"Heb je nu eigenlijk gestudeerd of niet?" vroeg Mijnheer Hofman
ontevreden, want Eduard stond op een geweldige manier te knoeien en
hakkelde nu al voor de derde maal in een etude die hij de vorige
week al had moeten kennen.
Eduard keek van Mijnheer Hofman naar Theo, en van Theo naar zijn
viool.
"Jawel meneer!" zei hij toen.
"Hoeveel keer?"
Eduard zweeg.
"Nu, hoeveel keer heb je gestudeerd?"
"Drie keer!" klonk het zachtjes.
"Zoo, en dat vond je zeker voldoende, he? Verbeeldde je je nu heusch
dat je die etude kende? Ik wil je dan wel vertellen dat 't naar
niets lijkt! Vroeger kon ik tenminste merken dat je behoorlijk
gestudeerd hadt, maar 't is de laatste keeren al heel treurig! Je
staat te knoeien of je nog nooit een viool in je handen hebt gehad,
en dat is nu een jongen die bijna drie jaar les heeft!"
"Er was zoo weinig tijd!"
"Ja natuurlijk, dat kennen we! Zwijg nu alsjeblieft maar en speel de
sonatine!"
De jongens verwisselden de muziek en Eduard begon te spelen.
Vanmorgen voor hij naar school ging had hij de sonatine nog gauw
even een paar keer geprobeerd, maar hij wist heel goed dat hij er
niet veel van kende.
De eerste regels vielen hem mee, 't ging vrij goed, maar verderop
waren een paar moeilijke loopjes, en daarna raakte hij zoo in de
war, dat Mijnheer Hofman het al gauw mooi genoeg vond en hem
vertelde dat hij wel kon ophouden. "Berg je viool nu maar weg," zei
hij boos, "en dan zullen we zien of je er de volgende week meer van
kent. -- Theo, wil jij de sonatine spelen alsjeblieft?"
Theo bracht het er nogal goed af, maar Eduard wilde er niet naar
luisteren. Vervelend gezanik ook, om hem zijn viool te laten
wegbergen; Theo maakte ook wel fouten; je moest het ook altijd even
prachtig kennen, en hij kon 't toch niet helpen dat Hofman vandaag
uit zijn humeur was. -- Zoo vreeselijk slecht was 't niet eens
gegaan, maar omdat hij nu had verteld dat hij maar driemaal
gestudeerd had moest Hofman ook op alles vitten. Maar als die malle
vent soms dacht dat 't hem schelen kon, had hij het toch glad mis!
En Eduard probeerde zoo onverschillig mogelijk te kijken en staarde
strak naar buiten, steeds met zijn knokkels op de vioolkist tikkend,
totdat Theo eindelijk klaar was met spelen en Mijnheer Hofman opgaf
wat ze voor de volgende week te doen hadden. Toen konden ze hun
jassen aantrekken en naar school gaan.
[Illustratie - 15_vioolkisten.jpg]
"Flauwe aardigheid," was 't eerste wat Eduard mopperde, nadat de
voordeur achter ze dichtgevallen was.
"Wat flauwe aardigheid?" vroeg Theo.
"Nou, van Hofman natuurlijk!"
Theo keek Eduard eens even schuins aan en begon te lachen. "Nou, je
kende er dan toch ook eigenlijk wel een bar schijntje van, als ik 't
zeggen mag!" beweerde hij.
"Zeker mag je 't zeggen!" zei Eduard kwaad, "als jij Hofman geweest
was had je me zeker dadelijk naar huis gestuurd!"
"Wees nou niet zoo, flauw!"
"Flauw? 'k Ben niet flauw, jij bent flauw!"
"Nou ja, maar heel veel gestudeerd had je toch ook niet!"
"Dat zei 'k immers al!"
"Jawel. -- Maar 't was toch zeker geen drie keer?"
"Waarom niet?"
"Zoo maar. Je zei 't net of je dacht: drie keer vind ik wel zoowat
het minste dat ik zeggen kan!"
Eduard zweeg even. "Maandag heb ik een kwartiertje gestudeerd," zei
hij toen, "en Woensdag had ik juist mijn viool gekregen en toen was
er net iets anders, 'k weet niet meer wat, nou, en vanmorgen voor 'k
naar school ging heb ik de sonatine nog eens gespeeld."
Theo antwoordde niet.
