XII.

"Zeg Kerner!" klonk het zachtjes.

"Nou?"

"Wacht even, hij kijkt!"

Mijnheer Snijders zag zoekend de klas rond. "Van Hamel, wil jij de

gebergten Van Zwitserland eens komen aanwijzen?" En Van Hamel schoof

zijn bank uit om langzaam naar voren te komen.

"Zeg Kerner!" herhaalde dezelfde fluisterende stem. Eduard leunde

zoo ver als hij durfde achterover en draaide zijn hoofd half opzij,

om geen woord te verliezen van wat zijn achterbuurman te zeggen had.

"Wil je een stukje drop hebben?"

"Jawel."

"Nou, steek je hand dan uit. -- Voorzichtig, doe nou niet zoo sloom,

straks ziet hij het!"

Een kleverig stukje drop werd tusschen Eduards vingers geduwd.

"Ik heb niks geen zin om op te letten!" ging de stem achter hem

voort.

Eduard maakte van een oogenblik dat Mijnheer Snijders naar 't bord

keek gebruik om 't stukje drop in zijn mond te stoppen.

"Ik ook niet; 'k verveel me dood."

"Dat taaie Zwitserland ook."

"Net zoo taai als die drop van jou."

"Wat?"

"Ik zeg dat 't net zoo taai is als die drop van jou, je tanden

blijven er in kleven!"

"Kerner, je zit aldoor te praten, je hebt een aanteekening! Wilkens,

kom jij de rivieren aanwijzen!"

"Natuurlijk doe ik 't weer," mopperde Eduard. "Net of je in je

eentje kan praten!" en Meertens fluisterde hem in dat dat zijn straf

was, omdat hij zijn drop voor taai had uitgescholden. "Wil je soms

nog een stukje?"

"Nee, dank je feestelijk!"

"Nou, niet of graag!"

"Meertens, houd nu onmiddellijk op met dat gepraat!" viel Mijnheer

Snijders uit, die aldoor in dezelfden hoek hoorde fluisteren;

"Kerner, kom jij voor de kaart en wijs de rivieren nog eens aan!"

Eduard stond op, zijn handen in zijn zakken, liep tusschen de banken

door, en begon voor de klas de verschillende rivieren op te noemen,

telkens even wachtend om 't lastige stukje drop achter zijn kiezen

te duwen.

"Wat eet je toch eigenlijk?"

Eduard keek verschrikt op. "Een stukje drop," zei hij toen.

"Waarom? Ben je verkouden?" en toen Eduard geen antwoord gaf, nog

eens, ongeduldig: "Geef me antwoord, ben je verkouden?"

"Nee meneer."

"Heb je drop meegebracht?"

"Nee meneer."

"Heb je het gekregen?"

't Was doodstil in de klas.

"Heb je het gekregen?"

Alle jongens keken en luisterden, maar Eduard bleef zwijgen.

"Heel goed," besloot Mijnheer Snijders, "je verkiest dus geen

anwoord te geven. Ga nu maar naar je plaats, om twaalf uur kun je

schoolblijven."

"Daar bof je bij!" fluisterde Meertens, toen Eduard weer in de bank

schoof, "'n taaie boel, he?"

Maar Eduard was niet meer in de stemming om door te praten, en

schoof met een kwaad gezicht zijn elleboog op de bank.

"Wil je soms een turf hebben?" vervolgde Meertens, en hoe boos

Eduard ook wilde kijken, toch kon hij niet laten even te lachen.

"Kerner, doe die elleboog weg!"

"Ook al goed!" mompelde Eduard, en onverschillig langzaam trok hij

zijn arm weg en bleef schuin in de bank hangen.

Mijnheer Snijders keek nog even naar hem, maar liet hem verder stil

zitten.

"We zullen voortgaan met de les; Van Effen, het het is jouw beurt!"

Toen om twaalf uur de bel gegaan was en de andere jongens weg waren

liet Mijnheer Snijders Eduard bij zich voor de klas komen.

