"Zeg nu toch eens, wat voor kleur zal ik het haar van dat kleinste
meisje geven?" vroeg Bep, haar penseeltje uitspoelend.
"Kan mij wat schelen, maak 't voor mijn part pimpelpaars,"
antwoordde Eduard, en Piet zei dat hij oranjezeegroen altijd zoo
mooi vond. --
"Wat is dat voor een kleur?" vroeg Bep nieuwsgierig.
"Och, hij plaagt je maar wat," zei Eduard, die dadelijk spijt had
over zijn onvriendelijk antwoord van zooeven. "Maak het bruin, Bep,
en het strikje rood."
Met een tevreden gezichtje ging Beppie weer aan 't kleuren.
't Was een van de laatste vacantiedagen en 't regende; reden genoeg
voor de jongens om uit hun humeur te zijn. Bovendien had Hugo met
een paar vrinden de leerkamer in gebruik genomen voor een
vergadering van de cricketclub, waardoor de anderen genoodzaakt
waren geweest, hun heil in de speelkamer te zoeken. Piet was met een
boek op 't kastje gaan zitten, zijn voeten op de leuning van een
stoel, en Eduard had met een zucht zijn rekenboek opgezocht en was
gaan zitten rekenen. -- Hij had de heele vacantie eigenlijk niet
meer aan die taak gedacht, en van het plan om iederen morgen wat te
werken was niets gekomen. Wél hadden ze heel veel andere dingen
gedaan; de fietslessen waren 's morgens geregeld voortgezet, en
Eduard had de voldoening dat zijn leerling al heel handig in haar
eentje vooruit kon komen; één dag, toen 't heel mooi weer was, waren
ze allemaal naar 't strand gegaan met Tante Lina en de juffrouw; dan
was Tommy jarig geweest, en met de vrindjes die op visite kwamen
hadden ze verstoppertje gespeeld door 't heele huis, en Oom Tom had
ze allemaal meegenomen naar de bioscope; één middag had Hugo
gevraagd of Eduard meeging naar het voetbalveld, waar hij in de
geheimen van het edele voetbalspel was ingewijd, en gisteren was hij
den heelen dag bij Theo geweest; toen hadden ze eerst spelletjes
gedaan met Theo's kleine broertjes, en later was er viool gespeeld,
waarbij Mevrouw de Beer ze op de piano accompagneerde. Maar bij al
die pret was voor de sommen geen tijd overgebleven, en áf moesten ze
toch. Enfin, nu maar niet al te lang over een som zaniken, als 't
niet gauw ging maar overslaan en aan de volgende beginnen.
"Houd nu toch op met dat vervelende getik!" viel hij opeens uit
tegen Tommy, toen hij een som over twee soorten wijn die vermengd
moesten worden al driemaal had overgelezen zonder er iets van te
snappen.
Maar Tommy, die op de een of andere onbewaakte plaats een zakje
spijkers gevonden had en nu met veel ijver 't karpet aan den grond
zat te hameren, was in deze bezigheid zoo verdiept dat hij 't niet
eens hoorde. --
"'t Orakel zegt dat je uit moet scheiden, Tom!" waarschuwde Piet.
"Stik!" zei Tommy, en kalm hamerde hij verder.
Met verbaasde groote oogen keek kleine Bep de drie jongens om de
beurt aan. -- Eduard kreeg een kleur, maar zei niets, en strak bleef
hij in zijn boek kijken, ook toen Piet een erwt naar hem toeknipte,
die rakelings voorbij vloog en op de vensterbank bleef liggen.
"Dat gaat je neus voorbij, Eduardje!" merkte Piet op, en tegen Bep,
met een gezicht alsof iets heel bizonders te zien was: "O Bep, kijk
eens naar de deur!"
Half ongeloovig draaide Bep haar snoetje naar de deur, en "Twee
oogen bedrogen!" besloot Piet; en daar hij op dit moment niet meer
geestigheden tot zijn beschikking had, nam hij lachend zijn boek op
en begon weer te lezen.
Een half uurtje bleef 't stil in de speelkamer; alleen klonk
telkens, met onregelmatige tusschenpoozen, 't gehamer van Tommy, die
met een kleur van inspanning zijn arbeid voortzette.
Eduard had al eenige malen gegaapt en zich uitgerekt, gooide nu en
dan voor de afwisseling inktmoppen op zijn vloeitje, begon dan
opeens weer haastig te schrijven om even later zijn aandacht te
wijden aan het zoo netjes mogelijk oprollen van een smal reepje
papier.
