"Gevaarlijk? Welnee, er is niks aan! Toe, ga nou gauw mee, zij
willen toch eerst Asschepoetster doen en dan kunnen wij 't in die
tijd halen." En Eduard meetrekkend liep hij de trap af.
"Zouden we die mooie pakjes niet eerst uitdoen?"
"Maar niet doen," vond Kees, "we moeten ze straks toch weer
aantrekken."
Op de meisjeskamer schoven ze 't raam op, en in een wip stond Kees
op 't glibberige plat. Eduard klom hem achterna. 't Viel hem niet
mee; tusschen de twee schuinafloopende platten was een ruimte van
zoowat een halve meter, waar Kees overheen moest, en eigenlijk vond
Eduard 't een griezelige tocht.
"Je moet me een hand geven," zei Kees, en voorzichtig liep hij langs
de muur over 't plat, terwijl Eduard zich met zijn andere hand aan
de vensterbank vasthield. Bij 't raam van zijn eigen kamer deed Kees
vergeefsche moeite om 't op te schuiven. "Je moet me komen helpen!"
riep hij.
"Wacht dan even!" riep Eduard terug. Hij had bedacht dat 't zeker
minder gevaarlijk zou zijn als ze wat meer houvast hadden, en van
beneden haalde hij Linekes springtouw, dat hij stevig aan een van de
bedden vastbond. Toen, met 't eind van het touw in zijn hand liep
hij naar Kees toe, en samen schoven ze 't raam in de hoogte.
't Viel Eduard ineens op hoe gek ze daar met hun tweeën stonden, in
hun riddercostuums op 't natte plat in de regen, en toen Kees naar
binnen geklommen was ging Eduard op de vensterbank zitten, telkens
met zijn laarzen tegen den muur schoppend. Wat zou Vader lachen als
Vader hem hier zag zitten! Of zou Vader 't gevaarlijk vinden? Och,
welnee, wat was hij toch flauw, en hij had Vader immers beloofd
moedig te zullen zijn! Maar dit was zeker niet de moed die Vader
bedoelde, en hij had Vader óok beloofd voorzichtig te zijn;
voorzichtig was 't heelemaal niet! En als die jongen van negen jaar
nu een ongeluk kreeg was 't zijn schuld, want hij was al twaalf, en
hij had verstandiger moeten zijn!
"'k Heb 't hoor!" riep Kees vanuit de kamer, en hij hield het
rolletje in de hoogte.
"Maak dan maar gauw voort!" en Eduard haastte zich zóó, dat hij,
toen Kees weer op 't andere plat stond en hij 't rolletje naar hem
toe wilde ballen, te ver gooide, en 't heele dwergenpak kwam in den
tuin terecht.
"Laat maar," zei Eduard, "'k zal 't straks wel even halen!" en zich
vasthoudend aan het touw liep ook hij weer terug. -- Hij was blij
toen ze allebei weer in de kamer stonden.
Voor de tweede maal holde hij de trappen af en zocht in den tuin de
verschillende kleedingstukken bij elkaar, want 't rolletje was
natuurlijk uit elkaar gevallen. En gauw plukte hij een paar
primula's en wat grasjes, om Bep in haar handje te geven als ze
straks voor Roodkapje speelde.
"Waar zitten jullie toch?" vroeg Lineke ongeduldig, toen ze
eindelijk weer boven kwamen, "we wachten al een uur op jullie!" En
Broertje vertelde, dat hij Klein Duimpje was geweest, en dat hij
Pa's groote kaplaarzen had mogen aanhebben.
"Maar dit is allemaal groote repetitie," zei Hugo, "nu Sneeuwitje en
Roodkapje nog, en dan gaan we Pa en zoo roepen."
"Vijf tableaux is ook eigenlijk genoeg," vond Piet. Van 't
sabeltooneel hadden ze moeten afzien, want Bep wilde niets van
Blauwbaard weten, en tot Roodkapje was ze alleen maar te bewegen
geweest als de wolf er niet bij te pas kwam.
