XV.

"Hup jongens! naar het hol van de Manahawaas!" riep van Merlen, een

van Piets vrienden. -- De lange beraadslagingen begonnen hem te

vervelen, en midden in een fraaie toespraak van Wouters had hij er

opeens genoeg van gekregen; zonder naar het slot te luisteren stoof

hij door de openstaande tuindeur naar buiten. -- Joelend en

schreeuwend holde de heele jongensbende hem achterna, naar het

verste gedeelte van den tuin, waar de Manahawaas kampeerden. --

Het hol was een groote kuil, zoowat twee meter lang en breed, en zoo

diep dat Tommy er juist in kon staan zonder dat zijn hoofd boven de

rand uitstak. Maar dit was pas 't begin, 't moest nog veel dieper

worden, en daarom hadden de Manahawaas zich op dezen zonnigen

Zaterdagmiddag in 't midden van Mei al om één uur vereenigd bij de

Verheys, met het plan nu eens hard aan 't werk te gaan.

De club van de Manahawaas bestond uit negen leden. Hugo was

president, maar omdat hij 's Zaterdagmiddags altijd gymnastiekles

had, was Wouters nu met het oppertoezicht belast. De andere leden

waren van Merlen, Tersteeg, Piet, Eduard, Tommy met zijn vrind

Holdert en Broertje, die ook al dapper zijn best deed. Hij had zoo

verschrikkelijk graag met de groote jongens mee willen spelen en hij

had er zóó om gebedeld dat ze hem eindelijk maar als jongste lid

hadden aangenomen. Hij mocht nu 's morgens als ze allemaal naar

school waren het hol bewaken.

Van Merlen en Tersteeg zaten allebei in Piets klas.

"Schreeuw jullie nou zoo niet!" riep Wouters eindelijk, toen ze om

het hol heenstonden en weer allemaal tegelijk aan 't beweren waren,

"laten we nou liever aan 't werk gaan!" en tegen Tommy: "kleine

Verhey, haal jij nou eens gauw de schoppen!"

Tommy ging naar 't schuurtje, en Wouters vervolgde: "We zullen om de

beurt een half uur werken; eerst Tersteeg en ik, en dan kunnen

kleine Verhey en Holdert helpen, en dan kun jullie drieën straks een

half uur graven."

Ze hadden natuurlijk niet geluisterd, en Wouters moest zijn voorstel

nog een paar keer herhalen voordat ze er allemaal achter waren.

Toen daalde de eerste ploeg langs het laddertje in den kuil af en

het werk begon. --

Wouters en Tersteeg waren aan 't uitdiepen, en Tommy en kleine

Holdert hielden zich bezig met telkens het uitgegraven zand in

emmers naar boven te dragen.

"Nu jij de wacht houden en 'werda' roepen als er iemand aankomt!"

zei van Merlen tegen Broertje, knipoogend tegen Eduard en Piet.

"Wat moet ik roepen?" vroeg Broer, die van 't woord "werda" nooit

gehoord had, en innerlijk doodsbenauwd was dat hij iets niet goed

zou doen, en dat ze hem dan in den kuil zouden stoppen en 't

laddertje wegnemen.

"Werda!" herhaalde van Merlen lachend, en toen met groote oogen:

"Pas op als je 't vergeet, hoor!"

Broer knikte, en bleef met een ernstig gezichtje den tuin inkijken;

van Merlen slungelde weg en ging een eindje van den kuil af languit

in 't gras liggen, zijn armen onder zijn hoofd.

Eduard en Piet hadden 't zich er ook al gemakkelijk gemaakt en lagen

zoo lui mogelijk van hun rust te genieten.

"'t Is warm!" merkte van Merlen op.

"Wat je zegt!" zei Piet gapend, en Eduard zuchtte: "Straks zullen we

't nog wel warmer krijgen!"

Even zwegen de drie jongens. Toen ging Piet opeens overeind zitten,

sloeg zijn handen om zijn knieën en zei: "Lui, ik heb een fijn

plan!"

"Vertel op!" verzocht Eduard.

En Piet ging vol vuur door: "Een eindje van dien kuil af, een meter

of vier, aan de andere kant bij de schutting maken we nog een kuil,

zoowat even groot als deze en even diep, en die twee kuilen

verbinden we door een onderaardsche gang."

"Dan mogen we wel aardig diep graven," vond van Merlen, "anders zakt

het heele zaakje in."

"Nou, dan gráven we diep!" zei Piet, op een toon alsof hij dat in 't

minst geen bezwaar vond.

