XI.

"Heb je nu eigenlijk gestudeerd of niet?" vroeg Mijnheer Hofman

ontevreden, want Eduard stond op een geweldige manier te knoeien en

hakkelde nu al voor de derde maal in een etude die hij de vorige

week al had moeten kennen.

Eduard keek van Mijnheer Hofman naar Theo, en van Theo naar zijn

viool.

"Jawel meneer!" zei hij toen.

"Hoeveel keer?"

Eduard zweeg.

"Nu, hoeveel keer heb je gestudeerd?"

"Drie keer!" klonk het zachtjes.

"Zoo, en dat vond je zeker voldoende, he? Verbeeldde je je nu heusch

dat je die etude kende? Ik wil je dan wel vertellen dat 't naar

niets lijkt! Vroeger kon ik tenminste merken dat je behoorlijk

gestudeerd hadt, maar 't is de laatste keeren al heel treurig! Je

staat te knoeien of je nog nooit een viool in je handen hebt gehad,

en dat is nu een jongen die bijna drie jaar les heeft!"

"Er was zoo weinig tijd!"

"Ja natuurlijk, dat kennen we! Zwijg nu alsjeblieft maar en speel de

sonatine!"

De jongens verwisselden de muziek en Eduard begon te spelen.

Vanmorgen voor hij naar school ging had hij de sonatine nog gauw

even een paar keer geprobeerd, maar hij wist heel goed dat hij er

niet veel van kende.

De eerste regels vielen hem mee, 't ging vrij goed, maar verderop

waren een paar moeilijke loopjes, en daarna raakte hij zoo in de

war, dat Mijnheer Hofman het al gauw mooi genoeg vond en hem

vertelde dat hij wel kon ophouden. "Berg je viool nu maar weg," zei

hij boos, "en dan zullen we zien of je er de volgende week meer van

kent. -- Theo, wil jij de sonatine spelen alsjeblieft?"

Theo bracht het er nogal goed af, maar Eduard wilde er niet naar

luisteren. Vervelend gezanik ook, om hem zijn viool te laten

wegbergen; Theo maakte ook wel fouten; je moest het ook altijd even

prachtig kennen, en hij kon 't toch niet helpen dat Hofman vandaag

uit zijn humeur was. -- Zoo vreeselijk slecht was 't niet eens

gegaan, maar omdat hij nu had verteld dat hij maar driemaal

gestudeerd had moest Hofman ook op alles vitten. Maar als die malle

vent soms dacht dat 't hem schelen kon, had hij het toch glad mis!

En Eduard probeerde zoo onverschillig mogelijk te kijken en staarde

strak naar buiten, steeds met zijn knokkels op de vioolkist tikkend,

totdat Theo eindelijk klaar was met spelen en Mijnheer Hofman opgaf

wat ze voor de volgende week te doen hadden. Toen konden ze hun

jassen aantrekken en naar school gaan.

[Illustratie - 15_vioolkisten.jpg]

"Flauwe aardigheid," was 't eerste wat Eduard mopperde, nadat de

voordeur achter ze dichtgevallen was.

"Wat flauwe aardigheid?" vroeg Theo.

"Nou, van Hofman natuurlijk!"

Theo keek Eduard eens even schuins aan en begon te lachen. "Nou, je

kende er dan toch ook eigenlijk wel een bar schijntje van, als ik 't

zeggen mag!" beweerde hij.

"Zeker mag je 't zeggen!" zei Eduard kwaad, "als jij Hofman geweest

was had je me zeker dadelijk naar huis gestuurd!"

"Wees nou niet zoo, flauw!"

"Flauw? 'k Ben niet flauw, jij bent flauw!"

"Nou ja, maar heel veel gestudeerd had je toch ook niet!"

"Dat zei 'k immers al!"

"Jawel. -- Maar 't was toch zeker geen drie keer?"

"Waarom niet?"

"Zoo maar. Je zei 't net of je dacht: drie keer vind ik wel zoowat

het minste dat ik zeggen kan!"

Eduard zweeg even. "Maandag heb ik een kwartiertje gestudeerd," zei

hij toen, "en Woensdag had ik juist mijn viool gekregen en toen was

er net iets anders, 'k weet niet meer wat, nou, en vanmorgen voor 'k

naar school ging heb ik de sonatine nog eens gespeeld."

Theo antwoordde niet.

