en Hugo plaagde: "Ja, ja,

als luie menschen vlug worden ...."

"Nou, ik vind me zelf gewoonlijk toch niet zoo heel erg lui," merkte

Eduard op; "vindt u wel, Tante?"

"Nee, niet zoo héél erg," lachte Tante Lina, de thee opschenkend;

"kijk eens wat op je bord ligt, Edu!"

Eduard keek nieuwsgierig naar zijn bord en nam de briefkaart op.

"Van Vader," zei hij, toen hij Vaders bekende letters op het adres

ontdekte, en dadelijk draaide hij de kaart om en begon te lezen.

"Beste jongen,

Als je deze kaart krijgt zit ik alweer midden op zee en duurt

het niet lang meer of ik ben weer bij je. In 't eind van de

volgende week ga ik weer aan boord, en ik begin er erg naar te

verlangen om weer thuis te zijn. Wat zullen we elkaar veel te

vertellen hebben, he Pepi? Gisteren heb ik je brief gekregen

waarin je schreef over 't comediespelen op zolder. Je kunt

gezellig vertellen, hoor! Veel groeten van Vader. --

"Vader schrijft dat Vader gauw thuiskomt!" zei Eduard opkijkend, en

tegen Oom Tom, die ook beneden gekomen was: "Weet u, wanneer Vader

nu precies hier kan zijn, Oom?"

"Precies weet ik 't niet," antwoordde de Kapitein, "de aankomst van

de booten verschilt wel eens een paar dagen, maar als 't een beetje

wil zullen we je Vader over een week of twee wel zien verschijnen,

denk ik."

"Vandaag over twee weken? Dus op een Donderdag?"

"Ja hoor, ik kan er geen eed op doen," lachte Oom Tom, "ik ben geen

orakel!" en 't ochtendblad opnemend: "als je nu nog wilt dat je

Vader in Genua een brief vindt moet je met schrijven niet al te lang

meer wachten!"

Eduard knikte, en Tante Lina vroeg: "Heeft Vader nog iets nieuws te

vertellen, Edu?"

"Nee Tante, niets nieuws." Even keek hij nog naar wat Vader

geschreven had, toen gaf hij de briefkaart aan Tante Lina en zei: "U

mag 't wel lezen als u wilt." En strak bleef hij Tante Lina

aankijken tot zij de briefkaart gelezen had en hem zonder iets te

zeggen aan Eduard teruggaf. --

"We zullen Edu missen," merkte ze even later op. --

"Komen jullie ontbijten?" riep Hugo tegen de kleintjes, en toen ze

't niet schenen te hooren liep hij zelf ook den tuin in en

herhaalde, wat harder nu "Komen jullie ontbijten, zeg?"

Nu kreeg hij antwoord, en langzaam kwamen ze opdagen. Alleen

Broertje sprong en kraaide even vroolijk als gewoonlijk, de andere

drie keken stil voor zich uit, en 't eerste wat Lineke zei toen ze

binnenkwam was: "O Edu, Hansje is dood!"

Eduards prettige stemming verdween opeens; "wat?" vroeg hij

verschrikt, en Tommy zei nog eens na wat zijn zusje zooeven gezegd

had: "Hansje is dood."

Hansje was 't vogeltje, dat ze Zaterdagmiddag in 't bosch gevonden

hadden. Vier dagen lang was 't nog blijven leven, ze hadden 't in

een leeg sigarenkistje gezet met wat frisch gras en 't mooiste

dekentje uit Beps poppenwieltje, en ze hadden 't gevoerd met in melk

geweekt wittebrood. Maar toen ze vanmorgen kwamen kijken had Hansje

niet gepiept of zijn bekje open gedaan; heel stil was hij op 't gras

in 't kistje blijven liggen, zonder zich te bewegen, en toen Lineke

hem opnam was hij al heelemaal stijf.

Lineke deed 't heele verhaal met een treurig gezichtje.

