XIII.

Om zes uur was Eduard al wakker geworden door 't gebons op den

tusschenmuur, en met zijn kussen onder zijn arm en een deken achter

zich aan sleepend was hij naar de kamer van de neven getrokken. Een

woest spiegelgevecht volgde, waarbij kussens, kousen, pantoffels en

verdere projectielen in het rond vlogen, tot groot plezier van de

drie jongens en tot groot ongenoegen van Keetje, die boven op de

zolderverdieping het lawaai duidelijk kon hooren en daar al een

visioen kreeg van een wanhopig slordige kamer waarin geen stuk op

zijn plaats stond.

Daarna had het edele drietal, met behulp van hockeystokken, hengels

en lakens, Hugo's bed in een tent herschapen, en zelfs Hugo, die

zich gewoonlijk te groot vond voor zulke spelletjes, had met zooveel

plezier meegedaan, dat hij evenmin als de twee anderen tot

aankleeden te bewegen was geweest, toen de juffrouw om acht uur riep

dat het hoog tijd was om op te staan. -- Oom Tom, wien de

voortdurende herrie boven zijn hoofd al lang verveeld had, was

eindelijk zelf de trap opgekomen, maar nauwelijks hadden de jongens

zijn stap gehoord of plotseling was de rust in de slaapkamer

teruggekeerd. -- 't Tooneel dat de Kapitein te zien kreeg toen hij

de deur geopend had was wel bizonder. In artistieke bevalligheid

lagen de verschillende eigendommen van zijn zoons door de kamer

verspreid; op een vreemdsoortige verzameling van allerlei artikelen

in Hugo's bed lag dit jongmensch met zijn gezicht naar den muur

gekeerd kalm te slapen; op het andere bed lag Piet, het tafelkleed

half over zich heen getrokken en zijn handen onder zijn hoofd; een

luid gesnurk moest verkondigen dat ook hij in diepe rust was. En ten

slotte zag de Kapitein zijn neef, die in een deken gerold op den

grond lag, zijn oogen dicht en de punt van een kussen in zijn mond.

Een halve minuut lang bleef Oom Tom staan kijken, toen barstte hij

in lachen uit, welk oogenblik Piet zeer geschikt oordeelde om zich

geeuwend uit te rekken en wakker te worden.

"He, he!" zuchtte Piet, en toen doodnuchter Eduard aanziende: "Wat

doe jij hier?"

Eduard proestte 't opeens uit, en ook Hugo's rug maakte een verdacht

schuddende beweging.

"Nou," zei de Kapitein eindelijk, "nu moet het uit zijn, hoor

jongens! 't Is veel te mooi weer om zoo lang in je bed te liggen!

Kijk de zon eens mooi schijnen!" En daarmee was hij naar beneden

gegaan.

Zoo hadden ze de Paaschvacantie ingewijd. En ook onder 't aankleeden

waren ze in de vacantie-stemming gebleven. Telkens begon Eduard in

zijn eentje te lachen als hij dacht aan de malle vertooning van

straks, en met 't heerlijke gevoel van geen haast te hebben teutte

hij bij alles wat hij deed. Geen haar op zijn hoofd dacht meer aan

't goede voornemen van den vorigen avond, om geregeld iederen morgen

van negen tot tien uur sommen te maken. --Mijnheer Snijders had hem

gelegenheid willen geven zijn cijfer voor rekenen wat te verbeteren

voor het Juli-rapport, en daarom had hij Eduard voor de vacantie

twintig sommen opgegeven. "Meer dan een uur per dag hoef je er niet

aan te werken!" had Mijnheer Snijders er bij gezegd, en al had

Eduard niet veel zin in de taak, hij wist zelf toch heel goed dat

het hoognoodig was om eindelijk eens iets te gaan uitvoeren.

Toen Eduard naar beneden ging om te ontbijten was 't kwart over

negen. -- Ze waren er allemaal al, en Tante Lina bromde omdat 't zoo

laat geworden was. -- Eduard zei maar niks en begon te lachen om een

verhaal van Oom Tom, die juist beneden was gekomen toen er gebeld

werd, en bij het opendoen de een of andere kleine krent op de stoep

gevonden had die vroeg: "Is Verhey thuis?" En de Kapitein stelde

heel aanschouwelijk voor hoe hij eerst op het punt gestaan had de

kleine krent een draai om zijn ooren te geven voor zijn brutaliteit,

maar op het juiste moment nog tot de conclusie gekomen was dat Tommy

bedoeld werd.

Tommy vertelde dat hij 't niets bizonder aardig vond. "We noemen

elkaar altijd bij onze achternaam," zei hij, "als 'k Holdert zie zeg

ik ook 'zoo Holdert, ga je mee?'"

"Nou, vraag jij dan maar aan Holdert of hij vanmorgen hier in de

tuin komt spelen," lachte Tante Lina, en Tommy holde weg om zijn

vriend, die door den Kapitein zoo oneerbiedig met den naam "krent"

betiteld was, te gaan halen. -- Ook de kleintjes liepen naar den

tuin om in den zandhoop te spelen, en Lineke verdween met een boek.

Oom Tom stak een sigaar op en ging naar de kazerne.

"Ziezoo," zei Piet, zich eens flink uitrekkende, "en nu ga ik in de

vacantie eens lekker niks doen. Ma, weet u waar de hangmat gebleven

is?"

"'k Geloof boven in jullie kast," antwoordde Tante Lina.

Een kwartier later amuseerde Piet zich met op de zolder zijn hangmat

vast te maken, was Hugo met een paar vrienden op weg naar 't

voetbalveld en zat Eduard in de leerkamer met een nieuw schrift en

't sommenboek open voor zich, verdiept in de wandeling van A en B

uit P naar Q en omgekeerd. Deze soort sommen vond Eduard altijd nog

zoowat het gemakkelijkst, maar met de tweede, een kranen-som, begon

de ellende al, en een heele poos bleef hij aan 't probeeren zonder

dat het hem lukte de goede manier te pakken te krijgen. 't Maakte

hem ongeduldiger en ongeduldiger. Die lamme dingen ook! Daar kon je

nu je vacantie aan opofferen! Prettig!

Nog even werkte hij door, mopperend en scheldend op de sommen, toen

verveelde 't hem zóó en had 't hem zóó uit zijn humeur gebracht, dat

hij met een harden klap zijn schrift dichtsloeg en 't met zoo'n

vaart over de tafel keilde dat 't aan den anderen kant open op den

grond terecht kwam. 't Vloeitje dwarrelde achteraan.

Met zijn handen in zijn zakken liep Eduard de gang in, waar hij

bijna tegen Lineke aanbonsde.

"Waar zit je toch?" vroeg ze, "ik zoek je overal! Weet je nog wel

wat je beloofd hebt, zeg?"

"Nou, wat dan?"

"Je zou me leeren fietsen!"

"O ja, da's waar," herinnerde Eduard zich, "moet dat juist vandaag?"

"Moeten niet natuurlijk, maar 't is nou mooi weer, enne ...."

"Maar m'n fiets is nog thuis!"

"Nou, ga 'm dan halen!"

Eduard Kerner · 第 28 / 42 题