"Jij moest maar eens bij een Oom en Tante en zes nichtjes en neefjes
logeeren, dan zou je eens zien hoe hard je werken kon!" vervolgde
Eduard, verwoed tegen een steentje schoppend, en Theo aanziende:
"Zeg nou eens, wat zou jij tegen Hofman gezegd hebben?"
"Dat weet ik niet," zei Theo, nadat hij even gefloten had, "ik zou
't misschien ook wel gezegd hebben, hoor!"
"Vind je 't erg gemeen?"
"Gemeen? Och ja, natuurlijk is 't gemeen, maar dat bedenk je meestal
pas achteraf."
"Ja, dat is lam genoeg!" Eduard zuchtte. "'t Is net of 't me nu
niets meer zou kunnen schelen om te zeggen dat ik maar ééns
gestudeerd had. Hij was toch al woedend, en een beetje meer of
minder is dan toch zoo erg niet!"
"Als je nu maar maakt dat je 't de volgende week kent," besloot
Theo. "Wanneer 't sonatineboek uit is krijg ik als 'k twaalf word
een fiets, heeft Pa beloofd!"
"Krijg je ook een fiets? Wat moppig!" riep Eduard, want door dit
nieuwtje was hij opeens de narigheid van de vioolles vergeten. "Wat
zullen we dan van de zomer leuk samen kunnen rijden, zeg!"
"Nou, fijn!" vond Theo, "een Fongers, leuk he?"
"Ja, mijne is een Humber, hij staat nog thuis, maar zoo gauw als het
mooi weer wordt mag ik hem gaan halen!"
En ze hadden 't nog druk over de fietsen toen ze eindelijk de school
inliepen en Theo met een "Nou dag!" naar zijn eigen klas ging.
Fransche themaschriften terug! Eduard schoof in zijn bank en sloeg
't schrift open. Met schrik keek hij naar de elf fouten en naar het
"slecht, overmaken", dat in groote blauwe letters onder aan de
bladzijde stond. Afschuwelijke thema ook! 't Was een echte
ongeluksdag vandaag, eerst die ellendige vioolles, en nu dit weer!
En ongeduldig stopte hij 't schrift in zijn lessenaar toen om twee
uur de bel luidde.
-----
"Ziezoo, dat hebben we alweer gehad!" en Tante Lina leunde
achterover in haar stoel. 't Was een roezemoezig half uurtje geweest
na 't eten, maar zooeven waren de twee jongsten door de juffrouw mee
naar boven genomen, en een oogenblikje genoot Tante van de rust, nu
de twee schel en helder boven alles uit klinkende kinderstemmetjes
niet meer gehoord werden.
Broertje had voor 't eerst ook mee mogen spelen vanavond, en met
gesloten oogen dacht Tante Lina nog even aan het opgewonden
gezichtje en de drukke bewegingen van 't kleine ventje. Maar toen
viel haar iets in, en glimlachend keek ze Oom Tom aan en zei: "Die
jongste zoon van jou zal anders een beste worden!"
"Hoezoo?" vroeg de Kapitein, die 't zich in een groote leuningstoel
gemakkelijk gemaakt had, en juist een sigaar aanstak.
"Wel, vanmiddag nam ik hem mee uit, 't was mooi weer, en voor we
naar huis gingen liep ik nog even 't plantsoen door. Opeens zag ik
Kolonel Durand naar mij toekomen; hij maakte een praatje en begon
toen notitie te nemen van Broer, die hem met zijn groote blauwe
oogen strak stond aan te staren. 'Hoe heet je wel, vent?' vroeg hij,
en Broer verklaarde heel ernstig dat hij Willem Cornelis Verhey
heette, maar verder verkoos hij heelemaal geen antwoord meer te
geven, en toen Kolonel Durand eindelijk wegging en vroeg of hij een
hand kreeg hield Broer stijf zijn handen op zijn rug en zei niets
anders dan 'Ik doet het niet!'"
De Kapitein lachte. "Dan legde je met dat jongemensch meer eer in!"
merkte hij op, naar Piet wijzend, en Tante Lina vertelde nog aan
Eduard en Lineke hoe Piet als jongetje van een jaar of vier met alle
officieren beste maatjes was, en als ze hem vroegen wat hij worden
moest, altijd antwoordde "Generaal!" "Och, 't was zoo'n lieve
jongen, he?" besloot ze, op één na haar oudsten zoon op den schouder
kloppend.
