Eduard trok zijn neus op. "'t Is zoo'n eind!"

"Maar je kunt bijna heelemaal met de tram gaan Toe, doe 't maar, dan

ben je over een half uur weer terug en dan kunnen we dadelijk

beginnen!"

Eduard was al half voor 't plan gewonnen. Fietsen was toch ook

eigenlijk wel erg aanlokkelijk, en hij wist toch ook niet wat hij

anders zou gaan uitvoeren, Hij grabbelde even in zijn zak en vischte

onder allerlei rommel een dubbeltje op voor de tram. Toen ging hij

naar de eetkamer om aan Tante Lina te vragen of hij de huissleutel

mocht hebben.

"Als je 't huis goed weer sluit, ja!" zei Tante Lina, en met de

sleutel in zijn zak verdween Eduard.

"Moet je geen jas aan?" riep Tante Lina hem nog na, maar dit vond

haar neefje heelemaal niet noodig, en hij riep terug dat hij toch al

stikte.

"Kom je vooral gauw terug?" vroeg Lineke nog eens, en "ja zeker!"

beloofde Eduard. Daarmee trok hij de voordeur dicht.

Op de zolderverdieping hing Piet uit 't raam.

"Zeg Eduardje!"

"Nou?"

"Wat dee je daarnet toch met die zak?"

"Met welke zak?" vroeg Eduard, onmiddellijk spijt voelend over zijn

vraag, waarop hij het antwoord al wist. En hoonend klonk 't van

boven: "Die zak waar de duvel z'n kop in stak!"

Eduard wilde nog iets antwoorden, maar Piet had zijn hoofd al weer

naar binnen getrokken en in de verte belde de tram. Haastig holde

hij de gracht af om nog net op tijd bij de halte op de brug te

staan. Vlug stapte hij op toen de tram stil hield.

't Was frisch achterop, maar Eduard had niets geen zin om binnen te

gaan zitten, en lustig liet hij zijn dasje wapperen in de wind. Je

kon nu toch al echt merken dat het voorjaar werd! De boomen begonnen

ook al zoo leuk groen te worden, en dan dat achter op de tram staan

in een sportblouse! --Toch eens even opletten hoe de school er

uitzag nu 't vacantie was! En toen ze 't gebouw voorbij-reden dacht

Eduard er opeens weer aan hoe heerlijk 't toch was vacantie te

hebben en hoe plezierig hij 't vond tien dagen lang niet in dat

vervelende hok te moeten.

In zijn zak liet hij 't van den conducteur teruggekregen 2.5

centstuk rammelen met den huissleutel en zijn mes. Toen haalde hij

de sleutel te voorschijn, stak zijn pink door het oogje en liet hem

heen en weer bengelen. Hij zag hoe twee groote meisjes tegenover hem

er naar keken en toen tegen elkaar fluisterden en lachten; zeker

hadden ze 't over _hem_, en met zooveel aandacht was hij aan 't

luisteren of hij ook iets kon opvangen dat hij bijna vergeten had af

te stappen. Hij bedacht 't opeens, toen de tram al haast stilstond,

en even daarna was hij er afgesprongen en liep hij naar 't huis toe.

Hoe vreemd zag 't er uit! 't Was net of het hun huis niet was, zoo

raar en ongezellig leek het nu! En voor de deur bleef Eduard even

staan kijken, als wachtte hij ergens op. Toen stak hij de sleutel in

het slot, en bij 't omdraaien maakte het een knarsend geluid. En

dadelijk toen de deur open was kwam een muffe lucht van lang

gesloten zijn hem tegemoet. Vreemd stil en half donker was 't opeens

toen hij de voordeur achter zich dicht had gedaan, 't was of de

drukke straatgeluiden plotseling hadden opgehouden. Maar hier binnen

bleef 't heel stil; geen stemmen, geen voetstappen, en ook de groote

hangklok tik-takte niet.

Eduard liep de gang in en opende de deur van de kast; hij schrikte

van het gepiep, maar dadelijk bedacht hij, dat deze deur altijd

piepte, en gerustgesteld tilde hij zijn fiets uit den standaard en

zette hem in de gang neer. Toen begon hij de pomp te zoeken, die ook

in de kast moest liggen, en die hij eindelijk stoffig en wel in een

hoek vond. En nadat hij de banden had opgepompt en de kast weer

dichtgedaan had liep hij voor hij wegging nog even naar Vaders

kamer, half nieuwsgierig hoe 't er daar uit zou zien.

De deur stond half open, en Eduard ging naar binnen. Vlak bij Vaders

groote schrijftafel bleef hij staan. Daar was het weer, die

vreeselijke stilte. En opeens was 't, alsof hij hier niet hoorde nu.