"'t Is jammer," vond Tante Lina; "jullie hadt het ook maar liever in

't bosch moeten laten, dan waren de oude vogels het misschien wel

komen voeren; melk en wittebrood is geen geschikt eten voor een

vogeltje."

"Denkt u dat 't dan niet dood gegaan zou zijn?" vroeg Tommy.

"Lieve jongen, dat weet ik toch niet!" antwoordde zijn Moeder.

De deur ging open en Piet kwam binnen. Hij had zich verslapen

vanmorgen, en Oom Tom keek van zijn courant op en zei: "'k Zou nog

een beetje later beneden komen als 'k jou was!"

"'k Werd zoo laat wakker," verontschuldigde Piet zich, en hij begon

aan zijn boterhammen; "wat zetten jullie allemaal tragische

gezichten, wat is er voor narigheid gebeurd?"

"Hansje is dood," vertelde Bep.

Piet begon te lachen. "Zoo, is dat halfdooie beest eindelijk

gecrepeerd," zei hij, "da's wel de moeite waard om zoo'n

doodgraverssmoel ...."

Een hevige vuistslag op de tafel deed de kopjes rinkelen en

verschrikt knipte Bep met haar oogen.

Piet zweeg plotseling.

"Alsjeblieft!!" barstte de Kapitein nijdig uit, "zulke taal kun je

voor je houden, begrijp je! Die verkies ik hier niet te hooren, van

jou niet en van niemand anders!"

Onverschillig haalde Piet zijn schouders op, maar hij zei niets

meer, en op de klok kijkend begon hij te eten met een haast alsof

hij minstens uitgehongerd was. Toen dronk hij zijn glas melk leeg,

stond op, riep bij de deur "saluut!" dat voor iedereen bestemd

scheen die er naar wilde luisteren, en vertrok. De Kapitein riep hem

terug, maar Piet hoorde 't niet of deed alsof hij 't niet hoorde, en

juist op het oogenblik dat Oom Tom de huiskamerdeur opende werd de

voordeur door zijn zoon dichtgetrokken.

Met een gezicht dat niet veel goeds voorspelde ging de Kapitein weer

in de courant zitten kijken.

Hugo begon zijn boeken bij elkaar te zoeken en ook de anderen

maakten aanstalten om naar school te gaan.

"Moet Hansje daar nu maar zoo in dat kistje blijven liggen?" vroeg

Bep, en Lineke antwoordde: "We zullen hem begraven, tusschen twaalf

en twee, dan help je immers, Edu?"

"Ja goed," beloofde Eduard, en Tommy zei dat hij om twaalf uur hard

naar huis zou hollen om een kuil te graven.

"Dan zal ík vanmorgen bloemetjes plukken," bedacht Bep, "in een

mandje, als we met Juf gaan wandelen."

Eduard knikte, sjorde in de gang zijn tasch om, zette zijn pet op,

stopte zijn handen in zijn zakken, en ging naar school.

Mal toch, dat hij het nu naar vond, dat 't vogeltje dood was. De

kleintjes vonden 't ook wel akelig, maar die waren ook allemaal

zooveel jonger dan hij. Piet lachte er om, had ze er al mee geplaagd

sedert ze met Hansje thuis waren gekomen, en Hugo --nou, die vond

zichzelf er natuurlijk veel te groot voor. En de andere jongens?

Meertens of Theo? Och, natuurlijk zouden ze hem ook uitlachen; hij

durfde ze 't immers niet eens te vertellen! Of durven wel, hij

durfde 't best te vertellen, natuurlijk, maar hij deed 't niet, hij

wilde 't niet eens vertellen, 't kon hem niks schelen of ze lachten

of niet, ze hadden er niks mee noodig. Hij mocht denken wat hij

wilde, dat hoefde hij aan niemand te vragen, en je kon er ook niets

aan doen hoe je over iets dacht, of je iets naar vondt of niet, dat

was nu eenmaal zoo. Zou hij nu heusch kinderachtiger zijn dan de

andere jongens? Of zouden ze allemaal wel eens zooiets náár vinden

zonder dat ze 't aan iemand wilden zeggen? Piet zeker wel niet, die

lachte altijd maar om alles, maar Theo bijvoorbeeld, dat was nu weer

een heel andere jongen ...