"Jij moest maar eens bij een Oom en Tante en zes nichtjes en neefjes

logeeren, dan zou je eens zien hoe hard je werken kon!" vervolgde

Eduard, verwoed tegen een steentje schoppend, en Theo aanziende:

"Zeg nou eens, wat zou jij tegen Hofman gezegd hebben?"

"Dat weet ik niet," zei Theo, nadat hij even gefloten had, "ik zou

't misschien ook wel gezegd hebben, hoor!"

"Vind je 't erg gemeen?"

"Gemeen? Och ja, natuurlijk is 't gemeen, maar dat bedenk je meestal

pas achteraf."

"Ja, dat is lam genoeg!" Eduard zuchtte. "'t Is net of 't me nu

niets meer zou kunnen schelen om te zeggen dat ik maar ééns

gestudeerd had. Hij was toch al woedend, en een beetje meer of

minder is dan toch zoo erg niet!"

"Als je nu maar maakt dat je 't de volgende week kent," besloot

Theo. "Wanneer 't sonatineboek uit is krijg ik als 'k twaalf word

een fiets, heeft Pa beloofd!"

"Krijg je ook een fiets? Wat moppig!" riep Eduard, want door dit

nieuwtje was hij opeens de narigheid van de vioolles vergeten. "Wat

zullen we dan van de zomer leuk samen kunnen rijden, zeg!"

"Nou, fijn!" vond Theo, "een Fongers, leuk he?"

"Ja, mijne is een Humber, hij staat nog thuis, maar zoo gauw als het

mooi weer wordt mag ik hem gaan halen!"

En ze hadden 't nog druk over de fietsen toen ze eindelijk de school

inliepen en Theo met een "Nou dag!" naar zijn eigen klas ging.

Fransche themaschriften terug! Eduard schoof in zijn bank en sloeg

't schrift open. Met schrik keek hij naar de elf fouten en naar het

"slecht, overmaken", dat in groote blauwe letters onder aan de

bladzijde stond. Afschuwelijke thema ook! 't Was een echte

ongeluksdag vandaag, eerst die ellendige vioolles, en nu dit weer!

En ongeduldig stopte hij 't schrift in zijn lessenaar toen om twee

uur de bel luidde.

-----

"Ziezoo, dat hebben we alweer gehad!" en Tante Lina leunde

achterover in haar stoel. 't Was een roezemoezig half uurtje geweest

na 't eten, maar zooeven waren de twee jongsten door de juffrouw mee

naar boven genomen, en een oogenblikje genoot Tante van de rust, nu

de twee schel en helder boven alles uit klinkende kinderstemmetjes

niet meer gehoord werden.

Broertje had voor 't eerst ook mee mogen spelen vanavond, en met

gesloten oogen dacht Tante Lina nog even aan het opgewonden

gezichtje en de drukke bewegingen van 't kleine ventje. Maar toen

viel haar iets in, en glimlachend keek ze Oom Tom aan en zei: "Die

jongste zoon van jou zal anders een beste worden!"

"Hoezoo?" vroeg de Kapitein, die 't zich in een groote leuningstoel

gemakkelijk gemaakt had, en juist een sigaar aanstak.

"Wel, vanmiddag nam ik hem mee uit, 't was mooi weer, en voor we

naar huis gingen liep ik nog even 't plantsoen door. Opeens zag ik

Kolonel Durand naar mij toekomen; hij maakte een praatje en begon

toen notitie te nemen van Broer, die hem met zijn groote blauwe

oogen strak stond aan te staren. 'Hoe heet je wel, vent?' vroeg hij,

en Broer verklaarde heel ernstig dat hij Willem Cornelis Verhey

heette, maar verder verkoos hij heelemaal geen antwoord meer te

geven, en toen Kolonel Durand eindelijk wegging en vroeg of hij een

hand kreeg hield Broer stijf zijn handen op zijn rug en zei niets

anders dan 'Ik doet het niet!'"

De Kapitein lachte. "Dan legde je met dat jongemensch meer eer in!"

merkte hij op, naar Piet wijzend, en Tante Lina vertelde nog aan

Eduard en Lineke hoe Piet als jongetje van een jaar of vier met alle

officieren beste maatjes was, en als ze hem vroegen wat hij worden

moest, altijd antwoordde "Generaal!" "Och, 't was zoo'n lieve

jongen, he?" besloot ze, op één na haar oudsten zoon op den schouder

kloppend.