Piet hoefde verder niet meer mee te spelen, en terwijl Hugo de
anderen commandeerde en vertelde waar ze allemaal zitten moesten,
schreef hij de programma's vast en zocht beneden een doosje
Bengaalsche lucifers op. -- 't Drukpersje was nergens te vinden
geweest. -- Eindelijk riepen ze van de zolder dat alles klaar was,
en Piet ging 't publiek halen. -- Alleen de Kapitein kwam mee naar
boven; Tante Lina was wel opgestaan, maar had nog niet veel lust om
de heele vertooning bij te wonen, en beloofde, straks misschien nog
even te komen. --Trijntje beweerde dat ze niet van haar eten af kon,
en Kreek was er niet.
"Kinderen, wat is 't hier koud!" zei Oom Tom toen hij op zolder
stond. Hugo zette een stoel voor hem neer en gaf hem een programma.
"Wacht u nu maar even, zoo meteen zult u 't wel warm krijgen!" zei
hij, en zijn hoofd om het gordijn stekend: "Ben je klaar, Piet?"
"Wacht even!" fluisterde Piet, die juist de koningsmantel omgegooid
had, en de kroon opzette: "Nou, vooruit maar!"
En met een plechtige beweging schoof Hugo 't gordijn open.
De Kapitein had even moeite niet hardop te lachen, maar toen 't
zingen begon keek hij weer ernstig, en heel aandachtig luisterde hij
tot 't lied uit was.
"'t Is heel mooi!" verklaarde hij, en de kleinste slapende page werd
opeens wakker en vertelde dat er nog meer kwam.
Achter 't dichtgetrokken gordijn volgde een druk gefluister en
geschuifel om 't Asschepoetster tableau voor te bereiden, en Oom Tom
kreeg gezelschap, want deze keer waren er maar drie spelers,
Asschepoetster, de Prins en de Fee, die door Bep, Tom en Hanny
voorgesteld werden.
Alles liep best van stapel, en directeur Hugo kon tevreden zijn.
Piet streek zijn Bengaalsche lucifers af, en na ieder tableau kwam
een luid applaus; juist had Hugo voor de laatste voorstelling 't
gordijn opengeschoven toen ze een zachten stap op de trap hoorden.
't Was Tante Lina, die naar boven kwam. "Hallo!" riep Piet, en even
holden ze allemaal door elkaar om plaats te maken.
't Kleine Roodkapje, dat voor 't kamerscherm stond, wachtte tot ze
allemaal weer zaten. Toen, na een "toe maar!" van Hugo, begon ze te
vertellen; duidelijk klonk het hooge stemmetje over de zolder.
"Ik ga naar Grootmoeder toe, om haar te brengen wat ik hier in mijn
mandje heb.
[Illustratie - 14_roodkapje.jpg]
Het zijn wafels, maar die kunnen jullie niet zien omdat ze onderin
zitten, en een leege wijnflesch, maar we doen net of die vol is."
Even keek Bep met een heel ernstig gezicht naar de lachende
toeschouwers, toen vervolgde ze: "Ik ben ook heelemaal niet bang
voor de wolf, want die is er niet, en o ja, deze bloemen zijn
eigenlijk ook voor Grootmoeder, maar die wou ik nu maar aan Maatje
geven!" En toen holde ze naar haar Moeder toe en klom op haar
schoot.
"Dat 's ook wat!" zei Hugo, die dit niets geen gepast slot vond,
maar de andere kinderen klapten zoo hard dat er verder geen woord
tusschen te krijgen was.
Tante Lina vond dit slot mooier dan ze het hadden kunnen bedenken.
"En gaan jullie nu mee naar beneden om een glaasje limonade te
drinken?" vroeg ze, Bep op den grond zettend.
In vliegende haast werden de mooie pakjes uitgeschopt, want ze
verlangden nu opeens allemaal weg te komen van de rommelige zolder,
waar een benauwde lucht van afgebrande Bengaalsche lucifers hing. --
"Vond u 't mooi?" vroeg Eduard, toen ze de trap afgingen.
"Zeker," zei Tante Lina, "wat ik gezien heb vond ik heel aardig!"
En de Kapitein verklaarde dat hij zich bepaald dol geamuseerd had.