"Kerner, wilde je deze zomer nog toelatingsexamen voor het gymnasium

doen?"

Eduard knikte van ja.

"Zoo, nu, dan wilde ik je eens even het volgende zeggen: ik heb van

de week de rapporten opgemaakt, die jullie vóór de Paaschvacantie

zult krijgen, en ik heb je voor Fransche taal een 4 en voor rekenen

een 3 gegeven. Het werk dat je tegenwoordig inlevert is bepaald

slecht, en je huiswerk is eigenlijk gezegd beneden alle critiek; en

het ergste is, dat het niets dan luiheid van je is; als je je

werkelijk inspant kun je heel goed werken, maar van de fouten die je

maakt is het grootste gedeelte slordigheid en onattentie, en ik heb

je voor vlijt dan ook niet meer dan een 4 kunnen geven."

Eduard luisterde met zijn handen op zijn rug, en aldoor keek hij

naar den grond.

"Je vader zal het zeker wel heel plezierig vinden als je hem dat

schrijft!"

Stijf kneep Eduard zijn vingers tegen elkaar.

"Ik waarschuw je nu nog eens voor de laatste keer, 't is vandaag 3

April, je hebt nog ruim drie maanden tijd, maak dat alles zoo gauw

mogelijk beter wordt en probeer in de Paaschvacantie de tijd die je

verknoeid hebt in te halen. Je begrijpt wel, dat er, als het laatste

rapport zoo is als dit, van examen doen niets komt! Ziezoo, denk

daar nu maar eens goed over, en nu kun je naar je plaats gaan en

voor je gepraat en je koppigheid vanmorgen de aardrijkskundeles nog

eens uitschrijven."

Haastig begon Eduard, met een krassende griffel; een 4 voor Fransch

en een 4 voor vlijt en een 3 voor rekenen! 't Was ook allemaal zoo

ellendig lastig en vervelend! En dan dat toelatingsexamen nog! Vader

rekende er vast op dat hij er door zou komen! De Rijn, de Rhône, de

Aar, de Reuss, de Limath .... En nu kwam hij natuurlijk weer veel te

laat voor de koffie ook! De Sint Gothard, de Simplon .... had hem

tenminste best een 4 voor rekenen kunnen geven, 't was op 't vorige

rapport ook een 4 geweest! De Jungfrau .... Vooruit, klaar, streep

er onder! --

"Zie je wel dat je 't wel weet?" vroeg Mijnheer Snijders, toen hij

't nagekeken had.

"Nou ja, aardrijkskunde!" Eduard haalde zijn schouders op.

"Ja, maar 't andere kun je ook wel! Heusch, span je nu eens in!

Begin nu eens met te maken dat er geen enkele fout in de Fransche

thema voor morgen zit! En ga nu maar gauw weg, dag Kerner!"

Eduard haastte zich niet om thuis te komen. Even holde hij tot hij

de straat uit was, toen bleef hij met aandacht bij den singel staan

kijken; een troepje jongens was er aan 't spelen op een vlot, dat

met een stevig touw aan den kant vastlag. Telkens klonk een luid

gejuich als een van de jongens met een flinke sprong op 't vlot

terecht kwam, en geen van 't troepje scheen zich er aan te storen

dat bij 't daarop volgende geschommel de klompen vol water liepen.

Wat zou 't ze ook kunnen schelen! Zij hoefden geen akelige Fransche

thema's te maken, en toelatingsexamen voor 't gymnasium hoefden ze

ook niet te doen!

Met een harden schop tegen een kiezelsteentje liep Eduard verder.