"Je zou 't nu niet meer van hem gelooven!" zei de Kapitein droogjes,

en Lineke zong zachtjes:

"Zeg eens, ken je onze Piet?

Och, da 's jammer, ken je 'm niet,

Och, hij was zoo'n lieve jo...."

Een harde klap op haar wang van Tommy deed haar plotseling ophouden,

en half verbaasd, half verschrikt vloog Lineke van haar stoel, om de

beleediging met de rente terug te betalen. Maar haar Moeder hield

haar tegen, en de Kapitein vroeg streng: "Tommy, waarom sla je

Lineke?"

Tommy gaf geen antwoord, en schopte met zijn laars tegen de

tafelpoot, maar toen zijn Vader opstond en naar hem toe kwam, schoof

hij haastig naar den anderen kant van de kamer.

"Tommy, kom onmiddellijk hier!"

Maar Tommy, die zich, zoolang hij buiten 't bereik van den Kapitein

was, nog veilig voelde, zei met een ondeugend gezicht: "Ik doet het

niet!"

"Doe je het niet?"

"Nee!"

Zonder verder nog iets te zeggen ging de Kapitein op hem af; nog

eenige oogenblikken deed Tommy vergeefsche moeite om te ontkomen,

toen voelde hij zich stevig bij den kraag gepakt. "Waarom heb je

Lineke geslagen?"

"Omdat ze zoo gemeen deed!" riep Tommy half huilend.

"Gemeen?" vroeg zijn Vader, zich even bedenkend wat Lineke gedaan

had, dat de boosheid van haar broertje zoo had opgewekt: "Wat deed

ze dan?"

"Ze zong over Piet!"

"Was dat alles? Maak je daar nu zoo'n scène om? Begreep je nu niet

eens dat dat gekheid was?"

Tommy zweeg.

"Zeg nu maar dadelijk tegen je zusje: 'Het spijt me dat ik je

geslagen heb,' en laat het dan uit zijn alsjeblieft."

Maar Tommy verroerde zich niet en herhaalde alleen zijn ondeugend:

"Ik doet het niet!"

Tante Lina wenkte Oom Tom, den kleinen jongen verder aan zijn lot

over te laten, en stuurde de andere kinderen de kamer uit. "Neem de

kaarten maar mee en ga in de leerkamer een spelletje doen!"

Langzaam verdween het drietal, om even later in de leerkamer te gaan

"banken", tot groot ongenoegen van Hugo, die zat te werken, en met

't gezelschap dat hij kreeg alles behalve ingenomen was; zuchtend

besloot hij, dan maar liever mee te doen; de fiches werden verdeeld,

en Eduard, die de bank hield, schoof ze ieder een kaart toe, met een

luid "opzetten!"

"'k Ga nog lang niet naar bed!" verklaarde Lineke met een kleur van

plezier, toen haar bakje met fiches steeds voller werd.

Aan Tommy dachten ze niet meer, totdat ze hem om kwart voor acht

weer in de gang hoorden, hard gillend, en steeds herhalend: "Ik doet

het niet!"

"Ma zal wel spijt hebben dat ze dat verhaal over Broertje verteld

heeft!" merkte Piet lachend op.

Een kwartier daarna kwam Tante Lina de leerkamer binnen om Eduard en

Lineke naar bed te sturen. 't Was Linekes tijd, en Eduard moest ook

maar eens vroeg gaan slapen, 't was al een paar avonden achter

elkaar erg laat geworden, en hij was vanmiddag aan tafel zoo stil

geweest, zeker een beetje moe.

"He Ma, nog even! 'k Heb nu juist zoo'n mooie kaart!" zeurde Lineke,

en Eduard zei dat hij juist heelemaal niet moe was; maar Tante

Lina's geduld was door 't gezanik met Tommy vrijwel uitgeput, en met

een "'t Is nu mooi geweest!" konden ze gaan opruimen. Langzaam

werden de fiches weer in de doosjes gestopt, en na nog wat lachen en

onzin praten gingen ze eindelijk naar boven.

't Licht brandde nog in de kamer van de kleine jongens, Tommy scheen

nog steeds niet in bed te zijn, en duidelijk hoorde Eduard nog zijn

boos: "ik doet 't niet." En toen hij zelf al uitgekleed was hoorde

hij de juffrouw pas naar beneden gaan. Even keek hij om de deur;

alles was nu donker, ook in de meisjeskamer. Maar stil was 't nog

niet geworden, en Eduard lag er in bed naar te luisteren hoe Tommy

nog maar steeds bleef doorschreeuwen en eindelijk zelfs 't portaal

opkwam om over de trapleuning hangend nog eens hard naar beneden te

roepen dat hij 't niet deed.