"Je zou 't nu niet meer van hem gelooven!" zei de Kapitein droogjes,
en Lineke zong zachtjes:
"Zeg eens, ken je onze Piet?
Och, da 's jammer, ken je 'm niet,
Och, hij was zoo'n lieve jo...."
Een harde klap op haar wang van Tommy deed haar plotseling ophouden,
en half verbaasd, half verschrikt vloog Lineke van haar stoel, om de
beleediging met de rente terug te betalen. Maar haar Moeder hield
haar tegen, en de Kapitein vroeg streng: "Tommy, waarom sla je
Lineke?"
Tommy gaf geen antwoord, en schopte met zijn laars tegen de
tafelpoot, maar toen zijn Vader opstond en naar hem toe kwam, schoof
hij haastig naar den anderen kant van de kamer.
"Tommy, kom onmiddellijk hier!"
Maar Tommy, die zich, zoolang hij buiten 't bereik van den Kapitein
was, nog veilig voelde, zei met een ondeugend gezicht: "Ik doet het
niet!"
"Doe je het niet?"
"Nee!"
Zonder verder nog iets te zeggen ging de Kapitein op hem af; nog
eenige oogenblikken deed Tommy vergeefsche moeite om te ontkomen,
toen voelde hij zich stevig bij den kraag gepakt. "Waarom heb je
Lineke geslagen?"
"Omdat ze zoo gemeen deed!" riep Tommy half huilend.
"Gemeen?" vroeg zijn Vader, zich even bedenkend wat Lineke gedaan
had, dat de boosheid van haar broertje zoo had opgewekt: "Wat deed
ze dan?"
"Ze zong over Piet!"
"Was dat alles? Maak je daar nu zoo'n scène om? Begreep je nu niet
eens dat dat gekheid was?"
Tommy zweeg.
"Zeg nu maar dadelijk tegen je zusje: 'Het spijt me dat ik je
geslagen heb,' en laat het dan uit zijn alsjeblieft."
Maar Tommy verroerde zich niet en herhaalde alleen zijn ondeugend:
"Ik doet het niet!"
Tante Lina wenkte Oom Tom, den kleinen jongen verder aan zijn lot
over te laten, en stuurde de andere kinderen de kamer uit. "Neem de
kaarten maar mee en ga in de leerkamer een spelletje doen!"
Langzaam verdween het drietal, om even later in de leerkamer te gaan
"banken", tot groot ongenoegen van Hugo, die zat te werken, en met
't gezelschap dat hij kreeg alles behalve ingenomen was; zuchtend
besloot hij, dan maar liever mee te doen; de fiches werden verdeeld,
en Eduard, die de bank hield, schoof ze ieder een kaart toe, met een
luid "opzetten!"
"'k Ga nog lang niet naar bed!" verklaarde Lineke met een kleur van
plezier, toen haar bakje met fiches steeds voller werd.
Aan Tommy dachten ze niet meer, totdat ze hem om kwart voor acht
weer in de gang hoorden, hard gillend, en steeds herhalend: "Ik doet
het niet!"
"Ma zal wel spijt hebben dat ze dat verhaal over Broertje verteld
heeft!" merkte Piet lachend op.
Een kwartier daarna kwam Tante Lina de leerkamer binnen om Eduard en
Lineke naar bed te sturen. 't Was Linekes tijd, en Eduard moest ook
maar eens vroeg gaan slapen, 't was al een paar avonden achter
elkaar erg laat geworden, en hij was vanmiddag aan tafel zoo stil
geweest, zeker een beetje moe.
"He Ma, nog even! 'k Heb nu juist zoo'n mooie kaart!" zeurde Lineke,
en Eduard zei dat hij juist heelemaal niet moe was; maar Tante
Lina's geduld was door 't gezanik met Tommy vrijwel uitgeput, en met
een "'t Is nu mooi geweest!" konden ze gaan opruimen. Langzaam
werden de fiches weer in de doosjes gestopt, en na nog wat lachen en
onzin praten gingen ze eindelijk naar boven.
't Licht brandde nog in de kamer van de kleine jongens, Tommy scheen
nog steeds niet in bed te zijn, en duidelijk hoorde Eduard nog zijn
boos: "ik doet 't niet." En toen hij zelf al uitgekleed was hoorde
hij de juffrouw pas naar beneden gaan. Even keek hij om de deur;
alles was nu donker, ook in de meisjeskamer. Maar stil was 't nog
niet geworden, en Eduard lag er in bed naar te luisteren hoe Tommy
nog maar steeds bleef doorschreeuwen en eindelijk zelfs 't portaal
opkwam om over de trapleuning hangend nog eens hard naar beneden te
roepen dat hij 't niet deed.