"Ik weet nog wat leuks," zei Eduard, "we timmeren allerlei planken

aan elkaar, en die leggen we over de kuil heen, en dan bedekken we

alles met graszoden, dan kan geen mensch ons hol vinden. Fijn, man!"

"Maar waar halen we graszoden vandaan?" vroeg van Merlen, "hier in

de tuin is zooveel gras niet."

"Nou, dan halen we ze uit het bosch!" bedacht Eduard.

"Dat kan," stemde van Merlen toe; "nou, 't lijkt me wel moppig."

En Piet vroeg: "Hoe diep zouden we eigenlijk kunnen graven voor we

water vinden? Weet jij dat, van Merlen?"

"'k Denk een meter of zes," zei van Merlen, die er eigenlijk niet

het minste begrip van had. "Of misschien wel tien, de grond is hier

nogal droog."

"Werda!" riep Broer, en toen ze naar hem keken zagen ze dat de

kleine jongen naar de schutting wees, waar 't lachende gezicht van

Kees Beekman bovenuit kwam kijken.

"Goeiemiddag!" riep Piet.

"Ook goeiemiddag!" antwoordde Kees, "mag ik meespelen, zeg?"

"Zeker!" vond Piet, "als je je zuster tenminste niet meebrengt!" En

van Merlen vroeg zachtjes aan Eduard, die 't dichtst bij hem zat:

"zeg Kerner, hoe heet dat joch?"

"Kees Beekman," antwoordde Eduard even zacht, en harder tegen Kees:

"Waar sta je op, zeg?"

"Op m'n stelten," zei Kees, "en Hannie heeft pianoles dus die komt

niet. Wat voeren jullie eigenlijk uit?"

"O," lachte van Merlen, "ik doe niks en Verhey helpt me en Kerner

kijkt er naar."

Kees gaf geen antwoord, bleef kijken en lachte.

"Kom," zei Eduard opstaande en zich uitrekkend, "we zullen je eens

over de schutting hijschen. Werk je nou eerst maar naar boven, dan

zullen we je aan deze kant naar beneden trekken."

Piet en van Merlen bleven er lachend naar kijken hoe Kees zich

inspande om zichzelf op te hijschen. Eindelijk zat hij bovenop de

schutting en zwaaide zijn beenen er overheen.

"Ziezoo!" riep van Merlen opstaande, "nu ieder aan een been trekken,

Kerner, dan zul je eens zien hoe gauw hij beneden is!"

Lachend en gillend trok Kees zijn beenen weer op, en proestend

bleven van Merlen en Eduard beneden staan om telkens weer naar Kees

z'n schoenen te grijpen zoodra die in hun bereik kwamen. Krampachtig

klemde Kees zich aan de schutting vast, telkens schoppend naar de

twee jongens, die dolle pret hadden om zijn benauwd gezicht.

"Blijf af nou!" riep Kees, en "kom dan toch ook!" moedigde van

Merlen aan terwijl Eduard weer naar de schoen greep; maar 't kwam

deze keer anders uit dan hij gedacht had, want Kees had ongemerkt

het riempje van zijn schoen losgemaakt en Eduard duikelde

achterover, de schoen in zijn hand houdend. Een oogenblik keken de

jongens verbluft rond, en Kees zag kans, zich haastig naar beneden

te laten glijden. Maar 't ging niet zoo gauw of Eduard was weer

opgestaan en holde met den schoen den tuin door. Onmiddellijk zette

Kees 't ook op een loopen, Eduard achterna, en telkens roepend: "M'n

schoen! Geef op nou!"

Eindelijk liet Eduard zich hijgend in 't gras vallen en gooide Kees

den schoen toe. "Daar heb je 'm!" riep hij, "ik stik!"

"Ik ook!" zei Kees, en lachend stak hij zijn voet vooruit om te

laten zien hoe aardig zijn teen door zijn kous kwam kijken.

"Moet je mijne zien!" blufte Tommy, -- want de vier anderen hadden

het werk gestaakt, -- en hij bukte zich om zijn schoen uit te

trekken.

"Nou ja, we gelooven 't wel, laat maar zitten!" zei Piet haastig.

Tersteeg was de laatste die weer aan de oppervlakte der aarde

verscheen. Langzaam liep hij naar de anderen toe, gooide de schop op

den grond, veegde zijn voorhoofd af, en zuchtte: "Ziezoo, de tijd

van luieren is voor jullie voorbij, gaan jullie nu maar eens een

beetje graven, hoor!"

