-----
Fluitend kwam iemand de trap op. Eduard hoorde de voetstappen zijn
deur langs komen en naar de kamer van Hugo en Piet gaan. Hij lichtte
zijn hoofd op en luisterde. Zeker was 't Hugo, die na de
cricketvergadering naar boven ging. Als hij maar niet hier kwam!
Eduard voelde 't in zijn keel kloppen. Zou hij weten van 't vechten?
Maar wat kon 't hem ook eigenlijk schelen? Ze wisten 't verder
immers toch allemaal! Och, was hij maar dood! En weer duwde hij zijn
gezicht in 't kussen. -- Maar toch hoorde hij hoe Hugo op de andere
kamer bleef rondscharrelen, aldoor fluitend, hoe hij eindelijk iets
liet vallen, -- toen hield het fluiten op, Eduard hoorde iets
mompelen, en duidelijk verstaanbaar klonk het: "Zeg Ee, ben jij daar
soms? Heb jij onze lucifers?" -- Eduard hield zich stil; met
ingehouden adem bleef hij luisteren. Weer hoorde hij de voetstappen
over 't portaaltje gaan en de knop van de deur werd omgedraaid; --
Hugo kwam binnen.
Hevig verschrikt zat Eduard opeens overeind en keek zijn neef aan.
-- Hugo was blijven staan, zijn hand nog aan de deurknop, en staarde
in stomme verbazing naar Eduards behuild gezicht.
"Wat heb jij?" vroeg hij toen.
Maar Eduard gaf geen antwoord en drukte alleen zijn mouw tegen zijn
oogen.
Hugo deed de deur dicht, en een beetje ongerust begon hij weer: "Wat
is er in vredesnaam gebeurd?"
"Och niks," barstte Eduard opeens los -- "ga maar weg -- we hebben
gevochten --" hij snikte het weer uit.
"Wie hebben gevochten?"
"Piet en ik." --
"En huil je daarom zoo?"
Er kwam geen antwoord meer.
"Kom, daar moet je je niet zoo dik over maken, ben je mal! Wie huilt
er nou om een beetje vechten? Kom, sta op, en drink eens wat, en
wasch je gezicht een beetje, dat zal je opfrisschen! Zoo meteen gaan
we koffiedrinken -- je moet net doen of er niks gebeurd is!"
En Hugo schonk water in de kom en trok zijn neefje bij zijn arm naar
de waschtafel toe. "Vooruit," zei hij, "wasch je nou en begin nou
niet weer!"
Toen nam hij de lucifers van de tafel en ging naar zijn eigen kamer.
--