Wat zou hij nu toch eigenlijk niet willen doen? Hield die vervelende
jongen zijn mond nu toch maar! Net of je zoo kon slapen!
Daar ging opeens beneden haastig de deur open en dicht, en een
driftige stap kwam naar boven; Eduard hoorde duidelijk dat het Oom
Tom was --wat zou er nu gebeuren? Een zacht geritsel op 't portaal
-- Tommy was zoodra hij zijn Vader hoorde aankomen naar zijn bed
gevlucht.
Eduard voelde zijn hart kloppen en met wijd open oogen bleef hij
liggen luisteren. Oom Tom liep langs zijn deur naar de kamer van de
kleine jongens, en begon daar heel kwaad tegen Tommy te praten
--Eduard verstond het niet, maar wel kon hij duidelijk de klappen
hooren, die toen volgden, en Tommy's huilend geroep: "Ik zal wel
gaan slapen!"
Arme Tommy! Hij was wel vreeselijk ondeugend en vervelend geweest,
maar hij riep nu toch al dat hij zou gaan slapen en 't duurde zoo
lang! Oom Tom was toch ook wel vreeselijk streng; Vader was ook wel
streng, maar héél anders, en zóó zou Vader nooit gedaan hebben!
Tenminste .... ja, toen! 't Was nu al meer dan een jaar geleden, ze
waren samen aan 't koffiedrinken en weer hoorde hij Vaders stem
vragen: "Wel, hoe was 't vanmorgen? Ging 't uit 't hoofd rekenen
goed? Hoeveel sommen had je?" En weer hoorde hij zichzelf haastig
antwoorden: "vijf Vader." -- Dadelijk kreeg hij spijt toen hij 't
gezegd had: 't waren er maar vier geweest, maar hij had de laatste
keeren al altijd moeten vertellen dat 't onvoldoende was, en dan had
Vader altijd zoo teleurgesteld gekeken, want ja, 't was dikwijls
zijn eigen schuld als hij een som fout had, als hij middenin vergat
verder te rekenen of zoo -- maar vier of vijf maakte toch niet zoo'n
groot verschil -- hij had 't eerst nog willen vertellen voor hij
naar school ging, maar Vader had verder aldoor over andere dingen
gepraat en was toen al heel gauw naar de fabriek gegaan .... Dien
middag was Vader hem 's middags van school komen halen, zooals hij
wel meer deed, en Vader had met Mijnheer Snijders staan praten -- en
duidelijk herinnerde Eduard zich hoe Vader toen naar hem gekeken
had, hoe Vader toen met hem naar huis gegaan was, hard loopend en
steeds zwijgend, hoe hij zelf Vader telkens even schuins aangezien
had, zonder iets te durven zeggen ....
En ook wist hij nog heel goed wat er gebeurd was toen ze eindelijk
thuiskwamen; hoe Vader hem heel kortaf vertelde dat hij mee moest
gaan, naar Vaders eigen kamer, en wat Vader hem daar vroeg: of hij
dan heelemaal vergeten was hoe vreeselijk boos Vader werd als hem
iets verteld werd dat niet waar was; of hij er dan heelemaal niet
aan gedacht had hoe naar Vader het zou vinden, om te merken dat zijn
eigen jongen hem voorgelogen had, en of hij wel wist wat hij nu
verdiende?
Dát was de eenige keer geweest.
En nu? Wat had hij vanmiddag gedaan? Wat had hij tegen Mijnheer
Hofman gezegd? Hoeveel keer had hij er wel bij gelogen dat hij
gestudeerd had? Dit was véél erger dan die ééne som! Wat zou Vader
wel zeggen als hij dát wist! Als Vader hem gehoord had vanmiddag,
hoe zou hij Vader tegengevallen zijn! Een gemeene jongen was hij, en
veel meer dan Tommy had hij verdiend wat zijn kleine neefje zooeven
gekregen had --
Maar niet van Oom Tom -- dat mocht alleen Vader zelf doen!
En Eduard draaide zich om en drukte zijn gezicht zoo stijf in 't
kussen dat hij bijna geen adem kon halen -- och, kwam Vader maar!