Een 4 voor vlijt! Verbeeld je! En een 3 voor rekenen! Nou ja,

rekenen kon hij nou ook eenmaal niet, en dat zou hij wel nooit

leeren ook! Maar die 4 voor vlijt was onzin! Dat was zeker om

vanmorgen; net of je altijd maar hetzelfde uitgestreken gezicht kon

zetten! En natuurlijk had hij moeten schoolblijven, en Meertens, die

begonnen was, kon stilletjes naar huis gaan. Die kwam er altijd goed

af, en hij kreeg er de standjes voor! En die cijfers moest hij nu

aan Vader schrijven! Wat zou Vader 't ook lam vinden! Misschien kwam

't rapport ook wel te laat om 't nog te schrijven, Oom Tom had

gezegd dat wanneer hij na de volgende week nog schreef Vader de

brief toch niet meer zou krijgen. Dan moest hij 't vertellen als

Vader terug was!

Eduard liep de stoep op en trok hard aan de schel.

Vervelende boel hier ook al! Was hij maar weer goed en wel thuis!

Trijntje deed de deur open, brommend over 't malle gebel, maar

Eduard liep haar zonder iets te zeggen voorbij en hing zijn pet aan

de kapstok.

"Edu!" en Lineke kwam de huiskamer uithollen.

"Wat is er?" vroeg Eduard op alles behalve beminnelijke toon.

[Illustratie - 16_humeurig.jpg]

Lineke bleef voor hem staan. "Wat heb je?" vroeg ze.

"Ik? Ik heb niks!" 't Klonk dreigend. "Wat heb jij?"

"Ik wou je alleen maar vragen of je mij wilde leeren fietsen!" zei

Lineke verontschuldigend, "maar je zult het zeker ook wel niet

doen!"

"Waarom niet?"

"Nou, je kijkt zoo kwaad!"

Eduard draaide zich om en hing zijn jas op. "Vraag 't maar aan Hugo

of Piet, hoor!" antwoordde hij, toen Lineke bleef staan wachten.

"Dat heb ik al gedaan, maar die willen juist niet!" klonk het

treurig, "en 'k zou het toch zoo vreeselijk graag leeren!"

Eduard keek zijn nichtje even aan, maar hij zei niets.

"Heb je school moeten blijven, Ee?" vroeg Lineke opeens; "waarom

kijk je zoo boos? Heb je gehuild?"

Hij had niet gehuild, heelemaal niet, verbeeld je dat hij zou huilen

om dat malle schoolblijven! En hij keek Lineke aan en probeerde te

lachen. "Welnee!" antwoordde hij luchtig, "hoe kom je er bij?" en

haastig over het fietsen doorpratend: "In de Paaschvacantie zal ik

mijn fiets gaan halen en dan zal ik het je wel leeren hoor!"

De uitdrukking van Linekes gezichtje veranderde onmiddellijk. "Zalig

dol-leuk!" riep ze, en toen sloeg ze in haar verrukking opeens een

arm om Eduards hals en gaf hem een zoen. "Je bent een snoes!"

verklaarde ze.

Eduard duwde haar lachend op zij.

"Toe, schei uit!" zei hij, "gaan we nog niet koffiedrinken?"

"Ze zijn al lang bezig!"

Eduard wilde naar binnen gaan, maar Lineke hield hem bij zijn mouw

vast. "Wacht nog even," riep ze, "ik weet nog wat!"

"'t Zal wat zijn!"

"Nee, heusch!"

"Nou, wat dan?"

"Er is een brief!"

"Een brief? Wat voor brief?"

"Nou, voor jou, van Oom Eduard, en ...." Maar Eduard had zich al

losgetrokken en liep de huiskamer in.

"Edu zal 't me leeren!" vertelde Lineke aan de anderen, toen ze weer

op haar stoel schoof, en ze keek met voldoening rond.

"Daar ben je vet mee!" zei Hugo, en Piet reciteerde half hard:

"Ik heb een aardig neefje

Dat op zijn fiets óók rent!

En als je vraagt 'hoe rijd je toch?'

Dan zegt hij 'Wel, patent!'"

Dit vers was een blijvende aardigheid geworden en werd bij alle

mogelijke en onmogelijke gelegenheden en met alle denkbare variaties

te pas gebracht. Maar de geestigheid ging voor Eduard deze keer

verloren; haastig had hij het couvert met de Indische postzegel

opengescheurd, en met alle aandacht was hij verdiept in wat Vader

schreef:

"Mijn beste jongen!