Wat zou hij nu toch eigenlijk niet willen doen? Hield die vervelende

jongen zijn mond nu toch maar! Net of je zoo kon slapen!

Daar ging opeens beneden haastig de deur open en dicht, en een

driftige stap kwam naar boven; Eduard hoorde duidelijk dat het Oom

Tom was --wat zou er nu gebeuren? Een zacht geritsel op 't portaal

-- Tommy was zoodra hij zijn Vader hoorde aankomen naar zijn bed

gevlucht.

Eduard voelde zijn hart kloppen en met wijd open oogen bleef hij

liggen luisteren. Oom Tom liep langs zijn deur naar de kamer van de

kleine jongens, en begon daar heel kwaad tegen Tommy te praten

--Eduard verstond het niet, maar wel kon hij duidelijk de klappen

hooren, die toen volgden, en Tommy's huilend geroep: "Ik zal wel

gaan slapen!"

Arme Tommy! Hij was wel vreeselijk ondeugend en vervelend geweest,

maar hij riep nu toch al dat hij zou gaan slapen en 't duurde zoo

lang! Oom Tom was toch ook wel vreeselijk streng; Vader was ook wel

streng, maar héél anders, en zóó zou Vader nooit gedaan hebben!

Tenminste .... ja, toen! 't Was nu al meer dan een jaar geleden, ze

waren samen aan 't koffiedrinken en weer hoorde hij Vaders stem

vragen: "Wel, hoe was 't vanmorgen? Ging 't uit 't hoofd rekenen

goed? Hoeveel sommen had je?" En weer hoorde hij zichzelf haastig

antwoorden: "vijf Vader." -- Dadelijk kreeg hij spijt toen hij 't

gezegd had: 't waren er maar vier geweest, maar hij had de laatste

keeren al altijd moeten vertellen dat 't onvoldoende was, en dan had

Vader altijd zoo teleurgesteld gekeken, want ja, 't was dikwijls

zijn eigen schuld als hij een som fout had, als hij middenin vergat

verder te rekenen of zoo -- maar vier of vijf maakte toch niet zoo'n

groot verschil -- hij had 't eerst nog willen vertellen voor hij

naar school ging, maar Vader had verder aldoor over andere dingen

gepraat en was toen al heel gauw naar de fabriek gegaan .... Dien

middag was Vader hem 's middags van school komen halen, zooals hij

wel meer deed, en Vader had met Mijnheer Snijders staan praten -- en

duidelijk herinnerde Eduard zich hoe Vader toen naar hem gekeken

had, hoe Vader toen met hem naar huis gegaan was, hard loopend en

steeds zwijgend, hoe hij zelf Vader telkens even schuins aangezien

had, zonder iets te durven zeggen ....

En ook wist hij nog heel goed wat er gebeurd was toen ze eindelijk

thuiskwamen; hoe Vader hem heel kortaf vertelde dat hij mee moest

gaan, naar Vaders eigen kamer, en wat Vader hem daar vroeg: of hij

dan heelemaal vergeten was hoe vreeselijk boos Vader werd als hem

iets verteld werd dat niet waar was; of hij er dan heelemaal niet

aan gedacht had hoe naar Vader het zou vinden, om te merken dat zijn

eigen jongen hem voorgelogen had, en of hij wel wist wat hij nu

verdiende?

Dát was de eenige keer geweest.

En nu? Wat had hij vanmiddag gedaan? Wat had hij tegen Mijnheer

Hofman gezegd? Hoeveel keer had hij er wel bij gelogen dat hij

gestudeerd had? Dit was véél erger dan die ééne som! Wat zou Vader

wel zeggen als hij dát wist! Als Vader hem gehoord had vanmiddag,

hoe zou hij Vader tegengevallen zijn! Een gemeene jongen was hij, en

veel meer dan Tommy had hij verdiend wat zijn kleine neefje zooeven

gekregen had --

Maar niet van Oom Tom -- dat mocht alleen Vader zelf doen!

En Eduard draaide zich om en drukte zijn gezicht zoo stijf in 't

kussen dat hij bijna geen adem kon halen -- och, kwam Vader maar!

Eduard Kerner · 第 26 / 42 题