[Illustratie - 18_tapijt.jpg]
Met een duidelijk hoorbare geeuw klapte Piet eindelijk zijn boek
dicht. "'n Saaie geschiedenis, hoor!" verkondigde hij, en tegen
Eduard: "Amuseer jij je nogal?"
"Lamme dingen!" mopperde Eduard.
"Smijt ze in een hoek!" raadde Piet aan, "doe ik ook als me iets
verveelt!" en om aan deze philosophische beschouwing kracht bij te
zetten nam hij het boek, dat hij "'n saaie geschiedenis" vond, en
deed het met een forschen zwaai in den tegenovergestelden hoek van
de kamer terechtkomen. --
Toen rekte hij zich nog eens uit en vroeg: "Wat zullen we nu eens
gaan doen, jongens?"
"Niet de verf van mijn kast schoppen alsjeblieft!" was het antwoord
van Tante Lina, die juist binnenkwam; "en als je nu eens even naar
beneden komt, dan .... maar Tommy, wat doe je?"
"Kleed lag los; maak ik vast!" zei Tommy laconiek, en met een
gezicht, dat van veel zelfvoldaanheid getuigde, nam hij een nieuwen
spijker uit het zakje.
Maar Tante Lina scheen met het werk van haar zoon niet zoo ingenomen
te zijn als dit jongemensch zelf, en verwijtend vroeg ze aan Piet en
Eduard: "Waarom hebben jullie daar dan toch ook niet eens op gelet?"
Met groote oogen keek Eduard naar 't onregelmatige rijtje spijkers
in 't karpet, en Piet mompelde iets dat klonk als: "kon ik toch niet
ruiken!"
"Nu, kom jij nu maar eens van de speelgoedkast af," vervolgde Tante
Lina op ontevreden toon tegen Piet, "en haal dan eens gauw 't
kookkacheltje van boven. Lineke is Hannie gaan halen en dan gaan de
meisjes koken."
Kleine Bep was een en al verrukking over dit nieuwe plan; "mag ik
ook meedoen, Maatje?" vroeg ze dadelijk.
"Zeker, als je tenminste oppast dat je je vingers niet brandt. Edu,
als je werken moet zou je dan niet liever ergens anders gaan
zitten?"
"Och nee, Tante," antwoordde Eduard, die niets geen zin had om weg
te gaan nu 't juist een beetje leuk begon te worden, "ik kan best
hier blijven, dan kan ik misschien ook nog wel wat helpen als 't
noodig is."
"Nu, jij moet 't weten," zei Tante Lina. "Begin dan maar eens met
dat kleine tafeltje bij de kachel te zetten;" en tegen Bep, die al
voor 't open speelgoedkastje op den grond zat, "ja, dat is goed,
krijg jij de pannetjes maar vast, en dan mag Tom ze op tafel zetten.
Nee Edu, nog een beetje dichter bij, anders past de pijp van 't
kleine kacheltje niet in de groote kachelpijp."
Langzaam kwam Piet met zijn vracht naar beneden stommelen, en heel
handig zette hij alles in elkaar. Toen ging hij wat hout en turf uit
de keuken halen, om de kachel vast aan te maken. Tegelijk met Hannie
en Lineke kwam hij terug, en Hannie verklaarde dadelijk dat ze koken
't zaligste vond van alles.
"Zoo, dat treft goed!" lachte Tante Lina, "dan zal ik maar gauw naar
beneden gaan en wat ingrediënten voor jullie inpakken. De
boodschappenjongen zal 't straks wel komen brengen. --
"Moeten we krenten koken?" vroeg Bep, toen Tante Lina de kamer uit
was.
"Welnee," zei Lineke. "Kun jij de kachel aanmaken, Piet?"
"Nou of ik," beweerde Piet. "Kijk nu allemaal maar goed, dan kun je
het een volgende keer zelf."
Ze kwamen er allemaal om heen staan, en Piet begon met zwierige
gebaren, en legde uit: "_Men_ neemt een lucifer; _men_ strijkt die
af; _men_ neemt een vuurmaker; _men_ steekt die aan; _men_ legt die
in de kachel; _men_ zorgt dat men zich niet brandt. -- Zoo." --
Helder vlamde de vuurmaker op, en Piet vervolgde: "_Men_ legt er een
stukje hout op; _men_ legt er nog een stukje hout op; _men_ legt er
een stukje turf op; _men_ doet het deurtje dicht." -- Triomfantelijk
keek Piet de anderen aan.