"Hei, Kerner, wacht even!"

Eduard keek om en bleef staan. 't Was van Hamel, die achter hem aan

kwam hollen: "Heb je je sommen af?" hijgde hij al op een afstand.

"Ja," zei Eduard, die ze wonder boven wonder eens alle drie had

kunnen maken, "'k vond ze nogal makkelijk."

"Wat heb je eruit?"

"Weet ik 't, denk je dat ik dat zoo lang onthoud?"

"Nou, kijk dan eens, dan kunnen we zien of we ze goed hebben!"

Maar Eduard liet zijn schrift kalm in zijn tasch zitten. "Zooveel

kan 't me niet schelen, hoor, zal 'k wel zien als ik 't schrift

terugkrijg," zei hij, "hebben jullie gisteren lang moeten blijven?"

"Tot halfvijf," vertelde van Hamel, "we hebben ons dood gelachen, we

moesten regels schrijven, en Snijders ging de klas uit; nou, die

regels waren in twintig minuten klaar, en Snijders arriveerde nog

steeds niet, en toen heeft Wim Reinders allerlei moppen zitten

vertellen, we waren gewoon slap, en Groeneveld schreef onder zijn

regels: 'Dag mijnheer Snijders, ik ga maar vast weg. Tot morgen.'"

"En ging hij echt weg?" vroeg Eduard.

"Welnee, dat durfde hij met al z'n branie natuurlijk niet, hij liet

't staan tot Snijders eindelijk weer binnenkwam, en toen veegde hij

't gauw uit; maar Snijders zag 't net nog, en Groeneveld wou niet

zeggen wat er gestaan had, en Wim Reinders en ik zaten maar te

lachen."

"Nou en toen?"

"Nou, toen niks meer, Snijders was woedend, maar daar gaven we

natuurlijk geen cent om, en ..."

"Zeg, laten we een beetje doorloopen," viel Eduard, die op de

torenklok gekeken had, hem in de rede; "'t is twee minuten!"

En samen zetten ze 't op een hollen, tot ze eindelijk buiten adem

bij school waren en Beek de deur voor hun neus dicht deed.

Eduard belde aan. "Zoo'n mispunt," zei hij.

-----

"Ga nu gauw mee, Eetje!" vroeg Bep, toen 't koffiedrinken afgeloopen

was, "ik heb een heeleboel bloemetjes geplukt!"

"En ik heb gehelpt!" voegde Broertje er bij, "en Tommy heeft een

kuil gegraafd!"

"Wat gaan jullie in vredesnaam uitvoeren?" vroeg Piet, en toen,

alsof hem opeens een licht opging: "Groote goedheid, daar gaan ze me

nou die dooie vogel begraven! Daar moet je toch ook wel niet goed je

weet wel voor zijn!" en veelbeteekenend wees Piet naar zijn

voorhoofd. "Waarom keilen jullie dat dooie beest niet over de

heining?"

"Omdat we 't begraven gaan," zei Eduard kort.

Piet begon te grinniken. "Heel aardig maar toch niet erg!" plaagde

hij.

"Piet, denk er om wat Papa vanmorgen gezegd heeft!" waarschuwde

Tante Lina.

"'k Druk me nu anders heel betamelijk uit!" mopperde Piet.

De vier kleintjes waren al naar 't schuurtje toegegaan, en ook

Eduard liep den tuin in, maar Tante Lina riep hem terug.

"Heb jij vanmorgen de karaf op je waschtafel gebroken, Edu?"

"O, ja, da's waar ook!" zei Eduard; hij had aan de heele karaf niet

meer gedacht.

"Jullie zijn toch ook altijd zoo vreeselijk onvoorzichtig," bromde

Tante Lina, "'t is altijd smijt maar toe, om de haverklap breekt er

iets ..."