Hij had hier niets te maken, bij die tafel en de stoelen en al de

andere dingen, en toen hij langzaam zijn hand van de schrijftafel

nam, zag hij, dat de afdrukken van zijn vingers duidelijk zichtbaar

bleven in de grijsgrauwe stoflaag; en zijn hand aan zijn broek

afvegend speet het hem opeens dat die vingerafdrukken daar stonden,

want 't was of hij daarmee iets had weggenomen van 't geheimzinnige

iets, dat over de kamer hing. 't Was of hij al die voorwerpen

gestoord had, niet in hun rust, maar in iets anders; of ze eigenlijk

ergens anders hadden gestaan, en gauw weer naar hun plaats

waren gegaan toen ze Eduard hoorden aankomen ....

En toch was alles nog net zooals die laatste keer, toen hij hier met

Vader gestaan had. Hier had Vader hem zijn jas helpen aantrekken,

hier had Vader hem goeiendag gezegd, en nadat ze toen samen de kamer

waren uitgegaan was hier niemand meer geweest; dat was nu al langer

dan twee maanden. En straks, als hij weg was, dan zou diezelfde

grauw-sombere rust weer terugkomen, en zwijgend en stil zou alles

hier weer staan, nog veel weken lang, en aldoor zou de stoflaag

dikker en grijzer worden.

En met een plotselinge rilling draaide Eduard zich om; hij liep de

kamer uit, en hij zette de voordeur wijd open, zoodat het zonlicht

de halfdonkere gang opeens helder verlichtte. Toen reed hij zijn

fiets naar buiten, met een gevoel van nu maar zoo gauw mogelijk weg

te willen. Daar waren ze weer, de straatgeluiden: het rammelen van

karren over de keien, 't geschuifel van voetstappen, gepraat en

gelach, en in de verte 't schelle gefluit van een stoomboot. Met een

ruk trok Eduard de voordeur dicht; hij liet de sleutel een, tweemaal

omdraaien in 't slot, en sprong op zijn fiets, dadelijk flink

doortrappend, zonder nog eens om te kijken. Hij nam de kortste weg

terug, door de stad, hard rijdend door de drukke straten, telkens

uitwijkend voor wagens en menschen en auto's.

Lineke liep voor 't huis al te wachten, ongeduldig uitkijkend.

"Wat ben je lang weggebleven!" riep ze, toen hij er eindelijk

aankwam.

"'k Heb me toch heusch gehaast!" riep Eduard terug, en 't laatste

eindje liet hij zich gaan, zonder te trappen, tot hij voor 't huis

plotseling remde, met een zwaai van de fiets afsprong en buigend

voor Lineke stond.

"Wat ken jij 't heerlijk goed!" bewonderde 't kleine meisje, en een

stem die uit hooger sferen scheen te komen voegde er bij: "Dat kun

je ook niet anders verwachten van zoo'n sportsman als hij is, dat

weten we van 't schaatsenrijden, he Eduardje?"

"St, 't is Piet," fluisterde Lineke haastig, "geen antwoord geven,

dan heeft hij er geen plezier van." En hardop vervolgde ze, 't stuur

van de fiets vastgrijpend: "Moet ik er aan deze kant opklimmen,

zeg?"

Met eenige moeite lukte het Eduard zijn nichtje op 't zadel te

helpen, en daarmee begon Linekes eerste fietsles.

"Nu trappen!" commandeerde Eduard, "wees maar niet bang dat je valt,

flink doortrappen maar! Zoo .... durven maar, ik zal je wel

vasthouden!.... Trappen!"

Hijgend viel Lineke aan 't eind van de gracht tegen hem aan. "Ik kan

niet meer!"

"Da's niks, dan wachten we even," zei Eduard, en na een paar

minuten, waarin hij zich met zijn zakdoek koelte had staan

toewuiven: "Nu weer omkeeren, zeg?"

En weer ging het de gracht af, Eduard met één hand aan 't zadel en

één aan 't stuur naast de fiets hollend, en telkens klonk het

hijgend: "Trappen! Toe dan! Flink doortrappen! Vooruit!"

[Illustratie - 17_fietsles.jpg]

En iedere keer werd aan het eind van de gracht even gewacht; dan

rustten ze uit, lachend en warm, en dan zette Lineke die lastige

hoed weer goed, die telkens afwoei en dan in haar hals bleef hangen.

Dan ging 't weer terug, trappend en hollend, en telkens vielen ze

half als Lineke haar evenwicht weer verloor.

Zoo vond Oom Tom ze, toen hij tegen half een thuis kwam.

"Jongens, wat zijn jullie warm!" zei hij hoofdschuddend, maar hij

had er toch pret in, en bleef voor de deur staan kijken; en toen ze

even daarna vlak voor hem stilhielden en Lineke met Eduards hulp van

de fiets stapte vroeg hij dadelijk: "Is ze nogal een goede

leerling?"

"Zeker Oom, dat gaat best!" lachte Eduard, en Lineke riep: "Vind u

niet dat 't al goed gaat, Pa?"

"Ja prachtig!" vond de Kapitein, "maar komen jullie nu in huis; voor

vandaag heeft de les lang genoeg geduurd, dat zie ik aan jullie

gezichten!"

Eduard Kerner · 第 29 / 42 题