"Da's goed," antwoordde van Merlen, "Kees of hoe heet je, nou mag je

helpen! 't Is hier hard werken, snap je?"

"Zeker, ik snap 't heel goed!" zei Kees, "en dan ben jij zeker de

generaal, he?"

"Welnee!" zei van Merlen lachend, en met een geheimzinnig gezicht:

"Ik ben de Manahawa Snelvoet!"

De tweede ploeg daalde in het hol af en Piet inspecteerde de kuil.

"Jullie denkt ook 'liever lui dan moe,' er is zoowat niks aan

gedaan!" riep hij tegen de anderen, die zich op hun beurt in 't gras

hadden uitgestrekt.

"Wel ja! als je soms nog wat hebt?" riep Wouters terug; "geneer je

niet!" en "Compliment aan je kippen!" voegde Tersteeg er bij; nog

even hoorden de jongens in den kuil ze samen namopperen. "Hoor ze

schelden!" lachte Eduard.

Onder 't graven werd Kees ingelicht wat de club van de Manahawaas

eigenlijk beteekende, en natuurlijk was hij zóó verrukt over 't idee

van de geheimzinnige kelders en de toekomstige strooptochten dat hij

dadelijk ook lid wilde worden. "Mag ik?" vroeg hij.

"Wel ja, van mijn part wel!" antwoordde Piet onverschillig, en van

Merlen zei dat hij 't ook goed vond, dat 't nieuwe lid straks dan

maar gedoopt moest worden. Dat hoorde er bij, en 't was meteen

lekker koel in die warmte. --

"Ja, dat hoort erbij!" herhaalde Piet, en hard riep hij: "Zeg, halen

jullie eens een emmer water, we moeten er een doopen!"

"Da's goed, dat wil ik wel doen!" antwoordde een hooge stem. Vier

hoofden kwamen nieuwsgierig boven den kuil uitkijken.

't Was Lineke, die met Bep aan was komen loopen. "Waar heb je den

emmer?" vroeg ze.

Eduard gaf een emmer aan en Lineke liep er mee naar de keuken.

De jongens hadden hun schoppen neergegooid en waren naar boven

geklommen om de doopplechtigheid te doen beginnen. "Vind je 't niet

griezelig?" vroeg Tommy aan Kees, maar Kees antwoordde dat de heele

dooperij hem zoo koud als een kip liet.

"Wat 'n branie!" lachte Wouters, "wacht maar, jongetje, straks zul

je wel anders piepen!"

Lineke kwam met den emmer aansjouwen. 't Was zwaar, ze hijgde er

van, en van Merlen sprong ineens op en liep naar haar toe om 't

vrachtje van haar over te nemen. Eduard keek er verbaasd naar; dat

was nou iets waarover hij nooit gedacht zou hebben, en toch vond hij

't erg aardig. --

"Nu mogen we verder toch wel mee blijven doen, he?" vroeg Lineke

onvoorzichtig.

"Dat kun je begrijpen!" antwoordde Wouters, "we zijn al met meer dan

genoeg!" en Piet voegde er bij, met zijn hoofd naar 't huis wijzend:

"Gaan jullie maar stil weer weg, we willen er geen kleine meisjes

bij hebben!"

"Ze zouden voor krijgsgevangenen kunnen dienen!" stelde Tersteeg

voor.

"Da's wat anders!" zei Wouters, "da's goed, dan stoppen we ze in den

kuil en nemen 't laddertje weg!" en met groote passen liep hij naar

Bep toe, die bij de rand van den kuil stond en aandachtig naar

beneden keek. Maar Lineke pakte haar zusje bij de hand. "Kom mee,

Bep!" zei ze met een minachtenden blik naar de jongens, "ze willen

niet met ons spelen, we zullen wat gaan schommelen!"

Zwijgend keken de Manahawaas de twee meisjes na, die zonder om te

kijken naar den schommel gingen, toen zei Eduard met een kleur: "Wat

'n flauwe kerels zijn jullie, waarom mogen ze nou niet meedoen?"

"Hoor hem!" hoonde Tersteeg, en Wouters snauwde kwaad: "Hou je er

buiten, jong kalf! Als je wat aan te merken hebt ruk je maar uit!"

en tegen de anderen: "Ziezoo, nu zullen we met doopen beginnen,

kleine Verhey, haal jij eens een glas!"