"_Men_ kijkt voldaan rond," zei Eduard, en Hannie merkte op, dat
_men_ een ideaal keukenjongen was.
"Wat keukenjongen?" vroeg Piet minachtend, "opperkok bedoel je! Geef
me nu de pook eens aan, Tom!" En toen Tommy's zoeken hem te lang
duurde: "Gauw nou, uilskuiken, anders gaat hij immers weer uit!"
Bep herhaalde haar vraag wat ze dan toch met die krenten moesten
doen, en "wat zanik je toch over krenten," snauwde Lineke, "geen
sterveling heeft 't woord krenten in zijn mond gehad."
"Ze bedoelt ingrediënten," bedacht Eduard, "Tante Lina zou
ingrediënten sturen."
"Wat zijn ingrediënten?" vroeg Tommy, maar ze gaven geen van allen
antwoord.
"Piet, wat zijn ingrediënten?" herhaalde Bep.
"Dat zijn de dingen die je noodig hebt," verduidelijkte Piet, en hij
blies zoo hard mogelijk in 't kacheltje, "Ma bedoelde eetwaren en
zoo. Lam ding, brand dan toch!"
"Ik ben benieuwd wat voor dingen we krijgen," zei Hannie, en de
meisjes verdiepten zich in allerlei gissingen wat er zou zijn en wat
niet.
Piet tobde nog wat met de kachel en verklaarde eindelijk: "Nou doet
ie 't;" daarna vloog hij met zijn vuile handen zwaaiend op de
anderen af, zoodat het een algemeene holpartij werd, die pas
eindigde toen Broertje, de boodschappenjongen, met een mandje
waarover heel geheimzinnig een servet lag uitgespreid de kamer kwam
binnenstappen. Hij werd opeens bestormd, en kreten van verrukking
gingen op toen al de heerlijkheden op tafel werden uitgestald en
achtereenvolgens een paar aardappels, een klein potje boter, een
snee wittebrood, een zakje suiker, een paar balletjes gehakt, wat
sucade, griesmeel, rozijnen, vermecelli, en ten slotte ook krenten
uit het mandje te voorschijn kwamen.
"We kunnen alles maken!" juichte Lineke, "zeg jullie maar wat je
lekker vindt, dan koken wij het wel, he Han? Zeg nu eens waar je
veel van houdt, Ee!"
"Van koffiepudding," zei Eduard in alle onschuld. De twee meisjes
keken elkaar aan, zagen nog eens even naar de verrukkelijkheden op
de tafel, fluisterden samen een beetje, en verklaarden toen
eenstemmig dat dat niet kon. "Wel griesmeelpudding." --
"Pruimentaart dan!" vroeg Piet, die zich weer op de kast had
geheschen om een goed overzicht van de werkzaamheden te hebben, en
toen Hannie zei dat er geen pruimen waren en 't daarom niet kon,
vervolgde hij: "Garnalencroquetjes." --
"Kan ook niet."
"Ossenhaas met perziken in 't zuur."
Lineke knikte van nee.
"Haringsla met geslagen room."
"Flauwerd!" zei Lineke verontwaardigd, kwaad omdat ze voor de gek
gehouden werd.
"Nou, ik dacht dat je zei dat je alles maken kon," merkte Piet
nuchter op, en een hevige kibbelpartij zou gevolgd zijn als niet
juist op dit oogenblik Tante Lina was binnengekomen met een kannetje
melk; "dat vertrouwde ik den boodschappenjongen nog niet goed toe,"
vertelde ze lachend.
"Mogen we nu beginnen Ma?" vroeg Lineke, en Hannie voegde er bij:
"Wat mag ik doen, Mevrouw?"
"Ik wil pannekoeken bakken!" riep Tommy. "Ik koekjes voor de
poppen!" "Ik rozijnentaart!" gilde Broertje. "Och jongen, daar krijg
je een rozijnen-baard van!" "Haringsla Ma!"