"Zoo, is die ook al ter ziele," plaagde Piet, "nou, je gaat toch aan

't begraven, nou kun je de treurige overblijfselen van die karaf

meteen een plechtige uitvaart bereiden!"

Eduard gaf geen antwoord meer en liep naar de kleintjes toe. Alles

verveelde hem opeens gruwelijk, en Piet was nog 't vervelendste van

de heele boel.

"Kijk eens!" riep Lineke. --

Daar lag 't vogeltje, op een bedje van gras en bloemen. "Ligt hij

zoo niet lief?" vroeg Lineke, terwijl Eduard keek, "nu willen we het

kistje verder heelemaal met bloemen opvullen, en moeten we dan de

deksel er los opleggen of vasttimmeren?"

"Laten we er maar liever een paar spijkers inslaan," vond Eduard;

"is de hamer hier?"

Lineke begon bloemen in het kistje te leggen en Tommy haalde den

hamer en wat kleine spijkertjes.

"Er blijven nog een heeleboel bloemen over!" zei Bep, en "nou, die

kunnen we dan straks over de kuil strooien," antwoordde Lineke,

terwijl ze de deksel op 't kistje hield en op Eduard wachtte.

En Eduard nam den hamer en begon het eerste spijkertje er in te

slaan. "Doe je 't voorzichtig, Eetje?" vroeg Beppie, met tranen in

haar groote blauwe oogen.

Eduard knikte, en zwijgend keken ze er alle vier naar hoe hij de

spijkers eén voor eén opnam en in het kistje sloeg.

"Nou is 't klaar," zei hij eindelijk, en hij legde den hamer neer.

--

Toen nam Lineke het kistje op en bracht het naar den kuil toe.

"'t Is hier een mooi zonnig plekje, he?" vroeg Tommy, en "arm klein

vogeltie," zei Broertje zacht.

En Lineke zette het kistje in den kuil en Tommy schepte de aarde er

overheen; op 't kleine heuveltje liet Bep al de bloemen uit haar

schortje vallen. --

"Kinderen, zijn jullie nog niet naar school? 't Is kwart voor twee!"

riep Tante Lina uit de huiskamer.

"Ja Ma, we gaan al," riep Lineke terug, en ze nam Bep en Broertje

elk bij een hand en bracht ze op een sukkeldrafje naar de zandhoop

toe.

[Illustratie - 20_begraven.jpg]

"Gaan jullie wat zandtaartjes bakken," zei ze, "maak er maar een

heeleboel, en erge mooie, dan komen we om vier uur bij jullie

koopen! Dag!"

Tommy was al weggehold, doodsbenauwd voor te laat komen.

Eduard ging zijn fiets uit de gang halen; je hoefde hier nooit te

vragen of je mocht fietsen of niet, je deedt altijd maar waar je

zelf zin in hadt.

Aldoor nog moest hij denken aan 't vogeltje, dat ze Zaterdagmiddag

uit het bosch hadden meegebracht; in zijn hand had hij 't mee naar

huis genomen, een klein, warm, beweeglijk diertje; nu was het dood,

en koud, en stijf; ze hadden het begraven, en nooit zouden ze 't

weer terugzien. Zou het zijn warme nestje en het bosch hebben

gemist? Zou het naar de oude vogeltjes terugverlangd hebben? Zeker

had het zich hier wel heel eenzaam en verlaten gevoeld; en nu was

het dood gegaan.

Eduard opende de voordeur om zijn fiets naar buiten te rijden. En

opeens dacht hij aan zijn Moeder; aan die laatste vreeselijke dagen,

toen Moeder zoo heel erg ziek was geweest, en aan dien ochtend, toen

hij wakker werd en Vader bij zijn bed stond, die hem vertelde, dat

Moeder niet meer leefde ....

Eduard wipte op zijn fiets en reed naar school. Eerste uur rekenen

en tweede uur geschiedenis; ba, stom-vervelende middag!

Eduard Kerner · 第 34 / 42 题