Eduard stopte zijn handen in zijn zakken, en tegen een boom leunend

bleef hij er naar kijken hoe ze Kees een glas water in zijn gezicht

gooiden en toen onder veel gelach het water gingen "opdoopen" en

elkaar kletsnat smeten. Even verder stond van Merlen zijn fiets op

te pompen.

Langzaam slenterde Eduard naar den schommel toe, waar de nichtjes

aan 't spelen waren, maar ze waren nog niet in de rechte stemming,

en Eduard was te veel uit zijn humeur om gezellig mee te doen.

"Waar ga jij naar toe?" riep hij even later tegen van Merlen, die

met zijn fiets den tuin doorliep.

"Naar huis!" riep van Merlen terug, "'k heb om halfvier les!"

"Welke kant ga je?"

"Door 't bosch!"

"Wacht even, dan ga 'k mee!" van Merlen bleef staan, en Eduard

vervolgde haastig: "zet jullie ook je hoed op, in 't bosch kunnen we

veel leuker spelen dan hier bij dien vervelenden schommel!"

Tante Lina hoorde 't viertal de gang doorloopen en de voordeur

dichttrekken, maar ze liet ze maar stilletjes gaan, blij met haar

rustigen Zaterdagmiddag.

"Vond jij 't nou ook niet flauw?" vroeg Eduard aan van Merlen, toen

de meisjes even voor een winkel bleven staan.

Van Merlen haalde zijn schouders op. "Och, voor mijn part hadden ze

wel mee kunnen doen," zei hij, "maar als Wouters eenmaal zoo iets in

zijn hoofd haalt geeft het je toch niks om er wat tegen in te

brengen. Je bederft je eigen plezier en je wordt nog uitgescholden

op den koop toe. Hugo is een veel leukere president dan hij."

"Hij heeft praats voor zes en 'n hoop lèf!" vulde Eduard aan, blij

dat hij eens op Wouters kon schelden.

"Nou!" van Merlen knikte veelbeteekenend, "en Piet en Tersteeg doen

hem alles na!"

In 't bosch zei van Merlen dat hij geen tijd meer had en door moest

trappen.

"Saluut!" riep hij, en Lineke haalde een bal uit haar zak en vroeg

of ze nu wat wilden gaan ballen.

"Hoedjebal!" zei Eduard, en met zijn hak trok hij een streep in 't

zand voor de lijn. --

-----

Pas om halfvijf gingen ze naar huis toe, rood en warm van het harde

loopen, en Lineke legde de bloemen die ze geplukt had even in 't

gras om haar hoed op te zetten. --

"Komen jullie eens hier!" riep Bep, die al vooruit geloopen was, en

toen Eduard en Lineke bij haar stonden: "Kijk, een vogeltje!"

Ze bogen zich er alle drie over heen, en Eduard ging er bij op zijn

knie liggen en nam 't voorzichtig op. "'t Is dood!" zei hij.

Nieuwsgierig keken Bep en Lineke er naar. "Nee," riep Lineke, "'t is

niet dood, kijk maar, 't beweegt zijn pootje!"

Opeens begon 't vogeltje angstig te piepen.

"'t Is zeker uit 't nest gevallen," zei Eduard, "'t is nog een jong

vogeltje, zie je wel?" en zacht streek hij met zijn vinger over 't

kopje.

"'t Piept zeker zoo om zijn vader en moeder," fluisterde Bep; "arm

klein vogeltje!" en Lineke vroeg: "Toe Edu, laten we 't mee naar

huis nemen, dan kunnen we 't frisch water en eten geven, hier gaat

het zeker dood!"

[Illustratie - 19_vogeltje.jpg]

Eduard was opgestaan; nog steeds hield hij 't vogeltje zijn in zijn

hand. "Ik vind 't natuurlijk goed om 't mee te nemen," zei hij,

"maar hoe krijgen we 't thuis?" en tegen Lineke: "wil jij 't dragen,

zeg?"

Lineke strekte haar hand uit, maar trok die haastig terug. "Doe jij

't maar liever," vroeg ze, "je houdt het nu óók zoo voorzichtig

vast!"

Eduard ging naar 't pad terug en Bep en Lineke kwamen ieder aan een

kant naast hem loopen, telkens naar 't vogeltje kijkend. 't Piepte

nu niet meer, stil lag 't in Eduards hand, en met angstige,

verschrikte oogjes keek het rond.

"Zielig klein dier!" zei Lineke medelijdend, en Bep vroeg nog eens:

"Knijp je 't vooral niet, Eetje?"

Eduard Kerner · 第 32 / 42 题