"Stil jongens!" zei Tante Lina, "als je zoo begint maken we
heelemaal niets! We zullen eerst soep en aardappelen koken en een
broodpudding maken, en verder zullen we dan wel zien." --Een
kwartier later waren ze allemaal druk bezig; Broertje was aan 't
beschuit stampen, Bep waschte de krenten, Tommy stond brood fijn te
maken, Hannie schilde de aardappelen, en Lineke liep bedrijvig heen
en weer, telkens kijkend of er geen hout op 't vuur moest, of de
oven al warm was, of 't water voor de soep al begon te koken en of
't gehakt al een heel klein beetje bruin zag. -- Tante Lina was weer
naar beneden gegaan en had beloofd straks nog eens te zullen komen
kijken.
Alleen Piet, die nog altijd op de kast zat, voerde heelemaal niets
uit, en Eduard deed niet veel méér; hij was weer aan zijn sommen
begonnen, maar er viel zooveel te kijken en te luisteren dat er niet
veel op 't papier kwam te staan.
"Kijk Broertje eens!" riep Piet, die van zijn verheven zitplaats
steeds op- en aanmerkingen ten beste gaf, "bollewangen hapsnoet,
hoor!" en even later klonk het: "Bep steekt telkens een krent in
haar mond!"
"Als je kookt mag je proeven," vond Bep.
Ze kregen 't hoe langer hoe drukker. De broodpudding moest in den
oven, en Hannie haastte zich om de sucade en krenten er door te
doen, want de boter was al gesmolten en Tommy riep maar "gauw,
gauw!" -- En toen kookte opeens de melk voor de griesmeelpudding
over, en Lineke bedacht dat ze 't zout in 't gehakt vergeten had, en
wilde 't er toch nog maar overheen strooien, en je kon toch ook niet
alles door de kleintjes laten doen!
"'t Zal lekker worden!" plaagde Piet, "'k zal maar vast eens komen
proeven!"
"Nee hoor, afblijven!" gilde Lineke, "toe Broer, geef eens gauw die
vork aan!"
"'t Begint al echt lekker te ruiken!" zei Eduard, "ik krijg toch
zoo'n vreeselijke honger!"
"Ik ook!" en Piet snoof eens. "Kom jongens, wie heeft er vast eens
wat te eten, heeft er niet iemand nog wat chocola of zoo, in
afwachting van 't diner?"
De anderen hoorden zijn vraag niet, verdiept als ze waren in de
kokerij; alleen Bep keek op, en zei plotseling: "Eetje heeft
chocola." Ze had er nooit over gepraat, dat ze dien avond chocola
van Eduard had gekregen, maar nu vertelde ze 't opeens.
"Heb jij chocola?" vroeg Piet verbaasd. "Kom, haal ze dan eens gauw,
ouwe jongen, ik verga van de honger!"
Eduard aarzelde even. Al een paar keer had hij zelf de doos mee naar
beneden willen nemen, maar telkens had hij ze toch nog maar wat
langer willen bewaren, en 't kwam hem nu eigenlijk een beetje
overvallen. Heel veel zin had hij niet om de doos te gaan halen,
maar toen de kleintjes ook begonnen te bedelen en beweerden dat ze
zoo vreeselijk veel trek in een heel klein stukje chocola hadden,
stond hij toch op om naar boven te gaan.
Hij had er wel voldoening van, want de flikken werden met veel smaak
verorberd, en ze vroegen dadelijk: "krijgen we er nog een?"
Bep presenteerde, en Piet hield de doos bij zich toen ze hem die
aangaf. -- "Hij staat hier heel veilig!" antwoordde hij op een
ongerusten blik van Eduard.
"Geef hem toch maar hier!" vond Eduard, maar Piet zei: "Dank je wel,
dan krijgen we niks meer! Wees maar niet benauwd, hoor, we zullen
eerlijk deelen!" En toen Eduard nog bleef protesteeren: "Kerel,
ben je gek! He, je lijkt wel zoo'n ouwe theetante! Maak toch niet
zoo'n herrie om niks!"
Stijf kneep Eduard zijn lippen op elkaar en hij bleef zwijgen, ook
toen Piet aan het uitdeelen ging; "vang Hannie!" klonk het van de
kast, "vang Tom!" De flikken vlogen door de kamer, en telkens ging
er een luid gelach op als er een mis ving en de flik ergens op den
grond terecht kwam. -- Vies waren ze er toch niet van.
"Vang, Eduardje!"
Eduard deed alsof hij 't niet hoorde. Even bleef 't stil in de
kamer, toen zei Lineke half hard: "Hij is kwaad."
"Da's niks," oordeelde Piet, "moet ie maar weer goed worden ook. --
We zullen er een voor hem bewaren." Hij legde een flik naast zich op
de kast. "Nou jongens, hier is de laatste! Die is voor Broer, omdat
hij de jongste is. Vang Broer!"