Daar zit ik nu in de leeskamer van de groote mailboot te schrijven;

we zijn nu al een heel eind; overmorgen zullen we waarschijnlijk in

Batavia aankomen, en ik kan je vertellen dat ik er al naar verlang

om mijn voeten weer op vasten grond te zetten! We hebben een

prettige reis gehad, en ik ben gelukkig maar heel weinig zeeziek

geweest. De warmte maakt me erg lui, en eigenlijk zit ik maar 't

liefst in een gemakkelijke stoel op 't dek te lezen of te rooken of

een praatje te maken met een van de andere passagiers. Zoo nu en dan

komt mijn vriendje Pim mij een bezoek brengen, een grappig klein

jongetje van vier jaar; hij heet eigenlijk William, maar hij wordt

altijd Pim genoemd. 's Morgens begint hij al met mij te komen

'verras.' -- Als ik na 't ontbijt een prettig plaatsje op 't dek heb

uitgezocht komt hij heel zachtjes naar mij toe, op zijn teenen;

meestal hoor ik dan al wat schuifelen, maar ik doe natuurlijk net of

ik niets merk. En dan voel ik opeens twee kleine handjes voor mijn

oogen, en met een lage bromstem vraagt hij: "Wie ben ik?" En dan

heeft hij dolle pret als ik 't maar niet raden kan! Hij heeft ook

een zusje, dat heet Nelly en is zeven jaar. Ze vindt het erg jammer

dat ik jou niet meegenomen heb en ze heeft me verteld dat ze bij ons

komt logeeren als ze weer naar Holland gaat. Maar dat zal nog wel

een poosje duren, want haar vader en moeder gaan in Batavia wonen,

en als je daar eenmaal bent kom je maar niet zoo eens eventjes in

Holland logeeren! Ik ben toch maar blij dat ik niet in Indië ga

wonen, en weer gauw terug kom, jij ook niet? Of moet ik maar liever

wegblijven? Als je dezen brief krijgt duurt het nog maar twee

maanden, en dan ben ik weer bij je. Je moet maar eens iets prettigs

bedenken om mijn terugkomst te vieren! Je maakt zeker veel plezier

met de neefjes en nichtjes; ik wed dat je zoo aan al dat gezelschap

gewend raakt dat je niet eens meer met me mee naar huis wilt! Je

maakt het Tante toch niet al te lastig, zeg? En hoe gaat het op

school? Worden de cijfers mooi? En is Mijnheer Hofman tevreden over

't vioolspelen? De Paasch-vacantie zal nu zeker wel gauw beginnen,

en dan kun je eens uitrusten van het "harde werken!" Ik verlang er

naar om eens iets van je te hooren; je zult zeker ook wel heel wat

te vertellen hebben! Ziezoo Pepi, nu ga ik de brief dicht doen,

hoor! Mijn groeten aan Oom en Tante, en zeg ook de neven en 't

verdere kleine grut maar voor me goeiendag!

Een kus van

Vader. --

"Goed nieuws, jongen?" vroeg Oom Tom, toen zijn neefje den brief

weer in 't couvert stak. Met een blij gezicht keek Eduard op.

"Ja, een echte leuke brief! Vader schrijft altijd zoo echt

gezellig," zei hij opgewonden, "'t is net of je het Vader zelf hoort

zeggen!"

Tante Lina knikte hem eens toe. "Schrijft Vader nog wat bizonders?"

vroeg ze.

"Och nee Tante, bizonders eigenlijk niet. Over de zeereis een

beetje, en u en Oom moet de groeten hebben en jullie allemaal ook."

"Wanneer komt Oom Eduard nu eigenlijk terug?" informeerde Hugo.

"Over twee maanden," zei Eduard. "Mag ik een boterham, Tante?"

Eduard Kerner · 第 27 / 42 题