Strak bleef Eduard in zijn boek kijken, maar van wat er in stond
bleven zijn gedachten oneindig ver verwijderd. Een machtelooze woede
voelde hij in zich opkomen tegen Piet, die daar van zijn chocola zat
uit te deelen, uit de doos die hij van Vader had gekregen. O, hij
zou hem tusschen zijn vingers willen hebben om hem fijn te knijpen,
die Piet, die daar lachend en bluffend op de kast zat, en die door
de anderen nog toegejuicht werd ook! Eduard nam zijn potlood op en
kneep daar zoo hard in dat het bijna tusschen zijn vingers uitglipte
en zijn nagels wit werden. Hij wilde, hij moest zich goed houden!
Opeens keek hij weer naar de kast. Waar was de doos? Die wilde hij
tenminste terug hebben!
Piet zat er mee te ballen, gooide het ding telkens tegen 't plafond
en ving het dan weer op.
"Geef hier m'n doos!" klonk het schor.
Piet keek even op, lachte eens, gooide de doos nog een paar keer in
de hoogte, hield toen op, haalde zijn mes uit zijn zak, en zei: "We
zullen er een mooie inscriptie opzetten. 'Wie geeft wat hij heeft is
waard dat hij leeft', of zoo iets, of weten jullie soms iets
mooiers? Dat wordt dan een blijvende herinnering aan deze groote
dag!" en Piet zette de punt van zijn mes in het deksel.
Op dit oogenblik voelde Eduard zich razend worden. Zijn gezicht was
bleek van woede toen hij driftig opstond, naar de kast ging, en uit
alle macht in Piets been begon te knijpen. "Blijf er af!" schreeuwde
hij, "geef nou op!"
Piet schopte terug. "Ben je dol!" gilde hij, "schei uit zeg! Laat
m'n been los!"
Maar toen Eduard door bleef knijpen, aldoor roepend dat hij zijn
doos terug wilde hebben, smeet Piet opeens het ongeluksding naar het
andere eind van de kamer; toen liet hij zich van de kast glijden en
gaf Eduard een klap in zijn gezicht. -- Even later rolden de jongens
vechtend over den grond, overal stompend waar ze den ander maar
raken konden en telkens worstelend om los te komen; bijna had Piet
zijn neefje al onder gehad, maar doldriftig en hijgend wrong Eduard
zijn arm los en weer stompte hij Piet zoo hard mogelijk.
Angstig en verschrikt stonden de anderen er om heen. De heele
kokerij was vergeten, met groote oogen keken ze naar de vechtende
jongens op den grond, en half huilend vroeg Lineke om nu toch
alsjeblieft op te houden; de kleintjes gilden, en met een stemmetje
dat trilde van angst riep Bep: "Paatje! Kom toch gauw! Ze vechten
zoo vreeselijk! Pa! Maatje!"
En opeens stond de Kapitein, die in zijn studeerkamer 't lawaai al
gehoord had, naast ze. Haastig duwde hij Bep en Broertje op zij. --
"Onmiddellijk ophouden!" commandeerde hij, en plotseling voelden de
vechtende jongens zich stevig beetgepakt en van elkaar getrokken. De
Kapitein zag rood van verontwaardiging, en de twee vechtersbazen
ieder bij een arm vasthoudend schudde hij ze hevig door elkaar.
"Ellendige jongens!" riep hij, "dat gezanik altijd! Allo, de kamer
uit! Jij naar mijn kamer en jij kunt naar je slaapkamer gaan!
Ingerukt marsch!"
"M'n doos!" huilde Eduard, "ik moet m'n doos hebben!"
"Wat doos! Vooruit, opgemarcheerd! En gauw een beetje!"
En Eduard voelde hoe hij weer bij zijn arm gepakt en de kamer
uitgezet werd; hij liep de trap op, naar zijn kamertje, en met een
harden slag gooide hij de deur achter zich dicht; toen liet hij zich
voorover op zijn bed vallen en huilde, alsof hij nooit weer zou
kunnen ophouden.
"'k Wou dat ik dood was!" snikte hij, "'k wou dat ik dood was!
Niemand houdt van me!" En aldoor kwamen er maar weer nieuwe tranen,
zoodat zijn kussen heelemaal nat werd en zijn oogen pijn deden en
zijn voorhoofd gloeide.